Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 21.06.2011
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 21 JUNI 2011
Rolnummer AR 07/3350/A
In de zaak van :
De heer B. J., in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de BVBA W.W. I., met zetel te …, …, hebben als ondernemingsnummer …, waarvan het faillissement werd uitgesproken door de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde d.d. 20 december 2010;
eiser q.q.,
die niet verschijnt, noch iemand voor hem;
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Dendermonde, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9200 Dendermonde. St. Rochusstraat 63; en de Administratie van Invordering in de persoon van de ontvanger a.i. van het BTW-ontvangkantoor van Wetteren, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9230 Wetteren, Gentsesteenweg 93;
verweerder,
voor wie als raadsman optreedt Mter. E. V. A., advocaat te …, …;
Vonnist de rechtbank als volgt :
1. De rechtspleging
De verweerder werd gehoord in zijn middelen op de openbare terechtzitting van 24 mei 2011 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift d.d. 11 oktober 2007 en de conclusies van de partijen.
2. De vordering
De eiser q.q. verhaalt zich tegen het dwangbevel inzake BTW, Reg. 127/2198/06, uitgevaardigd op 20 november 2006 en uitvoerbaar verklaard op 21 november 2006. Dit dwangbevel heeft betrekking op de vordering RCIV … ten bedrage van 18.517.23 EUR BTW, 1.850,00 EUR fiscale geldboete en intresten vanaf 21 januari 2005.
De eiser treedt thans op in diens hoedanigheid van curator van de oorspronkelijke eiseres. Deze eisende partij wordt hierna aangeduid als "de eiseres".
De vordering van de eiseres strekt ertoe het voornoemde dwangbevel van nul en generlei waarde te horen verklaren en strekt tot de veroordeling van de Belgische Staat tot de terugbetaling van de op grond van dit dwangbevel ten onrechte geïnde bedragen, en de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding.
3. De relevante feiten en het geschil
De administratie licht toe dat op 17 november 2005 een controle bij de eiseres is aangevangen, met betrekking tot de toepassing van de BTW-wetgeving over de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2004.
Op 2 februari 2006 wordt aan de eiseres een correctieopgave opgestuurd. De eiseres reageerde niet op deze correctieopgave. Op 2 juni 2006 wordt een proces-verbaal opgesteld, waarvan een afschrift wordt toegezonden aan de eiseres.
Op 11 augustus 2006 deelt de gevolmachtigde mandataris van de eiseres aan de administratie mee dat de eiseres akkoord gaat met punt 1 van het proces-verbaal maar dat punt 2 van het proces-verbaal betwist wordt.
De fiscale administratie licht toe dat in het kader van het bezwaar inzake directe belastingen dezelfde kosten worden betwist en er wordt getracht om voorlegging te verkrijgen van de overeenkomsten waar de eiseres in haar schrijven van 11 augustus 2006 naar verwijst. De administratie zet uiteen dat de eiseres geen stukken heeft voorgelegd.
Op 31 juli 2007 wordt de belastingplichtige ingelicht dat de beslissing van 2 juni gehandhaafd blijft bij gebrek aan voorlegging van bewijskrachtige stukken in verband met de beweerde overeenkomsten met de BVBA L..
Vervolgens legt de eiseres op 11 oktober 2007 het huidig gedinginleidend verzoekschrift neer en maakt het geschil bij deze rechtbank aanhangig.
4. Beoordeling
4.1.
De rechtbank stelt vast dat het huidige geschil enkel betrekking heeft op het punt 2 van het proces-verbaal d.d. 2 juni 2006.
4.2.
Krachtens artikel 45, § 1 BTW-wetboek mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen, van de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van onder meer belaste handelingen.
4.3.
De kosten van aankopen van onderdelen en de aankoop van brandstof hebben volgens de eiseres betrekking hebben op vrachtauto's die haar ter beschikking werden gesteld door de BVBA L.. Als tegenprestatie zou door de eiseres aan deze BVBA L. een lagere uurloonprijs worden aangerekend.
Samen met de fiscale administratie moet de rechtbank vaststellen dat de eiseres nalaat het bewijs van deze bewering te staven aan de hand van objectieve en controleerbare stavingsstukken.
Volgens de administratie werd de eiseres herhaaldelijk verzocht het beweerde aan te tonen aan de hand van contracten en facturen alsmede te verduidelijken welke voertuigen precies het voorwerp hebben uitgemaakt van de beweerde terbeschikkingstelling.
Ingevolge het ontbreken van het door de eiseres krachtens artikel 45, § 1 W.BTW te leveren bewijs, wordt aldus niet aangetoond dat deze kosten, waarvan de aftrek werd gevraagd, kaderen in de uitoefening van haar economische activiteit.
Het wordt niet betwist dat de eiseres geen eigenaar is van de vrachtwagens. Het wordt niet aangetoond in welke hoedanigheid eiseres de goederen tot haar beschikking had. Er worden geen contracten voorgelegd , noch facturen met betrekking tot de terbeschikkingstelling. Voor de terbeschikkingstelling van roerende goederen tussen (BTW-)belastingplichtigen dienen facturen te worden opgesteld die zich in de boekhouding dienen te bevinden.
De administratie is gerechtigd te stellen dat het de eigenaar van de goederen toekomt in te staan voor het onderhoud van zijn goederen, tenzij contractueel er een andere regeling is voorzien en er concrete elementen worden voorgebracht die de werkelijkheid ervan aantonen, waarvan in het huidige geschil geen bewijs wordt voorgelegd.
De rechtbank besluit dat de eiseres in gebreke blijft haar vordering te bewijzen, zodat de administratie terecht de aftrek van de BTW heeft verworpen en de terugvordering van de ten onrechte uitgeoefende aftrek vordert.
4.4.
De eiseres (eiser q.q.) dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek). De kosten in het huidige geschil betreffen enkel de rechtsplegingsvergoeding. De vordering is in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de omvang van de bestreden dwangbevel, in de schijf van 20.000,01 tot 40.000 EUR. Er worden door de partijen geen bijzondere redenen aangevoerd met het oog op een afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Recht doende ALS op tegenspraak.
Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.
Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt de eiser q.q. tot de kosten van het geding.
Begroot deze kosten als volgt :
- aan de zijde van de verweerder : de rechtsplegingsvergoeding : 2.200,00 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op éénentwintig juni tweeduizend en elf, waar aanwezig waren :
de heer S. R., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,
mevrouw G. L., griffier.
G. L. S. R.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.