Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 10.11.2004
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V 0 N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op tien november tweeduizend en vier in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
L. B., enig rechter,
N. D., adjunct-griffier.
In zake : AR nr. 03/1140/A
BVBA L. Y. C., met BTW-nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Turnhout onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….
eisende partij,
verschijnende bij meester K. A. loco meester F. V., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Turnhout, Spoorwegstraat 22.
verwerende partij,
verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 19 februari 2003,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 13 oktober 2004.
Een controleambtenaar van de belastingdienst BTW heeft op 13 december 2002 een proces-verbaal inzake BTW opgesteld waarin hij aan eiseres verrekening ontzegt van voorbelasting, door deze betaald op aankoop van een motorschip (factuur van 8 december 1999), door haar in verrekening gezet via Vak 59 van haar BTW-aangifte voor het vierde kwartaal 1999.
Het proces-verbaal (stuk 1 verweerder) stelt op zijn tweede blad :
"Er werden mij geen uitgaande facturen met betrekking tot verhuring van voorgaand vaartuig noch andere uitgaande facturen aangaande de periode vanaf 9 november 1999 tot 30 juni 2002 voorgelegd. (...) Op de vraag of er reclame was gevoerd door (eiseres) voor bekendmaking van verhuur van het yacht gedurende de jaren 1999, 2000 en 2001 en de eerste zes maanden van 2002 werd ontkennend geantwoord. Er werd gemeld dat onlangs reclame zou zijn gemaakt in P-Magazine doch met betrekking tot gecontroleerde periode werd dienaangaande geen enkele onkostennota of factuur voorgelegd. Op de vraag wie de brandstofkosten en eventuele herstelkosten van het yacht betaalt, werd geantwoord : "dit gebeurt privé". Er werd met betrekking tot deze kosten geen enkele factuur voorgelegd".
Verweerder heeft met aanhechting van dit proces-verbaal op 17 december 2002 onder referte Reg.127/ ... (onleesbaar gezien slechte kopie) een dwangbevel uitgevaardigd, dat dezelfde dag uitvoerbaar werd verklaard, en dat met brief van (onleesbaar gezien buiten kopie) ter kennis van huidig eiseres is gegeven.
Naar opgave van verweerder in conclusie dateert de brief van 19 december 2002 en hij wordt daarin niet tegengesproken door eiseres.
Op 19 februari 2003 heeft de raadsman van huidig eiseres ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift op tegenspraak met aangehecht afschrift van vermeld dwangbevel neergelegd.
Er loopt geen betwisting ter zake toelaatbaarheid van de rechtsvordering, ook niet zo nodig van ambtswege aan te voeren.
De (vanuit Nederland komende) intracommunautaire verwerving van het schip is geschied in december 1999 en opgenomen in Vak 86 van vermelde aangifte over het vierde kwartaal van 1999.
Zelf is eiseres opgericht met notarisakte van 27 oktober 1999, met als eerst vermeld doel : de aan- en verkoop, huren en verhuren en het beheer van schepen en vaartuigen, en ze is voor de BTW geregistreerd met ingang van 9 november 1999.
De BTW-controle bij eiseres is, na aankondiging van 20 september 1999, aangevangen op 27 september 2002, zodat eiseres het betrokken schip toen ruim meer dan 2,5 jaar in bezit had.
Uit het BTW proces-verbaal, dat op dat punt volle bewijskracht heeft, blijkt dat eiseres toen geen enkele uitgaande factuur kon voorleggen met betrekking tot verwezenlijking van haar vermeld maatschappelijk doel, zijnde verhuring van het schip.
Eiseres legde blijkens hetzelfde proces-verbaal, dat ook op dat punt volle bewijskracht heeft, voor betrokken periode geen aantoonbare elementen voor aan de hand waarvan zij - buiten intracommunautaire verwerving zelf ingevolge aankoop - enige intentie veruiterlijkte om met BTW belastbare 'uitgaande' handelingen te zullen stellen in een nabije toekomst.
Haar huidige overtuigingsstukken 3-4 vormen fotokopieën van twee facturen van drukkers aan een andere vennootschap op hetzelfde adres, zulks enerzijds voor druk van niet nader geïdentificeerde folders (stuk 3) en anderzijds voor druk van naamkaartjes (stuk 4) zonder specificatie, aan welke laatste factuur voorafgaand aan het fotokopiëren naamkaartjes van eiseres zijn gehecht.
Haar huidige overtuigingsstukken 5 tot 9 vormen kopieën uit in de loop van 2002 verschenen magazines waarin op naam van derden reclame wordt gevoerd voor gebruik van het betrokken schip.
Haar huidig overtuigingsstuk 10 vormt een fotokopie van een ongedateerde brochure op naam vermelde andere vennootschap op hetzelfde adres als eiseres.
Haar huidige overtuigingsstukken onder nummer 11 bestaan uit facturen voor verhuring van het schip aan diezelfde andere vennootschap op haar adres, facturen genummerd van 201 tot en met 208, en gedateerd van 2 juli 2002 (nr. 201) over 3 september 2002 (202) tot en met 25 oktober 2002 als laatste (208).
Terecht voert verweerder aan dat deze stukken alle dateren van na de gecontroleerde periode die ging tot 30 juni 2002, en ten overvloede stelt de rechtbank vast dat eiseres naar aanleiding van de controle ter plaatse geen melding - ook niet spontaan - heeft gemaakt van een plots na 30 juni 2002 wel verrichten van uitgaande - met BTW belastbare - handelingen met het schip.
Besluitend stelt de rechtbank vast dat eiseres op geen enkele wijze geobjectiveerde elementen voorlegt voor de periode eind 1999 tot en met 30 juni 2002 - aldus voor meer dan 30 maand - die haar intentie tot het stellen van belastbare uitgaande handelingen onder bouwen.
De door artikel 45 Wetboek BTW bepaalde voorwaarden tot verrekening van voorbelasting zijn dan ook niet vervuld, zodat de vordering van eiseres niet kan worden bijgetreden.
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering toelaatbaar maar ongegrond,
Veroordeelt eiseres tot de kosten, deze aan elke zijde begroot in conclusie, en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op 174,76 EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingvergoeding.
N. D. L. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.