Recht op aftrek van belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Brussel 13 februari 2003

Zoeken

Recht op aftrek van belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-hof-van-beroep-brussel-2003-02-13-9ffc

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Brussel
Datum
13 februari 2003

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

58 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 13.02.2003

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van13-02-2003

Nr. van de zaak : 19997AR/1387

IN ZAKE VAN :

De BVBA D. met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …; ingeschreven in het handelsregister van … onder het nr. …,

appellante,

vertegenwoordigd door Meester D. loco S. S., advocaat (…, …);

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Leuven, wiens kantoor te Leuven, wiens kantoor gevestigd is te 3000 Leuven.

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester F. S., advocaat, (…, …);


Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

De Rechtspleging

Bij akte neergelegd ter griffie op 19 mei 1999 heeft appellante beroep ingesteld tegen een vonnis van 13 april 1999 verleend door de 8ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Er wordt geen betekeningakte neergelegd.

R.2003/1028 EINDARREST- Ontvankelijk gedeeltelijk gegrond.

De ontvankelijkheid van het beroep wordt niet betwist.

Voorwerp van het geschil en uiteenzetting der feiten

Betwisting voor de eerste rechter

D. is een kleinhandel in dameskleding die sedert 1 januari 1993 een handelspand huurt.

Voor de eerste rechter heeft D. een dwangbevel van 13 januari 1997 van de BTW-controle te Haacht betwist.

Dit dwangbevel is gesteund op een proces-verbaal van 29 juli 1996 dat het recht op aftrek van … F BTW betreffende het aanleggen - medio 1994 - van een tuin en een parking bij het handelspand verwerpt, omdat die werken door de huurster D. uitgevoerd werden op een grond van eigenaars die op dat ogenblik aan hun recht van natrekking niet hadden verzaakt. De verzaking gebeurde in een notariële akte van 24 december 1997 die met terugwerkende kracht op 1 augustus 1994 ingang nam.

Uitspraak door de eerste rechter

De rechter verklaarde het verzet ongegrond omdat bij de voltooiing van de werken op 20 september 1994 de eigenaars van de grond, die ook de eigenaars van de D. zijn, aan hun recht van natrekking niet hadden verzaakt, zelfs niet stilzwijgend. Hij aanvaardde de verzaking a posteriori niet “gezien het blijkbaar een poging is om toch de aftrek te kunnen bekomen”.

De rechter voegde eraan toe dat het proces-verbaal van 29 juli 1996 voor de erin opgenomen vaststellingen bewijskracht heeft, en dat in dit proces-verbaal de controleur tijdens zijn bezoek vastgesteld heeft :

* dat er noch op het uitstalraam van D., noch ergens anders, naar een voor het cliënteel beschikbare parking verwezen wordt, en

* dat de tuin slechts via zijstraten aan de achterkant van de burelen bereikbaar is, en van de winkel bijna niet zichtbaar was (er moesten gordijnen opengetrokken worden om iets te zien).

Hij stelde dat kwestieuze werken bijgevolg in ieder geval niet beroepsmatig waren.

Tenslotte weigerde de rechter de bij het ontstaan van het geschil door de administratie voorgestelde (maar door D. geweigerde) aftrek van 40 % toe te staan.

Voorwerp van het hoger beroep

Appellante vraagt dat het dwangbevel vernietigd zou worden, omdat de eigenaars stilzwijgend van hun recht op natrekking afstand zouden gedaan hebben, door aan D. de toelating te geven de tuin en de parkeerplaatsen aan te leggen, en omdat die stilzwijgende afstand naderhand mag bewezen worden.

D. vestigt ook de aandacht van het Hof op het feit dat de facturen van de ondernemers aan haarzelf en niet aan de eigenaars gestuurd werden, en dat de tuin en de parkeerplaatsen in haar balans als activa opgenomen werden en derhalve door haar afgeschreven worden.

Appellante beweert dat de tuin en de parking beroepsmatig gebruikt worden.

Discussie

Terzake is de vraag te weten of de eigenaars van de grond aan hun recht van natrekking stilzwijgend verzaakt hebben irrelevant omdat zij ook de eigenaars van de BVBA D. zijn, en omdat – indien er geen verzaking was - zij deze laatste (t.t.z. henzelf op het economisch vlak 1) moelen vergoeden.

Het enig punt dat terzake doorslaggevend is bestaat erin te weten of de uitgevoerde werken voor D. een beroepsmatig karakter hebben in de zin van artikel 45 van het wetboek van de BTW.

Uit de neergelegde foto's blijkt dat na de uitgevoerde werken de tuin afschuwelijk geworden is... De brede “s – vormige”. ingang weg van de parking laat voor de beplantingen bijna geen plaats meer over; de autostandplaatsen staan ver uit elkaar om de autogebruikers toe te laten gemakkelijk hun maneuvers uit te voeren; ortom : er blijft van een eigenlijke tuin bijna niets meer over. Er dient ook onderlijnd te worden dat de administratie der directe belastingen de afschrijving der uitgevoerde werken in hoofde van D. aanvaard heeft.

Daarentegen is het wel zo dat de parking ook dienstig kan zijn voor privé-doeleinden van de eigenaars van de grond.

Terzake werden de werken dus slechts gedeeltelijk voor bedrijfsdoeleinden aangewend.

De administratie zelf heeft bij het ontstaan van het geschil geschat dat 40 % der werken voor D. beroepsmatig waren.

Deze schatting lijkt redelijk, gelet op wat voorafgaat.

De voorziening is dus gedeeltelijk gegrond, in de mate dat de Staat - voor de berekening van de aftrekbare BTW- ten onrecht 40 % van de prijs der uitgevoerde werken als privé-uitgaven heeft beschouwd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Gehoord in openbare terechtzitting de heer B. d. C., plaatsvervangend raadsheer, in zijn verslag;

Verklaart de voorziening ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, in de mate dat de Staat - voor de berekening van de aftrekbare BTW - 40 % van de prijs der uitgevoerde werken heeft verworpen.

Vernietigt het dwangbevel in dezelfde mate en zegt voor recht dat slechts 60 % der bedragen in het dwangbevel, verschuldigd zijn.

Beveelt de terugbetaling aan appellante van de teveel geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriuminteresten.

Veroordeelt appellante tot 60 % en de Belgische Staat tot 40 % der kosten, begroot in graad van hoger beroep op € … voor appellante en op € … voor geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 13.02.2003;

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

K V. H., voorzitter;

J. N., plaatsvervangend magistraat,

B .d. C., plaatsvervangend raadsheer,

C D. N., griffier.

C. D. N. B. d. C. J. N. K. V. H.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 451 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8