Recht op aftrek van belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 24 februari 2005

Zoeken

Recht op aftrek van belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-hof-van-beroep-antwerpen-2005-02-24-066a

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
24 februari 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

42 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 24.02.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, VIJFDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :

Zitting van 24 Februari 2005

EINDARREST

Inzake : 2003/AR/1971

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, voorheen Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van het HOOFD VAN HET BTW-CONTROLECENTRUM ANTWERPEN, SECTIE 3.4, met burelen te Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 13;

appellant,

tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 4 juni 2003

vertegenwoordigd door Mr. D. V. loco Mr. R. L., advocaat te …, …;

tegen :

NV G. O. R., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nr. …;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. D. V. B., advocaat te …, …;


1. De antecedenten en de vorderingen

Het voorwerp van de door geïntimeerde bij gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 20.6.2001 tegen appellant ingestelde vordering en de daaraan ten grondslag liggende feiten werden uiteengezet in het bestreden vonnis d.d. 4.6.2003 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en dit hof verwijst daar naar.

De eerste rechter verklaarde het fiscaal verzet van geïntimeerde ten dele gegrond.

Appellant, die bij een ter griffie van dit hof op 14.7.2003 neergelegd verzoekschrift hoger beroep instelde, besluit tot de ongegrondheid van dit fiscaal verzet.

Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoofdberoep en vordert bij incidenteel beroep de volledige inwilliging van haar fiscaal verzet.

2. Beoordeling

De eerste rechter heeft op oordeelkundige gronden, die door partijen niet weerlegd en door dit hof overgenomen worden, het fiscaal verzet m.b.t. de door de eerste rechter gespecificeerde facturen gegrond verklaard.

Enkel in antwoord op de door appellant ontwikkelde grieven voegt dit hof daar toe wat volgt.

Artikel 45, § 1 van het BTW-Wetboek bevat het principe dat elke belastingplichtige de belasting die geheven werd op aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek mag brengen op de belasting die hij verschuldigd is. Artikel 45, § 3, 4°, dat de aftrek verbiedt van de BTW ter zake van kosten van onthaal, houdt hierop een uitzondering in en moet daarom restrictief worden geïnterpreteerd.

Bij gebreke aan wettelijke omschrijving van dit begrip moet deze bepaling, die het recht op aftrek beperkt, worden geïnterpreteerd conform aan de zesde Europese Richtlijn. In artikel 17.6 bepaalt deze richtlijn o.m. dat de uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, in elk geval van het recht op aftrek uitgesloten zijn.

Gelet op het onderscheid dat in deze richtlijn wordt gemaakt tussen uitgaven met een professioneel karakter en uitgaven voor ontspanning en representatie, moet het toepassingsveld van het begrip "kosten van onthaal" worden beperkt tot die kosten die ten behoeve van klanten of gasten worden gemaakt zonder dat een ander voordeel wordt nagestreefd dan het creëren van een algemeen gunstige atmosfeer ten overstaan van de onderneming.

Indien de kosten daarentegen de directe verkoop beogen of worden gemaakt met het oog op de publiciteit voor welbepaalde producten, gaat het om publiciteit. Het gaat dan om uitgaven met een strikt professioneel karakter en niet om uitgaven voor ontspanning of representatie. Dat deze publiciteit wordt gebracht onder omstandigheden die aan de genieter van de uitgave vermaak of ontspanning bieden en deze uitgave zich in de sfeer van het eindgebruik bevindt, doet dan aan het strikt professioneel karakter van de uitgave geen afbreuk.

In casu heeft de eerste rechter dan ook terecht geoordeeld dat de door hem opgesomde facturen betrekking hadden op kosten voor spijs en drank op - en organisatie van twee welbepaalde opendeurdagen van geïntimeerde, waarop geïntimeerde als concessiehouder van R. in haar "showrooms" voertuigen, waaronder nieuwe modellen, van het merk R. met het oog op de verkoop aan cliënteel promootte en dat deze uitgaven om die redenen geen kosten van onthaal in de zin van artikel 45, § 3, 4° BTW-Wetboek waren.

Nu het verzet om voormelde redenen ten dele gegrond was, heeft de eerste rechter terecht elke partij veroordeelt tot de helft van de gedingkosten in eerste aanleg.

Nu het hoofdberoep ongegrond is, dient appellant de kosten in hoger beroep te betalen.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart hoofd- en incidenteel beroep ongegrond;

Veroordeelt appellant tot betaling van de kosten van hoger beroep, deze tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op € … (rechtsplegingsvergoeding).

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van vierentwintig februari tweeduizend en vijf waar aanwezig waren :

de heer E. H., Voorzitter

mevrouw A. W., Raadsheer

de heer E. L., Raadsheer

mevrouw G. V., Griffier.

G. V. E. L. A. W. E. H.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 452 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8