Recht op aftrek van belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 25 oktober 2001

Zoeken

Recht op aftrek van belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-hof-van-beroep-antwerpen-2001-10-25-ef1b

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
25 oktober 2001

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

45 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 25.10.2001

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :

Inzake : 1997/AR/3375

BVBA D. E., met zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt ander nr. …;

appellante,

tegen de vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt d.d. 30 september 1996 en 17 november 1997;

vertegenwoordigd door Mr. H. V., advocaat te …, …;

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Administratie vain de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van het HOOFD VAN HET TWEEDE BTW­CONTROLEKANTOOR TE BERINGEN, met burelen gevestigd. te 3580 Beringen, Harmoniestraat 9;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, …;

Op 21 september 1994 hebben ambtenaren van de BBI PV opgesteld van een controle die zij op 10 juni 1993 uitvoerden bij appellante.

In dit PV is een bekentenis opgenomen van zaakvoerster van appellante.

Volgens deze bekentenis zouden een aantal inkomende facturen van D. en een factuur van A.-D. fictief zijn.

De aftrek van de BTW van deze facturen werd dan ook geweigerd door geïntimeerde. De overeenstemmende rechten alsmede een boete van 200 % en de intresten werden ingehouden op de BTW­tegoeden van appellante.

Het verzet van appellante werd bij vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 30 september 1996 en van 17 november1997 ongegrond verklaard.

Appellante tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 24 december 1997.

Geïntimeerde concludeert tot de bevestiging van het bestreden vonnis.


De antwoorden van een belastingplichtige op vragen van de fiscus maken geen gerechtelijke bekentenis uit waarop de regel van onaantastbaarheid overeenkomstig art. 1356 BW toepasselijk is.

… heeft haar bekentenis ingetrokken en dit, volgens de bewoordingen van het geding inleidend exploot, reeds in het kader van een gerechtelijk onderzoek tegen de firma D. ten overstaan van de gerechtelijke politie.

Alleszins heeft zij deze herroeping herhaald in de dagvaarding.

De ambtenaren die voornoemd PV opstelden steunden op de bekentenis om te besluiten dat “vermits de diensten die op de hiervoor aangeduide facturen werden aangerekend niet werden verleend aan de BVBA D. E., kan deze bij toepassing van genoemde art 45 BTW-Wetboek de op die factuur vermelde BTW niet in aftrek brengen van de door haar verschuldigde BTW”.

De herroeping van de buitengerechtelijke bekentenis heeft tot gevolg dat de bekentenis slechts een feit oplevert dat desgevallend dienstig is voor het bewijs door vermoedens.

Te dezen brengt geïntimeerde geen enkel ander bewijselement bij ter staving van de gegrondheid van de weigering om de aftrek van de BTW van de bewuste facturen toe te laten. Nochtans kan aangenomen worden dat er bijkomende feitelijke gegevens voor handen zijn nu de controle tot doel had appellante "te confronteren met volgende inkomende facturen ... die in het kader van een onderzoek naar fictieve facturen door de BBl-diensten van de inspecties Hasselt ... aangetroffen werden". Ook het gerechtelijk onderzoek naar de firma D. waarvan appellante gewag maakt schijnt erop te wijzen dat nog andere gegevens beschikbaar zijn.

Deze gegevens worden evenwel niet voorgebracht

Het enkele feit dat de zaakvoerster het bestaan van fictieve facturen ooit heeft toegegeven volstaat op zich niet als bewijs door vermoedens dat het wel degelijk om fictieve facturen gaat. Ook de omstandigheid dat in de bekentenis toelichting werd gegeven over de achtergrond voor de aanwending van deze facturen is niet van aard om de herroepen bekentenis als voldoende bewijs te doen aannemen.

Niet betwist is dat de facturen voor het overige formeel voldoen om de aftrek te verantwoorden. Aangezien het fictief karakter ervan niet bewezen is, wordt geen gegronde reden aangetoond om de aftrek van de BTW te weigeren en is het verzet gegrond.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het. hoger beroep gegrond;

Wijzigt de bestreden vonnissen;

Verklaart het verzet van appellante gegrond;

Zegt rechtens dat appellante niet gehouden is tot betaling van de schuld zoals vastgesteld in het PV van 21 september 1994;

Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van alle bedragen die in uitvoering van de vastgestelde schuld werden geïnd desgevallend via inhoudingen op terug te geven BTW-tegoeden, te vermeerderen met de intresten;

Verwijst geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen, deze aan de zijde van appellante niet begroot bij gebrek aan opgave.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van vijfentwintig oktober tweeduizend en één, waar aanwezig waren :

de heer E. H., Raadsheer, wnd. Voorzitter

de heer E. L., Raadsheer

de heer J. E., Raadsheer

mevrouw G. V., Griffier.

G. V. J. E. E. L. E. H.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 451 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8