Procedure, dwangbevel, handtekening, rechten van verdediging · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 1985/11351/A 13 januari 2015

Zoeken

Procedure, dwangbevel, handtekening, rechten van verdediging

https://juriel.be/nl/rechtspraak/procedure-dwangbevel-handtekening-rechten-verdediging-rechtbank-brussel-2015-01-13-92b5

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Rolnummer
1985/11351/A
Datum
13 januari 2015

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

133 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel dd. 13.01.2015 (1985/11351/A)

Procedure – dwangbevel – handtekening – rechten van verdediging – grondslag van de belasting – bewijs – fraude - boetes

Wetgeving

Art 59 , art. 61, art. 70 WBTW

Samenvatting

Eisende partij voert aan dat de rechten van de verdediging zijn geschonden bij gebrek aan inzage van de stukken waarop het pv en het dwangbevel gebaseerd zijn. De bedoelde stukken zijn evenwel de boekhouding van eiseres zelf, deze werd voorgelegd door de fiscaal raadgever van eiseres zelf.

Uit geen enkel stuk blijkt dat de boekhouding ten tijde van de controle in beslag was genomen.

Het ontbreken van een handtekening op het afschrift van het dwangbevel brengt de nietigheid ervan niet met zich mee (vgl. Cass., 2december 1994, BTW-revue, nr 116, 921).

De in het pv opgenomen vaststellingen dienen als waarachtig te worden beschouwd. Het pv levert bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

Eiseres stelt dat de opgelegde boete niet voldoende gemotiveerd is, een strafsanctie vormt en zodoende nietig is.

De opgelegde boete (200%) is opportuun. Eiseres had het oogmerk om belastingen te ontduiken. Tevens was het niet de eerste keer.

De rechter kan niet tot een opportuniteitsbeoordeling overgaan. Enkel de controle van de evenredigheid van de boete is mogelijk, het beoordelen van het bedrag van de sanctie in verhouding tot de ernst van den inbreuk, de hoogte van de al opgelegde sancties en de wijze waarop in andere zaken werd geoordeeld. De rechter is van mening dat de boete gerechtvaardigd is, meer dan redelijk en niet onevenredig met de begane inbreuk.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Nederlandstalige rechtbank van eerste- aanleg Brussel,

dd. 13.01.2015

(A.R. 1985/11351/A)

In zake van:

De heer L.D.M. QQ, advocaat, met kantoor te … ,in de hoedanigheid van curator van b.v.b.a S.T.L.

EISENDE PARTIJ,

Vertegenwoordigd door Mr. L. D., advocaat met kantoor te ...

Tegen:

De BELGISCHE STAAT,

vertegenwoordigd door de minister van financiën met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat nr. 12

voor wie optreedt de ontvanger BTW Vilvoorde, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51,

vertegenwoordigd door Mr. I.B., advocaat met kantoor te …

VERWERENDE PARTIJ,

In deze zaak, in beraad genomen op 24110/14, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken: .

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende stukken:

• de dagvaarding betekend op 29/08/1985

• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, §2 van het gerechtelijk wetboek van 3/05/13,

• de conclusies, aanvullende conclusies en syntheseconclusies voor verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 11/01/88, 12/11/13 en op 11/09/14;

• de conclusies en syntheseconclusies voor eisende partij, neergelegd ter griffie op 25/05/04 en 26/08/14;

• het bundel met stavingstukken voor verweerder, neergelegd ter zitting op 24/10/14;

• het bundel met stukken van eisende partij, neergelegd neergelegd ter griffie op 13/10/14;

Gehoord de raadslieden van partijen tel' openbare zitting van 24/10/14, waarna de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

Het geding heeft betrekking op een geschil inzake B.T.W.

N.a.v. een controle door de diensten van verweerder (o.m. de 'BBl') m.b.t. de periode 1/09/1982 - 31/12/1982 werden door de optredende ambtenaar, althans naar zijn mening, inbreuken vastgesteld op de bepalingen van het W.B.T.W ..

Meer in het bijzonder zouden niet alle belastbare handelingen m.b.t. de betrokken periode in de BTW-aangifte van eisende partij zijn opgenomen.

De diensten van verweerder stelden een proces-verbaal op aangaande de overtredingen van de B.T.W. wetgeving (pv dd. 3/01/1985 : stuk 1 bundel verweerder).

Volgens dit proces-verbaal zou eisende partij volgende B.T.W. schuld hebben bij verweerder :

B.T.W. :BEF 344 808

Geldboeten :BEF 689616

Intresten :p.m.

Op 14/06/1985 werd een dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door de ontvanger der BTW Vilvoorde, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 20/06/1985 door de Gewestelijk Directeur BTW van Mechelen.

Dit dwangbevel werd via gerechtsdeurwaarder aan eiseres betekend met bevel

tot betalen op 16/07/1985.

D.m.v. dagvaarding betekend op 29/08/1985 stelde eisende partij een vordering in rechte in houdende verzet tegen voormeld dwangbevel.

Voor een goed begrip van huidig geschil zijn voorts volgende feiten van belang.

Eisende partij baatte in de aan ge orde zijnde periode een bar en restaurant uit te Dilbeek, blijkbaar in die tijd 'alom bekend' in Dilbeek en omstreken.

1. VOORWERP VANDE VORDERING

De vordering van eisende partij strekt ertoe het bestreden dwangbevel dd. 14/06/1985 (RCIV nr. …) uitgevaardigd door de ontvanger der BTW Vilvoorde, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 20/06/1985 door de Gewestelijk Directeur BTW van Mechelen en betekend aan eisende partij op 16/07/1985 middels gerechtsdeurwaardersexploot te horen vernietigen en te horen zeggen voor recht dat erin gevorderde sommen niet verschuldigd zijn en de Belgische Staat voor zoveel als nodig te veroordelen tot de terugbetaling aan eisende partij van alle bedragen die werden betaald of ingehouden op grond van dit dwangbevel meer interesten.

Voorts vordert eisende partij de veroordeling van verweerder tot het betalen van een schadevergoeding van € 1,00 provisioneel.

De vordering beoogt tevens de veroordeling van verweerder tot de betaling van de kosten van het geding, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen.

Het tussen te komen vonnis dient bovendien uitvoerbaar bij vooraard te worden verklaard.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.1. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist door verweerder.

Nu er geen ambtshalve gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn dient de vordering ontvankelijk verklaard te worden.

3.I. Gegrondheid

voorafgaandelijk

In syntheseconclusies stelt eisende partij dat ze alle grieven, middelen en argumenten die werden uiteengezet in de gedinginleidende dagvaarding en deze handhaaft.

Art. 748bis Ger .W. bepaalt:

"Onverminderd de toepassing van artikel748, § 2, en behoudens in het geval van conclusies die er slechts toe strekken om een of meer van de in artikel 19, tweede lid, bedoelde maatregelen te verzoeken, een tussengeschil op te werpen dat aan het geding geen einde maakt of te antwoorden op het advies van het openbaar ministerie, nemen de laatste conclusies van een partij de vorm aan van syntheseconclusies. Voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3°, vervangen de syntheseconclusies alle vorige conclusies en desgevallend de gedinginleidende akte van de partij die de syntheseconclusies neerlegt. "

Synthese en samenvatting zijn geen synoniemen. Synthese is afgeleid van het Griekse "sunthesis'' en betekent "samenplaatsing'', Een synthese is dus het samenbrengen van alle onderdelen (argumenten) tot één geheel.

De rechtbank moet zodoende enkel antwoorden op datgene wat in de syntheseconclusies wordt aangevoerd en niet op de middelen uit een vorige conclusie of uit de gedinginleidende akte (vgl. Cassatie 24 januari 2013, zaak C.11.0371.F., R. w., 2014-15, 20).

Nu de beschikking 747§2 Ger.W. uitdrukkelijk bepaalde dat de laatste conclusies synthesconclusies dienden te zijn, hetgeen eisende partij ook nakwam, houdt de rechtbank enkel met deze syntheseconclusies rekening en beantwoordt ze enkel de daarin vervatte middelen.

grieven

Eisende partij voert in syntheseconclusies aan dat:

- de rechten van verdediging geschonden zouden zijn bij gebrek aan inzage van.

- de stukken waarop het proces-verbaal en het dwangbevel gebaseerd zijn;

- het dwangbevel nietig is omwille van het ontbreken van een handtekening;

- de belastbare grondslag arbitrair werd vastgesteld waardoor het proces-verbaal en het dwangbevel nietig zijn; .

- de boete van 200% is niet afdoende gemotiveerd, vormt een strafsanctie en is nietig.

Mb.t. het argument dat de rechten van de verdediging geschonden zouden zijn bij gebrek aan inzage van de stukken waarop het proces-verbaal. en het dwangbevel gebaseerd zijn

Eisende partij voert aan dat de rechten van de verdediging geschonden zouden zijn omdat eisende partij geen inzage zou hebben gekregen in de stukken die dienden om de controle uit té voeren en het p.v. op te stellen waarop het dwangbevel gesteund is.

Tot op heden worden er ook geen 'onderliggende' stukken medegedeeld door verweerder.

Verweerder stelt dat uit het p.v. blijkt dat de stukken (boekhouding en BTW aangiften) door de zaakvoerder van de vennootschap, E.V.B.en zijn toenmalig fiscaal raadgever V. V.E. in toepassing van art. 61§1 W.B.T.W. werden voorgelegd.

Beoordeling

Uit het p.v. dd. 3/01/1985 blijkt dat de stukken in kwestie door eisende partij zelf zouden zijn voorgelegd aan verweerder n.a.v. de controle. Het betreft de boeken en stukken die ingevolge het B.T.W.-wetboek en de ter uitvoering ervan gegeven regelen dienen te worden gehouden.

Uit geen enkel stuk blijkt dat de boekhouding in kwestie op dat ogenblik in beslag zou zijn genomen.

Nu het gaat om de boeken en stukken van eisende partij die dool' eisende partij, meerbepaald door toedoen van haal' zaakvoerder en accountant en fiscaal raadgever aan verweerder werden voorgelegd, zo blijkt uit het p.v., waren en zijn deze in het bezit van eisende partij zodat een vraag om inzage niet relevant is en een vraag om overlegging overbodig.

Dit middel van eisende partij is ongegrond.

M.b.t. het argument dat het dwangbevel nietig is omwille van het ontbreken van een handtekening

Eisende partij voert o.m. aan dat het dwangbevel nietig zou zijn omwille van het ontbreken van een handtekening. Noch de handtekening van de ontvanger, noch die van de directeur zijn op het dwangbevel vermeld dat aan eisende partij werd betekend.

Het afschrift van dwangbevel dat aan een belastingplichtige wordt betekend dient een letterlijke kopie te zijn van het origineel en de handtekening van de bevoegde ambtenaar dient op de kopie terug te vinden zijn. Iedere nalatigheid dienaangaande brengt de absolute betekening van het dwangbevel met zich mee; daartoe is niet vereist dat aangetoond wordt dat de belastingplichtige als gevolg van het vormgebrek enige schade heeft geleden.

Dwangbevelen zoals betekend door de gerechtsdeurwaarder zijn kopijen van het origineel exploot. Dergelijk afschrift moet luidens art. 45 Ger. W. ondertekend worden door de gerechtsdeurwaarder op straffe van nietigheid. Dergelijke handtekening is een op zichzelf staande geldigheidsvereiste. Hetzelfde geldt voor de gelijkvormigheidsbevestiging, Inzake werd het dwangbevel nergens gelijkvormig met het origineel verklaard.

Verweerder stelt dat wat het dwangbevel betreft de betekening gebeurde door afgifte van een afschrift van een akte. Op dit afschrift is op de plaats voorzien voor de handtekeningen 'w.g.' vermeld aldus eisende partij, gevolgd door de naam van de ondertekenaars, nog steeds aldus eisende partij.

Daaruit moet blijken dat het origineel werd getekend door de persoon wiens naam volgt.

Een afschrift van een akte verschilt nu eenmaal van een kopie door het feit dat zij de originele handtekening niet draagt.

Het betekende afschrift werd echt verklaard door de deurwaarder.

Beoordeling

Het ontbreken van de handtekening (origineel of fotokopie) op het afschrift van het dwangbevel (of op. het afschrift van het er eventueel bijgevoegd stuk) brengt de nietigheid van het dwangbevel niet met zich mee.

Zelfs wanneer op het afschrift de handtekening (origineel of fotokopie) ontbreekt - en zelfs zonder de vermelding "W.G.” of "S." - is de kennisgeving of de betekening geldig (vgl. Cassatie 2 december 1994,B.T.W. revue, nr. 116,921; zie ook Rb. Brussel 10 mei 1996, B.T.W. -revue, nr. 129,743).

Mb.t. het argument dat de belastbare grondslag arbitrair zou zijn vastgesteld

Eisende partij voert aan dat de belastbare grondslag arbitrair zou zijn vastgesteld.

Verweerder stelt dat de vaststellingen opgenomen in een pv de bijzondere bewijswaarde van art. 59,61 W.B.T.W. genieten zolang het tegendeel niet wordt aangebracht.

Inzake wordt op geen enkele wijze enige vorm van 'arbitrairheid' aangetoond.

Beoordeling .

Luidens art. 59§1 W.B.T.W. kunnen overtredingen van de bepalingen van het W.B.T.W. evenals feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een boete aantonen o.m. door processen-verbaal van de ambtenaren bij het Ministerie van Financiën worden bewezen.

Vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal genieten. De bijzondere bewijswaarde van art. 59, §1 W.B.T.W.

De in het pv opgenomen vaststellingen dienen als waarachtig te worden beschouwd; het proces-verbaal levert bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

Eisende partij brengt geen enkel concreet element in waarom het proces-verbaal niet bewijs-krachtig zou zijn en de belastbare grondslag arbitrair zou zijn vastgesteld. Zij houdt het bij loutere beweringen.

Loutere beweringen van het tegendeel leveren niet het tegenbewijs van wat in het proces-verbaal werd opgenomen (vgl. Luik 31 oktober 1940; Rev. Reg en Dom.nr.511).

Dit middel is ongegrond.

Mb.t. het argument dat de boete van 200% niet afdoende gemotiveerd is en een strafsanctie vormt en zodoende nietig is

Eisende partij voelt aan dat de opgelegde boete van 200% niet afdoende gemotiveerd is en een strafsanctie vormt en zodoende nietig is.

Verweerder van zijn kant verwijst naar de dermate manifeste nalatigheid van eiseres, dat er sprake zou zijn van het oogmerk om belastingen te ontduiken.

Op grond van art. 70, §1 W.BTW wordt in principe een geldboete opgelegd van het dubbele van de ontdoken belasting.

Uit het dossier blijkt niet dat eisende partij zomaar slordigheden kunnen worden verweten; integendeel is het duidelijk dat de intentie tot belastingontduiking (het gewoonweg niet aangeven) niet kan worden ontkend. Bovendien was het niet de eerste keer.

Krachtens het laatste lid van art. 1 van K.B. K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 zijn de schalen voor vetmindering van de proportionele fiscale geldboete niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

De rechter kan niet tot een opportuniteitsbeoordeling overgaan. Enkel een controle van de evenredigheid van de boete is mogelijk, het beoordelen van het bedrag van de sanctie in verhouding tot de ernst van de inbreuk, de hoogte van de al opgelegde sancties en de wijze waarop in andere zaken werd geoordeeld (vgl. Cassatie 15 maart2012, zaak F.11.0012N).

De toepassing van de boete is te dezen ongetwijfeld gerechtvaardigd, meer dan redelijk en niet onevenredig met de begane inbreuk.

Dit middel is ongegrond.

De vordering van eisende partij dient bijgevolg ongegrond te worden verklaard.

4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Aangezien de vordering van eisende partij ontvankelijk is maar ongegrond, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van verwerende partij.

Uit het dossier blijkt dat de waarde van het geschil zich situeert zich tussen €60 000,01 en €100 000,00.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding in toepassing van de bepalingen van het KB dd. 26 oktober 2007 begroot worden op € 3 300,00.

De door verweerder gevorderde €2 200,00 kan zodoende toegekend worden.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2,3,4,30,34,36,37,41 en 42 van de wet van 15juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk maar ongegrond;

Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op €2.200,00 rechtsplegingsvergoeding;

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 13 januari 2015

Waar aanwezig waren en zitting namen:

De heer M. L.: rechter

Mevrouw M. N.: griffier

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 701 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8