Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 22.02.2024 (F.22.0158.N)
WF 707-15-18/061490
[Ongunstig voor de Belgische staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Onroerende verhuur – Ter beschikking stellen van een beroepsruimte.
Wettelijke bepalingen
Samenvatting
1. Feiten en voorgaande
Dit geschil betreft een ter beschikking stelling van beroepsruimten aan sekswerkers. Via shiftlijsten van 8 u., opgesteld door de belastingplichtige, worden kamers voor raamprostitutie ter beschikking gesteld aan deze sekswerkers. De belastingplichtige maakt(e) gebruik van de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2°, WBTW inzake onroerende verhuur. Daar de administratie niet akkoord ging met deze werkwijze, werd een bedrag aan btw gevorderd over de aangegeven bedragen, met dien verstande dat de aangegeven bedragen werden beschouwd als inclusief btw. Deze vordering maakt het voorwerp uit van het proces-verbaal, dat gerechtelijk werd betwist.
2. Arrest van het hof van beroep
Het HvJ oordeelde in de Temco-zaak dat de btw-richtlijn geen omschrijving verstrekt van het begrip 'onroerende verhuur'. De richtlijn verwijst evenmin naar de wetgeving van de lidstaten. De vrijstelling voor onroerende verhuur dient bijgevolg te worden uitgelegd in het licht van haar
context en de doelstellingen en de algemene opzet van de btw-richtlijn. Hierbij moet men rekening houden met het feit dat de vrijstellingen van de btw-richtlijn autonome communautaire rechtsbegrippen zijn en derhalve een communautaire definitie dienen te krijgen.
De bewoordingen waarin de bedoelde vrijstellingen zijn omschreven dienen strikt te worden uitgelegd, daar die vrijstellingen afwijkingen zijn van het algemene beginsel, dat btw wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht.
(…)
Het geheel van de feitelijke overeenstemmende elementen laten toe te oordelen dat de essentie van het voorwerp het ter beschikking stellen van een (deel van) onroerend goed betreft, waarvan de gebruiker het exclusief genot heeft. Deze verhuur van de ruimtes dient te worden aangemerkt als een (passieve activiteit van) onroerende verhuur in de zin van artikel 44, §3, 2° WBTW waardoor de appellante terecht aanspraak maakt op de vrijstelling van de btw. Haar hoger beroep is gegrond.
3. Arrest van het Hof van Cassatie
“De appelrechter stelt vast en oordeelt dat de belastingplichtige geen overeenkomsten van huur van de ruimtes aan de sekswerkers en evenmin een lijst van de gebruikers voorlegt, maar de afwezigheid van overeenkomsten niet uitsluit dat de belastingplichtige door middel van een geheel van feitelijke en overeenstemmende elementen kan aantonen dat er sprake is van een onroerende verhuur, aangezien artikel 44, § 3, 2°, WBTW niet het bestaan van een schriftelijke overeenkomst oplegt.
In zoverre het onderdeel aanvoert dat niet blijkt dat de appelrechter het begrip ‘onroerende verhuur’ en de kenmerkende elementen ervan strikt heeft uitgelegd, doordat hij zijn beslissing laat steunen op een geheel van overeenstemmende feitelijke elementen, kan het niet worden aangenomen.
In zoverre het onderdeel aanvoert dat de vaststellingen van het arrest niet toelaten na te gaan of
de appelrechter bij de kwalificatie van de overeenkomsten het begrip ‘onroerende verhuur’ strikt
heeft uitgelegd, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke
grondslag.”
Het Hof verwerpt het cassatieberoep van Belgische Staat.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van Cassatie van België
Arrest van 22.02.2024
Nr. F.22.0158.N
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met zetel te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Adviseur-generaal Centrum KMO Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 2,
eiser,
vertegenwoordigd door mr. G. d. F. en mr. S. D. V., beiden advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te ..., waar de eiser woonplaats kiest,
tegen
L’E. bv, met zetel te ..., ingeschreven bij de KBO onder het nummer 086...79,
verweerster,
bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. J. V., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te ..., waar de verweerster woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van het hof van beroep te Gent van
17 mei 2022, rolnummer 2021/AR/514
Advocaat-generaal J. V. d. F. heeft op 22 januari 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Raadsheer M. G. heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal J. V. d. F. heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
1. Krachtens artikel 2, eerste lid, Btw-wetboek zijn de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden.
Krachtens artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, Btw-wetboek wordt als een dienst onder meer beschouwd, een contract dat tot voorwerp heeft de overdracht van of het verlenen van rechten op een verkoop- of inkoopmonopolie alsook de overdracht of het verlenen van al dan niet exclusieve rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen.
Krachtens artikel 44, § 3, 2°, Btw-wetboek zijn van de belasting vrijgesteld de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen.
2.De verhuur van uit hun aard onroerende goederen in de zin van artikel 44, § 3, 2°, Btw-wetboek bestaat in wezen daarin dat een verhuurder een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel het recht verleent een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten. Het betreft een betrekkelijk passieve activiteit, die enkel verband houdt met het tijdsverloop en geen toegevoegde waarde van betekenis oplevert, te onderscheiden van andere activiteiten die ofwel een zakelijk-industrieel en commercieel karakter hebben, ofwel een voorwerp hebben dat beter wordt gekarakteriseerd door het leveren van een prestatie dan door de enkele terbeschikkingstelling van een goed, zoals het verlenen van al dan niet exclusieve rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, Btw-wetboek.
Het begrip ‘verhuur van uit hun aard onroerende goederen' moet strikt worden uitgelegd, aangezien de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2°, Btw-wetboek een afwijking inhoudt van het algemene beginsel dat btw wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, maar dat neemt niet weg dat om de aard van een handeling vast te stellen, de rechter alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht, in aanmerking moet nemen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen. Uit de loutere omstandigheid dat de rechter dergelijke omstandigheden in aanmerking neemt, volgt derhalve niet dat hij het begrip ‘verhuur van uit hun aard onroerende goederen' niet strikt uitlegt.
3.De appelrechter stelt vast en oordeelt dat:
- de verweerster geen overeenkomsten van huur van de ruimtes aan de sekswerkers en evenmin een lijst van de gebruikers voorlegt, maar de afwezigheid van overeenkomsten niet uitsluit dat de verweerster door middel van een geheel van feitelijke en overeenstemmende elementen kan aantonen dat er sprake is van een onroerende verhuur, aangezien artikel 44, § 3, 2°, Btw-wetboek niet het bestaan van een schriftelijke overeenkomst oplegt;
- de verweerster verklaart dat ze bij de uitoefening van haar activiteiten van verhuur van de ruimtes aan sekswerkers steeds ertoe gehouden was te voldoen aan de Politieverordening van 23 maart 2015 van de stad Gent betreffende de raamprostitutie en zij toelicht dat een van de uitgangspunten van de Gentse regelgeving inzake raamprostitutie is dat raamprostitutiepanden met drankslijterijen worden gelijkgesteld en dat een ander uitgangspunt is dat de raamprostitutiepandexploitanten de sociale wetgeving moeten respecteren en in theorie de sekswerkers in het paritair comité horeca moeten worden verloond;
- in werkelijkheid de sekswerkers als zelfstandigen werken en zij aan de raamprostitutiepandexploitanten huur voor een ‘raam' betalen;
- de verordening onder meer erop gericht is om uitbuiting, pooierschap, misbruik en mensenhandel te vermijden en hygiënemaatregelen te doen respecteren, de beschikbare gegevens over de naleving van dit reglement door de verweerster niet toelaten het bestaan van een vrijgestelde onroerende verhuur uit te sluiten en met andere woorden uit de naleving van het reglement voor de beoordeling van dit btw-geschil niet kan worden vastgesteld dat het voorwerp van de terbeschikkingstelling van de ruimtes in wezen iets anders tot voorwerp had dan het verstrekken van een tijdelijk exclusief genot van een onroerend goed;
- de verhuur gebeurt in korte periodes of zogenaamde shiften van acht uur waarvoor een vast huurbedrag dient te worden betaald;
- de sekswerkers volkomen autonoom de gelden voor hun werk innen en de verweerster geen commissie van het werk van de sekswerkers ontvangt;
- er naar aanleiding van het bezoek ter plaatse niet materieel is vastgesteld dat er door de verweerster andere diensten worden verstrekt, zoals het schenken van dranken en het geen bordeel met personeel betreft;
- gedurende de huurperiode van acht uur de desbetreffende sekswerker het exclusief recht van genot en vrije toegang heeft tot de ruimtes wanneer hij of zij dat wenst, deze in die periode tot niets verplicht is in of met betrekking tot het onroerend goed ten aanzien van de verweerster en de vermelding in het proces-verbaal van 1 oktober 2018 dat door de sekswerkers feitelijk geen persoonlijke aanpassingen aan de vitrines werden gedaan, daaraan geen afbreuk doet;
- uit niets blijkt dat het betaalde huurgeld op iets anders betrekking heeft dan op het tijdelijk exclusief gebruik en het ongestoord en rustig genot als huurder van de ruimtes.
De appelrechter die op deze gronden oordeelt dat het geheel van de feitelijke overeenstemmende elementen toelaat te oordelen dat de essentie van het voorwerp het ter beschikking stellen van een deel van een onroerend goed betreft, waarvan de gebruiker het exclusief genot heeft, en dat de verhuur van de ruimtes dient te worden aangemerkt als een passieve activiteit van onroerende verhuur in de zin van artikel 44, § 3, 2°, Btw-wetboek, waardoor de verweerster terecht aanspraak maakt op de vrijstelling van de btw, verantwoordt zijn beslissing naar recht.
4. In zoverre het onderdeel aanvoert dat niet blijkt dat de appelrechter het begrip ‘onroerende verhuur' en de kenmerkende elementen ervan strikt heeft uitgelegd, doordat hij zijn beslissing laat steunen op een geheel van overeenstemmende feitelijke elementen, kan het niet worden aangenomen.
5. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de vaststellingen van het arrest niet toelaten na te gaan of de appelrechter bij de kwalificatie van de overeenkomsten het begrip `onroerende verhuur' strikt heeft uitgelegd, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
Tweede onderdeel
6. Het loutere feit dat de huurder de gehuurde ruimte enkel kan en mag gebruiken voor het verrichten van welbepaalde diensten, verhindert op zich niet dat hij het onroerend goed kan gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en dat aldus sprake kan zijn van een verhuur van een uit zijn aard onroerend goed in de zin van artikel 44, § 3, 2°, Btw-wetboek.
Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
Derde onderdeel
7. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat:
- de verweerster verklaart dat ze bij de uitoefening van haar activiteiten van verhuur van de ruimtes aan sekswerkers steeds ertoe gehouden was te voldoen aan de Politieverordening van 23 maart 2015 van de stad Gent betreffende de raamprostitutie en zij toelicht dat een van de uitgangspunten van de Gentse regelgeving inzake raamprostitutie is dat raamprostitutiepanden met drankslijterijen worden gelijkgesteld en dat een ander uitgangspunt is dat de raamprostitutiepandexploitanten de sociale wetgeving moeten respecteren en in theorie de sekswerkers in het paritair comité horeca moeten worden verloond;
- in werkelijkheid de sekswerkers als zelfstandigen werken en zij aan de raamprostitutiepandexploitanten huur voor een ‘raam' betalen;
de verordening onder meer erop gericht is om uitbuiting, pooierschap, misbruik en mensenhandel te vermijden en hygiënemaatregelen te doen respecteren en de beschikbare gegevens over de naleving van dit reglement door de verweerster niet toelaten het bestaan van een vrijgestelde onroerende verhuur uit te sluiten.
8. De appelrechter die op deze gronden oordeelt dat uit de naleving van het reglement door de verweerster voor de beoordeling van dit btw-geschil niet kan worden vastgesteld dat het voorwerp van de terbeschikkingstelling van de ruimtes in wezen iets anders tot voorwerp had dan het verstrekken van een tijdelijk exclusief genot van een onroerend goed, verantwoordt zijn beslissing naar recht.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 257,73 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter G. J., als voorzitter, en de raadsheren I. C., S. M., M. G. en M. T., en in openbare rechtszitting van 22 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter G. J., in aanwezigheid van advocaat-generaal J. V. d. F., met bijstand van griffier W. V. .
Door de FOD bijgevoegde beslissing
Tekst van het arrest het Hof van beroep
Hof van beroep Gent, vijfde kamer
Arrest van 17.05.2022
Rol: 2021/AR/514
In de zaak van:
L. B.V., 0N 086...79,
met maatschappelijke zetel te ...,
appellante,
hebbende als raadsman mr. M. D., advocaat te ... en mr. V. D. K. D., advocaat te ...
tegen
BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, 0N 0308.357.159,
Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-Generaal Centrum KMO Antwerpen, met burelen te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 2,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door X, attaché en X, inspecteur
wijst het hof het volgend arrest:
1 De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 22 maart 2021 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 14 december 2020 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 19/1939/A.
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 19 april 2022, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad. Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2 De relevante feiten en de voorafgaande procedure
De appellante is geregistreerd als btw-belastingplichtige voor de activiteit van café en bar. Ze verhuurt het gelijkvloers van een appartementsgebouw gelegen in .... Het betreffen vitrines voor raamprostitutie.
Bij de oprichting van de appellante was de maatschappelijke zetel gevestigd in G. aan de .... Bij beslissing van de algemene vergadering van de appellante werd de maatschappelijke zetel verplaatst naar ....
Bij de verhuur of ter beschikking stelling van de ruimtes werd door de appellante steeds btw aangerekend tot het tweede kwartaal van 2016. Vanaf het tweede kwartaal van 2016 heeft de appellante de aangerekende bedragen vermeld in rooster 00 van de btw-aangiften en dus niet meer aan de btw onderworpen. De appellante maakte toepassing van de vrijstelling van artikel 44, §3, 2° W.btw inzake onroerende verhuur.
Op 22 februari 2018 voerde een fiscaal ambtenaar een controle uit in het onroerend goed gelegen in, .... op basis van de controle ter plaatse oordeelde de administratie dat de appellante ruimtes ter beschikking stelt aan dames om hun activiteiten van prostitutie te kunnen uitvoeren. Volgens de administratie is op deze terbeschikkingstelling door appellante voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2016 de btw van 21% verschuldigd. De administratie stelde op 18 april 2018 een correctieopgave op. Op 23 mei 2018 verklaarde de appellante zich niet akkoord met de correctieopgave.
Bij gebrek aan een minnelijk akkoord werd een proces-verbaal opgesteld op 1 oktober 2018. Er werd onder het rciv-nummer 500...89 een invorderingsorder opgesteld waaruit de volgende verschuldigde bedragen blijken:
- 20.034,84 euro btw
- 4.000,00 euro boete
- 0,8 pct. per maand intresten over 20.030,00 euro vanaf 21 januari 2017
Bij gebreke van betaling, werd op 6 november 2018 een dwangbevel uitgevaardigd.
Op 5 december 2018 werd door de appellante een bezwaarschrift ingediend.
In de beslissing van 11 maart 2019 werd het bezwaarschrift afgewezen.
Met een verzoekschrift van 19 juni 2019 stelde de appellante haar vordering in voor de
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.
In het vonnis van 14 december 2020 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste
aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, beslist om:
"- alle meeromvattende en strijdige argumenten te verwerpen als niet ter zake dienend;
- de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren;
- eiseres te veroordelen tot de kosten van deze aanleg met name de bijdrage bedoeld in artikel 4 § 2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 20,00 EUR ten hare laste te leggen en te zeggen voor recht dat dusver geen andere kosten van het geding te begroten zijn."
Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.
3 De vorderingen van de partijen
3.1 De vordering van de appellante
De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:
"Akte te nemen van het hoger beroep tegen het vonnis van de 6de Burgerlijke Kamer van
de Rechtbank van Eerste Aanleg te GENT, aldaar gekend onder rolnummer 19/1939/A en
het ontvankelijk en gegrond te verklaren;
Het vonnis van de 6de Burgerlijke Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te GENT,
aldaar gekend onder rolnummer 19/1939/A te vernietigen, en vervolgens, opnieuw
rechtdoende:
In hoofdorde
Te zeggen voor recht dat het in casu inderdaad onroerende verhuur betreft
overeenkomstig artikel 18 §1 tweede lid 4° van het WBTW en vrijgesteld krachtens
De aangevallen correctieopgave inzake btw te willen vernietigen;
De betwiste aanslagen in de belasting op toegevoegde waarde teniet te doen en de
ontheffing van de grondslag te bevelen
Vrijstelling voor onroerende verhuur uit artikel 44,§3, 2° WBTW van toepassing te
verklaren.
In ondergeschikte orde
Te zeggen voor recht dat de proportionele geldboete wordt kwijtgescholden;
Eveneens te zeggen voor recht dat de naheffing van de BTW moet berekend worden als
zijnde begrepen in de in aanmerking genomen zonder BTW aangegeven gerealiseerde
bruto omzet en bijgevolg de nageheven BTW overeenkomstig moet aangepast en herleid
worden;
In dit geval eveneens te zeggen voor recht dat de opgelegde proportionele boete
overeenkomstig moet verminderd en herleid worden;
In ieder geval
De Belgische Staat te veroordelen in de kosten van het geding, inclusief de geïndexeerde
rechtsplegingvergoeding."
3.2 De vordering van de geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
"De vordering van appellante ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, haar ervan af te wijzen en haar te veroordelen tot alle kosten van het geding;
Het vonnis van de eerste rechter te bevestigen en aldus te zeggen voor recht dat de handelingen die appellante verrichtte wel degelijk aan de btw onderworpen zijn en dat de belasting over de toegevoegde waarde zoals vermeld in het proces-verbaal van 01/10/2018 terecht werd gevorderd."
4 De betwistingen en hun beoordeling
1.Krachtens artikel 2 W.btw zijn de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden.
Artikel 18, §1 W.btw bepaalt dat als dienst wordt beschouwd elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van dit wetboek.
Overeenkomstig § 1, 6° van artikel 18 W.btw wordt als een dienst beschouwd de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft het verlenen van al dan niet exclusieve rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen.
Artikel 44, §3, 2° W.btw voorziet in een uitzondering op de algemene regel bepaald in voormeld artikel 2, door de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen van de belasting vrij te stellen.
2.Het geschil betreft de kernvraag of de verhuur van de ruimtes aan de sekswerkers al dan niet inzake btw aan te merken is als een van btw vrijgestelde onroerende verhuur, dan wel als een aan btw onderworpen overeenkomst tot het verlenen van het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen.
3.Volgens de administratie draagt de appellante de bewijslast van haar stelling dat het een vrijstelde onroerende verhuur betreft.
Volgens de administratie bewijst de appellante in het bijzonder niet dat de sekswerker het recht heeft om dit onroerend goed te gebruiken en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten. Het moet volgens de administratie gaan om een overeenkomst die in hoofdzaak de passieve terbeschikkingstelling tot doel heeft van ruimtes en oppervlakken van onroerende goederen zonder enige inmenging, waardoor een exclusief genotsrecht bestaat.
De vrijstelling wegens onroerende verhuur zou volgens de administratie slechts van toepassing zijn, indien die beroepswerkzaamheid zou uitgevoerd worden in gesloten lokalen waarop de gebruiker een exclusief recht van genot heeft en waartoe de gebruiker vrije toegang heeft wanneer hem dat goeddunkt (aanschrijving nr. 4/1973, 12 januari 1973, nr. 75).
De administratie is van oordeel dat de appellante deze essentiële elementen van de vrijgestelde onroerende verhuur niet bewijst.
4. Het Hof van Justitie oordeelde in de T.-zaak dat de btw-richtlijn geen omschrijving verstrekt van het begrip 'onroerende verhuur'. De richtlijn verwijst evenmin naar de wetgeving van de lidstaten. De vrijstelling voor onroerende verhuur dient bijgevolg te worden uitgelegd in het licht van haar context en de doelstellingen en de algemene opzet van de btw-richtlijn. Hierbij moet men rekening houden met het feit dat de vrijstellingen van de btw-richtlijn autonome communautaire rechtsbegrippen zijn en derhalve een communautaire definitie dienen te krijgen. De bewoordingen waarin de bedoelde vrijstellingen zijn omschreven dienen strikt te worden uitgelegd, daar die vrijstellingen afwijkingen zijn van het algemene beginsel, dat btw wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht. Maar deze strikte uitlegging mag niet tot gevolg hebben dat de bewoordingen die ter omschrijving van de vrijstellingen zijn gebruikt aldus moeten worden uitgelegd dat zij geen effect meer sorteren. Volgens het Hof van Justitie bestaat het begrip "verhuur van onroerende goederen" er in wezen in, "dat een verhuurder een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel het recht verleent, een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten".
De verhuur van een onroerend goed wordt gekenmerkt door een "betrekkelijk passieve activiteit" van de verhuurder, "die enkel verband houdt met het tijdsverloop en geen toegevoegde waarde van betekenis oplevert". Een verhuur is dan ook te onderscheiden van andere activiteiten die :
* "ofwel een zakelijk-industrieel en commercieel karakter hebben" en die uitgesloten zijn van de vrijstelling voor onroerende verhuur, zoals de verhuur van een hotelkamer of een opslagruimte, of nog, de uitbating van een parking;
* ofwel een voorwerp hebben dat eerder slaat op het leveren van een prestatie dan op de enkele terbeschikkingstelling van een onroerend goed, zoals het recht een golfterrein te gebruiken [...], het recht een brug te gebruiken tegen betaling van tolgeld [...J, of het recht sigaretten- automaten te plaatsen in een bedrijfsruimte(...]" (HvJ 18 november 2004, T. E., C-284/03)
De duur waarvoor de overeenkomst wordt gesloten, maakt niets uit in deze beoordeling.
5.De vraag stelt zich naar het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst. Indien het voorwerp essentieel bestaat in het gebruik van een onroerend goed, dan kan er sprake zijn van een onroerende verhuur. Het voorwerp van de overeenkomst dient te worden beoordeeld aan de hand van de realiteit en niet louter op basis van de bewoordingen van een overeenkomst.
6.De appellante legt geen overeenkomsten voor van huur van de ruimtes aan de sekswerkers. De appellante legt evenmin een lijst voor van de gebruikers. Het is klaarblijkelijk om deze redenen dat de eerste rechter oordeelde dat de appellante niet voldeed aan de op haar rustende bewijslast en de vordering afwees.
7.De afwezigheid van overeenkomsten sluit niet uit dat de appellante door middel van een geheel van feitelijke en overeenstemmende elementen kan aantonen dat er sprake is van een onroerende verhuur. Artikel 44, §3, 2° W.btw legt niet het bestaan op van een schriftelijke overeenkomst. De stelling van de administratie dat een schriftelijke overeenkomst onontbeerlijk is voor het bewijs van de vrijstelling, mist grondslag.
8.De appellante verklaart dat ze bij de uitoefening van haar activiteiten van verhuur van de ruimtes ('vitrines') aan sekswerkers, er steeds toe gehouden was te voldoen aan de Politieverordening van 23 maart 2015 van de stad Gent betreffende de raamprostitutie. De appellante verkreeg een geschiktheidsverklaring op 24 maart 2015, bekendgemaakt op de website van de stad Gent en op 1 april 2015 in werking getreden.
De appellante licht toe dat een van de uitgangspunten van de (Gentse) regelgeving inzake (raam)prostitutie is dat raamprostitutiepanden worden gelijkgesteld met drankslijterijen, waarop de wetgeving met betrekking tot drankslijterijen van toepassing is. Een ander uitgangspunt van deze regeling is dat de sekswerkers (moeten) worden ingeschreven als diensters in het personeelsregister en dat de raamprostitutiepandexploitanten de sociale wetgeving moeten respecteren. In theorie zouden de sekswerkers bijgevolg moeten vertoond worden op basis van het uurloon in het paritair comité horeca. In werkelijkheid (in de praktijk) werken de sekswerkers als zelfstandigen en betalen zij aan de raamprostitutiepandexploitanten huur voor een "raam".
Die verordening was er onder meer op gericht om uitbuiting, pooierschap, misbruik en mensenhandel te vermijden en hygiënemaatregelen te doen respecteren. De beschikbare gegevens over de naleving van dit reglement door de appellante laat niet toe het bestaan van een vrijgestelde onroerende verhuur uit te sluiten. Met andere woorden kan uit de naleving van het reglement voor de beoordeling van dit btw-geschil niet worden vastgesteld dat het voorwerp van de ter beschikking stelling van de ruimtes in wezen iets anders tot voorwerp had dan het verstrekken van een tijdelijk exclusief genot van een onroerend goed. Het bestaan van een dergelijk reglement kan overigens in het kader van dit geschil dusdanig worden geïnterpreteerd dat het de volgende stelling van de administratie weerlegt, namelijk de stelling dat zonder overeenkomst niet kan worden aangetoond dat de dames niet overgeleverd zijn aan de wil van de eigenaar van het pand. Daarmee geeft de administratie de indruk dat de vereiste van een overeenkomst niet hoofdzakelijk strekt tot bewijs van het exclusief genot, maar eerder tot het beschermen van de sekswerkers tegen misbruik van de appellante. Die stelling kan niet zonder bewijs worden aangenomen.
Naar aanleiding van het bezoek ter plaatse werd een foto genomen van een "Geschiktheidsverklaring" uitgaande van de stad Gent. Die foto laat toe aan te nemen dat op het moment van de controle de zaak voldeed aan het politiereglement van de stad Gent.
De verhuur gebeurt in korte periodes of zogenaamde shiften van 8 uur waarvoor een vast huurbedrag dient te worden betaald. Naar aanleiding van het bezoek ter plaatse is een lijst van de zogenaamde shiften met de namen van de werkers aangetroffen (stuk 14 administratief dossier). Daaruit volgt dat de identiteiten van de sekswerkers controleerbaar is.
De sekswerkers innen volkomen autonoom de gelden voor hun werk. De appellante ontvangt geen commissie voor het werk van de sekswerkers. Er is naar aanleiding van het bezoek ter plaatse niet materieel vastgesteld dat er door de appellante andere diensten worden verstrekt, zoals het schenken van dranken. Het betreft geen bordeel met personeel. Gedurende de huurperiode van 8 uur heeft de desbetreffende sekswerker exclusief recht van genot en vrije toegang tot de ruimtes wanneer hij/zij dat wenst. Zij zijn in die periode tot niets verplicht in of met betrekking tot het onroerend goed ten aanzien van de appellante. De vermelding in het proces-verbaal van 1 oktober 2018 dat door de sekswerkers (feitelijk) geen persoonlijke aanpassingen werden gedaan aan de vitrines, doet daaraan geen afbreuk. Uit niets blijkt dat het betaalde huurgeld op iets anders betrekking heeft dan op het tijdelijk exclusief gebruik en het ongestoord en rustig genot als huurder van de ruimtes.
9. De vaststelling dat de appellante tot het tweede kwartaal van 2016 wel btw aanrekende op de verhuur van de ruimtes, is volgens de appellante te verklaren doordat de activiteit formeel/officieel (en volgens de Gentse Politieverordening) een drankslijterij was omdat prostitutie officieel verboden en strafbaar is. De appellante heeft er sedert 2016 voor gekozen die foute voorstelling van de zaak recht te zetten door de handelingen correct te kwalificeren als een vrijgestelde onroerende verhuur. Het geheel van de feitelijke overeenstemmende elementen laten toe te oordelen dat de essentie van het voorwerp het ter beschikking stellen van een (deel van) onroerend goed betreft, waarvan de gebruiker het exclusief genot heeft. Deze verhuur van de ruimtes dient te worden aangemerkt als een (passieve activiteit van) onroerende verhuur in de zin van artikel 44, §3, 2° W.btw waardoor de appellante terecht aanspraak maakt op de vrijstelling van de btw. Haar hoger beroep is gegrond.
5 De gerechtskosten
De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide instanties dragen.
Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, de geïndexeerde basisbedragen worden gehanteerd.
Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 20.000,01 tot 40.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 2.400,00 toepasselijke voor de procedure in eerste aanleg en 2.800,00 euro toepasselijk voor deze beroepsprocedure.
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak;
Het hof beslist als volgt:
het hoger beroep is ontvankelijk en gegrond;
het bestreden vonnis wordt vernietigd behoudens waar het de vordering van de appellante ontvankelijk verklaart;
doet opnieuw recht en verklaart de vordering van de appellante als volgt gegrond;
- de bestreden btw-schuld met rciv-nummer 500...89 wordt geheel ontheven;
- de geïntimeerde wordt bevolen om terugbetaling uit te voeren van het eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de wettelijke moratoriumintresten;
veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide
instanties, vastgesteld als volgt:
- aan de kant van de appellante:
bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 20,00 EUR
rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 2.400,00 EUR
bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR
rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 2.800,00 EUR
- aan de kant van de geïntimeerde: nihil
Aldus gewezen en uitgesproken in de, openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 17 mei 2022.
Aanwezig:
S. R., raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend
J. D., griffier
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg
Rechtbank van eerste aanleg, Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, Kamer G6
Vonnis van 14/12/2020
Rol: 19/1939/A
IN DE ZAAK VAN:
L’E., met zetel te ..., met ondernemingsnummer ...,
eisende partij; met als raadsman meester D. M., advocaat met kantoor te ... (ref.: ...);
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën — Administratie van de fiscaliteit— 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal van het Centrum KMO Antwerpen,
verwerende partij, voor wie optreedt de heer X, attaché bij een fiscaal bestuur;
VONNIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:
I. DE RECHTSPLEGING
De rechtbank hoorde de argumenten van de partijen op de openbare terechtzitting van 16 november 2020. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift van 19 juni 2019, de correctieopgave inzake btw van 18 april 2018, dwangbevel inzake btw (RCIV nummer 500...89) en de conclusies van partijen.
II. DE VORDERING
Eiseres vordert in syntheseconclusie de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren:
"Te zeggen voor recht dat het in casu inderdaad onroerende verhuur betreft overeenkomstig artikel 18 §1 tweede lid 4° van het BTW-WETBOEK en vrijgesteld krachtens artikel 44 §3 2° BTW-WETBOEK;
De aangevallen correctieopgave inzake BTW te willen vernietigen;
De betwiste aanslagen in de belasting op toegevoegde waarde teniet te doen en de ontheffing van de grondslag te bevelen;
Ondergeschikt, te zeggen voor recht dat de proportionele geldboete wordt kwijtgescholden;
In ieder geval, de Belgische Staat te veroordelen in de kosten van het geding, inclusief de rechtsplegingvergoeding.
Kosten:
RPV: 2.400,00 EUR (basisbedrag, geïndexeerd) (KB. 26 oktober 2007)."
Verweerster vordert in syntheseconclusie' de vordering ontvankelijk en ongegrond te verklaren en eiseres te veroordelen tot de gedingkosten.
III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL
1.Eiseres heeft als activiteit café en bar en is geregistreerd als btw-belastingplichtige
(BE...).
2.Op het ogenblik van de controle ter plaatse was de maatschappelijke zetel gevestigd te ..., doch de exploitatie werd uitgeoefend te G.. Op 5 maart 2018 werd haar maatschappelijke zetel verplaatst naar ..., haar plaats van exploitatie. Vervolgens werd de maatschappelijke zetel op 1 april 2019 verplaatst naar ....
3.Op de exploitatiezetel werd op 22 februari 2018 door de controlerende fiscale ambtenaar (Centrum KMO Antwerpen — Controle team 5) vastgesteld dat eiseres ruimtes ter beschikking stelt aan dames om hun activiteiten van prostitutie te kunnen uitvoeren.
4.Op deze terbeschikkingstelling werd door eiseres voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2016 21% btw aangerekend. Vanaf het tweede kwartaal van 2016 werden de aangerekende bedragen echter vermeld in rooster 00 van de btw-aangiften en dus niet meer aan de btw onderworpen.
De vrijstelling van artikel 44, §3, 2° Btw-Wetboek inzake onroerende verhuur werd door eiseres toegepast ondanks het ontbreken van enige staving met bewijsmiddelen.
De vastgestelde inbreuken werden opgenomen in een correctieopgave op 18 april 2018.
5.Op 23 mei 2018 meldde het boekhoudkantoor bvba B. in opdracht van eiseres aan de fiscale
ambtenaar dat eiseres niet akkoord kon gaan met de correctieopgave.
6.Bij gebrek aan een minnelijk akkoord werd er een proces-verbaal opgesteld op 1 oktober 2018.
Voor de volgende verschuldigde bedragen overgenomen uit het voormelde proces-verbaal, werd een invorderingsorder met RCIV-nummer 500...89 opgesteld, voor volgende bedragen:
btw: 20.034,86 EUR
- boete: 4.000,00 EUR
- 0,8 % per maand intresten vanaf 21 januari 2017.
7.Bij gebreke van betaling, werd overgegaan tot de uitvaardiging van een dwangbevel op 6 november 2018.
8.Op 5 december 2018 werd een bezwaarschrift ingediend door de raadsman van eiseres.
9.Bij beslissing van 11 maart 2019 werd dit bezwaarschrift afgewezen.
10
Eiseres kon zich niet vinden in deze afwijzende beslissing zodat zij op 19 juni 2019 een verzoekschrift neerlegde ter griffie van deze rechtbank.
11
Op 20 juni 2019 werd het dwangbevel met RCIV-nummer 500...89 uitvoerbaar
verklaard.
IV. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.
2. Ten gronde
Inzake onroerende verhuur
2.1.
Eiseres argumenteert dat de vrijstelling voor onroerende verhuur overeenkomstig artikel 44, §3, 2° W.BTW wel van toepassing is en dat de btw zoals vermeld in het proces-verbaal van 1 oktober 2018 onterecht werd gevorderd.
De huursters van het onroerend goed gelegen te ... kunnen aldus vrij beschikken over de ruimte en zijn vrij om te doen en te laten wat zij willen. De huursters krijgen aldus het recht om vrij te beschikken over de ruimtes die hen ter beschikking worden gesteld. De fiscale administratie toont niet aan dat dit niet het geval zou zijn.
Aangezien zij vrij kunnen beschikken over de ruimtes gaat het niet om de overdracht of het toekennen van het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen maar om een vrijgestelde onroerende verhuur.
2.2.
Artikel 2 W.BTW onderwerpt de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de btw wanneer ze in België plaatsvinden.
Artikel 18, §1 W.BTW bepaalt dat als dienst wordt beschouwd elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van dit wetboek.
Overeenkomstig § 1, 6° van artikel 18 W.BTW wordt als een dienst beschouwd de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft het verlenen van al dan niet exclusieve rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen.
Artikel 44, §3, 2° W.BTW voorziet in een uitzondering op de algemene regel bepaald in voormeld artikel 2, door de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen van de belasting vrij te stellen.
Overeenkomstig de artikelen 2 en 18 van het W.BTW worden de diensten die in België worden verricht dus aan de btw onderworpen.
Indien een belastingplichtige meent dat de door hem verrichte diensten zijn vrijgesteld van btw gaat het om een uitzondering op de algemene regel. Op de belastingplichtige rust de bewijslast om aan te tonen dat hij in aanmerking komt voor de vrijstelling. Vrijstellingen moeten daarbij restrictief worden geïnterpreteerd.
2.3.
Aangezien als algemeen beginsel btw wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht moeten de woorden 'verhuur van onroerende goederen' strikt worden uitgelegd. De rechtbank dient dus na te gaan of de overeenkomsten in hoofdzaak de passieve terbeschikkingstelling ten doel heeft van ruimtes of oppervlakten van onroerende goederen tegen een vergoeding die verband houdt met het tijdsverloop, dan wel strekt tot het verrichten van een dienst die voor een andere kwalificatie in aanmerking komt.
De onroerende verhuur bestaat in wezen daarin dat een verhuurder een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel het recht verleent een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten.
2.4.
In het voorliggende geschil stelt de rechtbank vast dat er geen overeenkomsten voorliggen die de voorwaarden bepalen bij de vermeende 'verhuur van onroerende goederen'. Noch liggen stukken voor waaruit blijkt wie de huurders zijn en welke verplichtingen rusten op de huurders en op de verhuurder. Noch kan er door de rechtbank worden nagegaan wat de rechten en plichten zijn verbonden aan deze ruimtes. De rechtbank beschikt zelfs niet over de identiteit van de huurder en/of huurders.
Het is tevens een algemene bekendheid dat de prostituees niet volledig vrij kunnen beschikken over een bepaald onroerend goed of over bepaalde delen van een onroerend goed. Zo zal de uitbater bepalen in welke vitrines en op welke tijdstippen bepaalde prostituees hiervan gebruik kunnen maken in het onroerend goed te .... Eiseres legt geen enkel stuk voor waaruit zou blijken dat het bij eiseres anders zou verlopen. Het blijft bij loutere beweringen.
Uit geen enkel element kan de rechtbank afleiden dat het onroerend goed wordt gebruikt door de huurder als ware dat zij/hij de eigenaar ervan is en ieder ander van het genot van dat recht wordt uitgesloten. Des te meer daar blijkbaar minstens 15 prostituees, althans meerdere prostituees roterend gebruik maken van de vitrines.
Het is voor de rechtbank dan ook totaal ongeloofwaardig dat elke prostituee, met name een man of vrouw die zich beschikbaar stelt om seksuele diensten te verlenen aan een ander tegen vergoeding, een eigen bepaalde oppervlakte of een bepaalde vitrine krijgt toegewezen waarover de prostituee vrij kan beschikken zonder enige inspraak van de uitbater of van iemand anders die toeziet op de activiteiten van de prostituee. Er wordt zelfs geen begin van bewijs voorgelegd waaruit het exclusief genotsrecht blijkt van de prostituee.
Verder stelt de rechtbank vast dat er een toog aanwezig is met sterke drank zodat er niet alleen oppervlaktes worden verhuurd doch ook bijkomende diensten worden aangeboden. Zo staat er ook nog een betaalautomaat met o.a. condooms.
2.5.
Op grond van deze vaststellingen alsook aan een gebrek van bewijsstukken, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een in hoofdzaak passieve terbeschikkingstelling van ruimtes of oppervlakten van onroerende goederen, doch wel van een dienst die voor een andere kwalificatie in aanmerking komt, namelijk het verlenen van een recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen in de zin van artikel 18§1, 2de lid, 6° W.BTW. Bijgevolg is er geen sprake van een onroerende verhuur met bijkomende diensten, doch wel van één gehele dienst, namelijk het verlenen van een recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen in de zin van artikel 18§1, 2de lid, 6' W.BTW.
De grief van eiseres dat het een vrijgestelde onroerende verhuur betreft, overeenkomstig de btw-wetgeving, is dan ook ongegrond. Eiseres faalt in haar bewijslast.
Inzake de algemene beginselen van behoorlijk bestuur
2.6.
Eiseres argumenteert dat de fiscale administratie het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van het gewettigd vertrouwen heeft geschonden. Volgens haar ligt een beslissing voor waaruit blijkt dat de verhuur van vitrines vrijgesteld is van btw.
2.7.
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur sluiten het recht op rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel in. Het recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Volgens het vertrouwensbeginsel moet elke burger kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan. Dit impliceert dat de gerechtvaardigde verwachtingen welke door de overheid bij de rechtsonderhorigen zijn gewekt, moeten worden gehonoreerd, op gevaar af het vertrouwen dat de rechtsonderhorigen in het bestuur stellen, te misleiden (zie ook Cass. 15 februari 2013, F.11.0150.N, www.cass.be). De beginselen van behoorlijk bestuur zijn bindend voor de belastingadministratie.
Het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel zijn evenwel geen onbeperkte rechten. In functie van de concrete omstandigheden dient een afweging plaats te vinden tussen het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, enerzijds, en het legaliteitsbeginsel, anderzijds. De toepassing van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel kan in de regel geen afwijking van de wet rechtvaardigen. De verwachtingen van de burger mogen niet gegrond zijn op een onwettige praktijk.
De vraag stelt zich aldus of eiseres er in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze op kon vertrouwen dat de positie die de administratie had ingenomen met betrekking tot de verhuur van vitrines blijvend kon worden gehonoreerd, met andere woorden dat deze positie niet duidelijk en manifest in strijd was met de betreffende wettelijke bepalingen.
2.8.
Het is schrijnend om te moeten vaststellen dat eiseres blijkbaar een stuk voorlegt, met name een vermeend advies van 23 augustus 2016, dat aangetast is door allerlei gebreken. Zo blijkt de geadresseerde 'verdwenen', lees verwijderd te zijn van het stuk, en was het stuk zelfs blijkbaar gericht aan een andere partij dan eiseres... Voor de rechtbank is het ongeloofwaardig dat dit stuk, waarin een advies is opgenomen, behoort aan eiseres. Bovendien wordt er in de e-mail van 5 december 2017 zelfs een voorbehoud gemaakt inzake de vrijgestelde onroerende verhuur.
2.9.
Eiseres draagt de bewijslijst van enig verweer dat zij opwerpt. Bij gebrek aan bewijs dat de administratie een positie had ingenomen met betrekking tot de tot verhuur van vitrines, waarvan eiseres redelijkerwijze kon verwachten dat deze positie zou worden gehonoreerd, stelt de rechtbank geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel vast.
Inzake de hoorplicht en de rechten van verdediging
2.10.
De rechtbank ziet niet in op welke manier de fiscale administratie de hoorplicht zou geschonden hebben, zoals eiseres voorhoudt, nu de btw-wetgeving niet voorziet in een wettelijke gereglementeerde hoorplicht.
De rechtbank stelt bovendien vast dat eiseres wel degelijk de mogelijkheid heeft gehad om te antwoorden op de correctieopgave en dat zij ook beroep gedaan heeft op het procedure van het administratief bezwaar.
Volgens de rechtbank zijn dan ook niet de rechten van verdediging geschonden. Des te meer daar eiseres nog steeds niet de nodige stukken heeft voorgelegd om haar argumentatie te staven.
Inzake de motivering
2.11.
Alle andere elementen die eiseres opwerpt zijn niet ter zake dienend.
Louter ten overvloede merkt de rechtbank op dat de formele en materiële motiveringsplicht, op grond van de stukken van het administratief dossier, door de fiscale administratie niet werd geschonden. Des te meer daar de rechtbank geen geloof hecht dat het vermeende advies gericht was aan eiseres (zie hierboven) en dat de fiscale administratie een voorbehoud heeft gemaakt inzake de vrijgestelde onroerende verhuur in de email van 5 december 2017.
Inzake de administratieve geldboete
2.12.
Eiseres vraagt een vermindering en/of kwijtschelding van de administratieve geldboete. De geldboete is geenszins in verhouding met de zogenaamde vastgestelde feiten.
2.13.
Overeenkomstig artikel 70, §1 W.BTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting (200%).
Artikel 84, derde lid van het W.BTW stelt dat binnen de door de wet gestelde grenzen het bedrag van de proportionele fiscale boeten zoals vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten wordt bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
Krachtens tabel G, eerste afdeling, rubriek V van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41, wordt de proportionele boete verminderd voor de controleperiode van één jaar tot 20 % van het bedrag van de verschuldigde belasting als deze hoger is dan 1.250,00 euro. Dit percentage wordt verminderd tot 10% in alle andere gevallen. Indien de controleperiode korter of langer is dan één jaar wordt het bedrag van 1.250,00 euro proportioneel verminderd of verhoogd.
2.14.
De rechtbank is van oordeel dat de administratieve geldboete van 20 % in feite en rechte werd verantwoord en dat zij evenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden is om deze te verminderen. Des te meer daar eiseres blijkbaar een stuk voorlegt die haar zelfs niet toebehoort om hier dan vervolgens rechten uit te putten.
Besluit
2.15.
Alle meeromvattende en strijdige conclusies worden verworpen als niet ter zake dienend.
Op basis van de hierboven gemaakte overwegingen is de vordering van eiseres ongegrond en wordt de correctieopgave bevestigd evenals het dwangbevel met RCIV-nummer 500...89.
V. GERECHTSKOSTEN
1.De kosten omvatten in de voorliggende zaak onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals
bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1018, 6° Gerechtelijk Wetboek).
In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.
2.Aangezien verweerster geen beroep op een advocaat heeft gedaan, kan zij ook geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding. In deze omstandigheid is het dan ook overbodig tot begroting ervan over te gaan.
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Recht doende op tegenspraak,
met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
- alle meeromvattende en strijdige argumenten te verwerpen als niet ter zake dienend; - de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren;
- eiseres te veroordelen tot de kosten van deze aanleg met name de bijdrage bedoeld in artikel 4 § 2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 20,00 EUR ten hare laste te leggen en te zeggen voor recht dat dusver geen andere kosten van het geding te begroten zijn.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de kamer G6 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent op maandag veertien december tweeduizend twintig, waar aanwezig waren:
-de heer T. L., rechter, voorzitter van deze kamer,
-mevrouw D. H., griffier.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.