Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent dd. 11.10.2016 (2015/AR/1189)
WF 714-15-12/021005
[Gedeeltelijk gunstig voor de administratie]
Belasting over de toegevoegde waarde – Ongestoord genot van eigendom – Fiscale geldboete – Non bis in idem
Wettelijke bepalingen
Art. 1 van het Eerste aanvullend protocol van 20.03.1952 bij het EVRM;
Art. 4 van het Zevende Protocol EVRM
Samenvatting
De belastingplichtige werd op 20.4.2001 in het bezit gevonden van 2.463.000 stuks sigaretten, niet voorzien van Belgische fiscale bandjes. De eis inzake Douane en Accijnzen leidde tot een strafrechtelijke veroordeling. Bij vonnis van 28.1.2002 van de correctionele rechtbank te Ieper werd de belastingplichtige veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden. Dit vonnis werd bevestigd door het hof van Beroep te Gent van 30.6.2005, maar wel met uitstel van de tenuitvoerlegging gedurende drie jaar voor de gevangenisstraf en de geldboete. De voorziening in cassatie van belastingplichtige tegen dit arrest werd verworpen.
Op 21.03.2012 werd een fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, waarbij hij de invordering inzake btw in dezelfde zaak betwist. De Rechtbank beslist dat het non bis in idem-beginsel in dit geval niet geschonden is. De rechter oordeelt dat het non bis in idem-beginsel geen toepassing krijgt wanneer feiten aanleiding geven tot twee overtredingen en enkel speelt wanneer één overtreding dubbel wordt bestraft.
In beroep oordeelt de rechter dat de via dwangbevel ingevorderde btw niet kan beschouwd worden als strijdig met het art. 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van 20.03.1952 bij het EVRM. De ingevorderde btw is de normaal verschuldigde belasting en geen sanctie, zelfs als de door belastingplichtige begane feiten ook gevolgen heeft op een ander vlak, zoals verbeurdverklaring, accijnsverhoging en belastingverhoging. Er is ook geen sprake van aantasting van het ongestoord genot van eigendom van belastingplichtige in de zin van art. 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM.
Met het dwangbevel wordt ook de geldboete ingevolge art. 70 § 1 WBTW ingevorderd. Deze boete is te beschouwen als een sanctie, nu zij ertoe strekt zowel de fiscale inbreuken te bestraffen als de belastingplichtige ertoe aan te zetten geen dergelijke laakbare praktijken meer te verrichten. Art. 4 van het Zevende Protocol EVRM (non bis in idem beginsel) vermeld dat niemand opnieuw wordt berecht of bestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken. Er moet worden vastgesteld dat het dezelfde feiten zijn die worden bestraft zowel in de huidige procedure als in de reeds aangehaalde procedure voor de strafrechter, nl. het onwettig bezit van 2.463.000 sigaretten, niet voorzien van fiscale kentekens. Nu de hoger aangehaalde strafrechtelijk procedure te dezen definitief beëindigd is, kan thans, gelet op het artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM, niet langer tegen de belastingplichtige een procedure worden gevoerd tot veroordeling van de belastingplichtige tot een administratieve boete voor dezelfde feiten of in wezen dezelfde feiten. De in het dwangbevel opgenomen administratieve boete kan dan ook niet worden gehandhaafd. Hierbij is het zonder belang dat de sancties opgelegd worden op basis van verschillende wetten.
Opmerking
Geen voorziening in cassatie
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van beroep te Gent
dd. 11.10.2016
(2015/AR/1189)
B. P.,
wonende te …, …, ingeschreven met KSO-nummer …, appellant, hebbende als raadsman mr. D. A., advocaat te …, … en mr. B. B., advocaat te …, …
tegen
BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN,
Centrum KMO Kortrijk, met burelen te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31, vertegenwoordigd door de Gewestelijk directeur administratie BTW, met burelen tel 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. D. C., advocaat te …, …
wijst het hof het volgend arrest:
1. Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 21.3.2012 bestreed de appellant het dwangbevel (RCIV nr. …) op naam van de appellant, uitgevaardigd door A. R., e.a. inspecteur bij een fiscaal bestuur, rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Kortrijk, op 12.10.2004, op 14.10.2004 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door G. D., e.a. inspecteur controle BTW te leper, hiertoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge.
In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellant: een bedrag van … EUR aan BTW + … EUR als geldboete ingevolge artikel 70 § 1 BTWwetboek, bedragen te vermeerderen met:
• de intrest van 0,80 pct. per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.4.2004,
• de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening van dit dwangbevel ingevolge artikel 91 § 4 BTW-wetboek,
• de vervolgingskosten.
Voor de eerste rechter vorderde de appellant dat voor recht zou worden gezegd dat het bestreden dwangbevel nietig is en derhalve onterecht op naam van de appellant werd gevestigd en geen enkel gevolg kan sorteren.
Bij vonnis van 10.9.2013 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering van de appellant ontvankelijk verklaard doch afgewezen als ongegrond. De appellant werd veroordeeld tot de gedingkosten.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 27.4.2015 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het voormelde vonnis.
Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellant er in zou hebben berust (in zover mogelijk).
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
Het hoger beroep strekt ertoe de oorspronkelijke vordering van de appellant te horen toewijzen en de terugbetaling van de reeds betaalde bedragen te horen bevelen meer de wettelijke intresten.
De geïntimeerde van zijn kant streeft de bevestiging van het bestreden vonnis na.
2. De appellant werd op 20.4.2001 in het bezit gevonden van … stuks sigaretten, niet voorzien van Belgische fiscale bandjes (zie het proces-verbaal van 10.5.2001 van de administratie van douane en accijnzen, stuk 1 van de geïntimeerde).
Voor deze feiten werd de appellant strafrechtelijk vervolgd. Dit resulteerde in een vonnis van 28.1.2002 van de correctionele rechtbank te leper en een arrest van het hof van beroep te Gent, derde kamer, zetelend in correctionele zaken, dd. 30.6.2005. De voorziening in cassatie tegen het laatstgenoemd arrest werd verworpen bij arrest dd. 6.12.2005 van het Hof van Cassatie.
Bij vonnis van 28.1.2002 van de correctionele rechtbank te leper, negende kamer:
• werd de appellant veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden;
• werd de appellant veroordeeld om te betalen aan de vervolgende administratie (Douane en Accijnzen Gent):
- de ontdoken accijnsrechten ten bedrage van … EUR en bijzondere accijns voor een bedrag van … EUR;
- de wettelijke nalatigheidsintresten belopende 9,6 % per jaar te rekenen vanaf 23.4.2001 tot en met de dag van betaling van de accijnsrechten;
- een geldboete van … EUR of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden.
• werd de verbeurdverklaring bevolen ten behoeve van wie het behoort en ten inde als naar recht van de in beslag genomen gefabriceerde tabakswaren zijnde 2.463.000 stuks sigaretten (12.315 fardes van 200 stuks: 5.500 fardes merk Regal, 5.700 fardes merk Superking en 1.115 fardes van het merk Benson & Hedges).
Bij het voormeld arrest van het hof van beroep te Gent dd. 30.6.2005 werd het voormeld correctioneel vonnis bevestigd, met dien verstande (wat de straf betreft) dat uitstel van tenuitvoerlegging in hoofde van de appellant werd verleend voor een termijn van drie jaar voor wat betreft de uitgesproken hoofdgevangenisstraf van vier maanden en de geldboete van … EUR of de vervangende gevangenisstraf.
De door de geïntimeerde met het dwangbevel ingevorderde BTW kan niet beschouwd worden als strijdig met het artikel 1 van het Eerste aanvullend protocol van 20.3.1952 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en het artikel 6 EVRM. De ingevorderde BTW is de normaal verschuldigde belasting en geen sanctie, zelfs als de door de appellant begane feiten ook gevolgen heeft op een ander vlak zoals verbeurdverklaring, accijnzen, belastingverhoging). Het combineren door de appellant van al die gegevens is kunstmatig, en kan niet tot gevolg hebben dat de BTW geen belasting meer is maar een sanctie wordt. Door die kunstmatige constructie is ook geen sprake van een aantasting van het ongestoord genot van de eigendom van de appellant in de zin van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol. Er moet trouwens worden op gewezen dat artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol, tweede lid, uitdrukkelijk voorziet dat het eigendomsrecht op geen enkele wijze het recht aantast dat een staat heeft om de betaling van de belasting te verzekeren. De appellant toont niet aan dat de in de huidige procedure ingevorderde belasting (BTW) buitensporig zou zijn. Het is ook de gewone BTW-heffing die wordt toegepast, zoals die geldt voor eenieder.
3. Met het dwangbevel wordt ook … EUR als geldboete ingevolge artikel 70 § 1 BTWwetboek ingevorderd.
De in het bestreden dwangbevel opgenomen administratieve boete is te beschouwen als een sanctie, nu zij ertoe strekt zowel de fiscale inbreuken van de appellant te bestraffen als hem ertoe aan te zetten zich niet meer schuldig te maken aan dergelijke laakbare gedragingen en dus herhaling te voorkomen.
Artikel 4 van het Zevende Protocol bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Straatsburg op 22.11.1984 (non bis in idem beginsel), luidt:
“
1. Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat.
2. De bepalingen van het voorgaande lid beletten niet de heropening van de zaak overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van de betrokken Staat, indien er aanwijzingen zijn van nieuwe of pas aan het licht gekomen feiten, of indien er sprake was van een fundamenteel gebrek in het vorige proces, die de uitkomst van de zaak zouden of zou kunnen beïnvloeden.
3. Afwijking van dit artikel krachtens artikel 15 van het Verdrag is niet toegestaan. ".
In zijn arrest dd. 10.2.2009 inzake Zolotukhin t/ Rusland, lichtte het Europees Hof van de Rechten van de Mens toe dat artikel 4 van het zevende protocol zo moest worden geïnterpreteerd dat het verbiedt een persoon te vervolgen of te berechten voor een tweede inbreuk voor zover aan de oorsprong van die tweede inbreuk feiten liggen die identiek zijn of feiten die "in wezen" dezelfde zijn (zie meer bepaald het cijfer 82 van dit arrest, met vindplaats http://www.echr.coe.int); zie in dezelfde zin, onder meer: EHRM dd. 20.5. 014, inzake Häkkä tegen Finland, cijfer 41; EHRM, dd. 11.12.2012, inzake van Asadbeijli en anderen tegen Azerbaidjan, cijfer 158; EHRM dd. 14.1.2014, inzake van Muslija tegen Bosnia en Herzegovina, cijfer 33).
Wat "in wezen" als dezelfde feiten moet worden beschouwd blijkt door het EHRM ruim te worden geïnterpreteerd (zie bvb. EHRM, dd. 11.12.2012, inzake van Asadbeijli en anderen tegen Azerbaidjan, meer bepaald cijfer 162, vindplaats http://www.echr.coe.int). In het arrest EHRM dd. 20.5.2014, inzake Glantz tegen Finland, cijfer 52 (vindplaats http://www.echr.coe.int)) stelt het EHRM bij het onderzoek van de vraag of het gaat om feiten die in wezen dezelfde zijn dat het belangrijk was om zich te richten op die feiten die een aantal concrete feitelijke omstandigheden met betrekking tot dezelfde verdachte vormden en onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in tijd en ruimte, en waarvan het bestaan diende te worden aangetoond om tot een veroordeling of tot een strafrechtelijke procedure te leiden. (vrije vertaling uit het Engels van: "It was therefore important to focus on those facts which constituted a set of concrete factual circumstances involving the same defendant and inextricably linked together in time and space, the existence of which had to be demonstrated in order to secure a conviction or institute criminal proceedings. ") (zie in dezelfde zin bijvoorbeeld nog EHRM, dd. 16.6.2016, inzake Igor Tarasov t/ Oekraïne, cijfer 26, zelfde vindplaats, of in een geval van parallelle procedures met betrekking tot een fiscale boete en strafrechtelijke vervolging: EHRM, dd. 10.2.2015, inzake Österlund t/ Finland, cijfers 40 t/m 52, zelfde vindplaats).
Te dezen moet worden vastgesteld dat het dezelfde feiten zijn die worden bestraft zowel in de huidige procedure als in de reeds aangehaalde procedure voor de strafrechter, nl. het onwettig bezit van 2.463.000 sigaretten, niet voorzien van fiscale kentekens (vergelijk de processen-verbaal dd. 10.5.2001 - stuk 1 van de geïntimeerde - en van 25.3.2004 - stuk 2 van de geïntimeerde).
Nu de hoger aangehaalde strafrechterlijke procedure te dezen definitief beëindigd is, kan thans, gelet op het artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM, niet langer tegen de appellant een procedure worden gevoerd strekkende tot veroordeling van de appellant tot een administratieve geldboete voor dezelfde feiten of in wezen dezelfde feiten. De administratieve boete opgenomen in het bestreden dwangbevel kan dan ook niet worden gehandhaafd.
Hierbij is zonder belang dat de sancties worden opgelegd op basis van verschillende wetten.
Beschikkend gedeelte
OP DEZE GRONDEN
HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Ontvangt het hoger beroep en verklaart het deels gegrond;
Doet het bestreden vonnis teniet, behalve in zoverre dit de oorspronkelijke vordering van de appellante ontvankelijk verklaart;
Opnieuw wijzende,
Verklaart de oorspronkelijke vordering van de appellant deels gegrond;
Vernietigt het bestreden dwangbevel (RCIV nr. …) op naam van de appellant, uitgevaardigd door A. R., e.a. inspecteur bij een fiscaal bestuur, rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Kortrijk, op 12.10.2004, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door G. D., e.a. inspecteur controle BTW te leper, hiertoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge op 14.10.2004, in de mate waarin in dit dwangbevel aan de appellant een administratieve boete wordt opgelegd, te dezen voor een bedrag van … EUR als geldboete ingevolge artikel 70 § 1 BTW-wetboek;
Veroordeelt de appellant tot 1/3 van de kosten van de beide aanleggen en de geïntimeerde tot 2/3 van deze kosten, en begroot de kosten in hun geheel als volgt:
• aan de zijde van de appellant: op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;
• aan de zijde van de geïntimeerde: op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
Aldus gewezen door de VIJFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, rechtdoende in fiscale zaken, samengesteld uit:
G. T., Kamervoorzitter,
D. V., raadsheer,
S. R., raadsheer,
en uitgesproken door de Kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 11 oktober 2016, bijgestaan door J. D., griffier
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.