Omvang van het recht op aftrek, Vrijstelling, Onroerende verhuur · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie Brussel 24 november 2017

Zoeken

Omvang van het recht op aftrek, Vrijstelling, Onroerende verhuur

https://juriel.be/nl/rechtspraak/omvang-recht-aftrek-vrijstelling-onroerende-cassatie-brussel-2017-11-24-1518

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Zetel
Brussel
Datum
24 november 2017

Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 8 maanden
  1. Bestreden beslissingHof van beroep te Luik02.03.2016
  2. Weergegeven beslissingHof van Cassatie van België24.11.2017

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
ongunstig voor de Belgische Staat

Tekst

60 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 24.11.2017 (F. 16.0089.F)

WF – 706-15-12/020804

[Ongunstig voor de Belgische staat (afwijzing van de voorziening)]

Belasting over de toegevoegde waarde – Omvang van het recht op aftrek – Vrijstelling – Onroerende verhuur

Samenvatting

I.Relevante en voorafgaande feiten

1.Een autonoom gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid is btw-belastingplichtige sedert 1mei 2014 voor de uitoefening van activiteiten in verband met sport. Zij beheert, voor eigen rekening, verschillende sportcomplexen alsook een voetbalstadion.

2.Er werd een boekhoudkundige controle uitgevoerd voor de periode van 1 januari 2008 tot 30 juni 2011.

Volgens de administratie, zijn er enerzijds handelingen die het recht op aftrek doen ontstaan (zwembad, free time, tennis, restaurant en cafétaria) en anderzijds de terbeschikkingstellingen van sportinrichtingen die beschouwd moeten worden als onroerende verhuur en die geen recht van aftrek doen ontstaan. Het autonoom gemeentebedrijf moest dus worden beschouwd als een gemengde belastingplichtige met een gedeeltelijk recht op aftrek. Zij heeft echter de btw die haar werd aangerekend volledig in aftrek gebracht.

Het gemeentebedrijf was het niet eens met de regularisatieopgave die op 20 oktober 2011 werd opgesteld gezien zij van mening is dat kwalificatie als onroerende verhuur betrekking heeft op passieve terbeschikkingstellingen terwijl zij een aantal bijkomende diensten verstrekt samen met de terbeschikkingstelling. Zij heeft onmiddellijk een bemiddelingsverzoek ingediend bij de Fiscale Bemiddelingsdienst.

Op 18 november 2011 werd een proces-verbaal opgesteld en op 24 november werd een dwangbevel uitgevaardigd. Ingevolge het bemiddelingsverzoek heeft de Fiscale bemiddelingsdienst, zonder evenwel kennis genomen te hebben van het gemotiveerde standpunt van de Gewestelijk btw-directie, haar rapport uitgebracht op 2 februari 2012 en heeft de stelling die door de Staat werd ingenomen verworpen.

3.Het geschil had betrekking op de aard en de kwalificatie die aan de door de belastingplichtige verrichte betwiste handelingen moest worden gegeven: ging het om een onroerende verhuur (vrijgestelde handeling) of om een recht op toegang tot sportinrichtingen (belastbare handeling)?

4.In eerste aanleg, heeft de rechtbank de belastingplichtige gelijk gegeven en het verzet tegen het dwangbevel gegrond verklaard.

5.De Belgische Staat heeft beroep aangetekend tegen dit vonnis. In een arrest van 2 maart 2016 (203/13/RG/1625), bevestigde het Hof van beroep het standpunt van de rechtbank van eerste aanleg.

6.De Belgische Staat heeft een voorziening in cassatie ingesteld.

II.Samenvatting van het arrest

7.Het Hof van Cassatie heeft het eerste middel afgewezen op grond van het feit dat het arrest van het hof van beroep melding maakt van de persoonlijke mening van een of meerdere magistraten voor de manier waarop de Belgische Staat haar argumentatie heeft verricht en voorgelegd. Het Hof van Cassatie is van oordeel dat dit middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk is voor zover het gebaseerd is op een schending van artikel 6, § 1 van het EVRM en voor het overige ongegrond is.

8.Het derde middel verweet het arrest van beroep dat het niet correct gemotiveerd is voor zover het gebaseerd is op beslissingen van de Dienst Voorafgaande beslissingen, op een administratieve circulaire en op het advies van de Fiscale Bemiddelingsdienst. Het Hof van Cassatie is van mening dat dit middel onnauwkeurig is en bijgevolg niet-ontvankelijk.

9.Met betrekking tot het tweede middel, gebaseerd op drie onderdelen, is het Hof van Cassatie van mening dat het arrest van het hof van beroep van Luik antwoordt op de middelen die door de Belgische Staat werden ingeroepen in haar aanvullende en syntheseconclusies en zegt dat het hof van beroep niet hoeft te antwoorden op argumenten die geen afzonderlijke middelen vormden.

Om tot dit besluit te komen, herneemt het Hof van Cassatie een passage uit het arrest van het Hof van beroep te Luik waarin het standpunt van de administratie wordt uiteengezet: de administratie is van mening dat, om te bepalen of we te maken hebben met een onroerende verhuur of een recht op toegang tot sportinrichtingen, rekening moet gehouden worden met de handelingen in hun geheel en dat de bedoelingen van de partijen onderzocht moet worden. In dat uittreksel, zijn de feitelijke elementen opgesomd die, volgens het betwiste arrest, volstaan om aan te tonen dat het gemeentebedrijf en de gebruikers van de infrastructuur van het gemeentebedrijf een permanent recht op toegang voor het gebruik van de sportinrichtingen en geen onroerende verhuur voor ogen hadden.

Het Hof van Cassatie verwerpt het tweede en derde onderdeel van dit tweede middel omdat ze volgens haar onnauwkeurig zijn: volgens het arrest, roepen deze twee onderdelen de schending van verschillende wettelijke bepalingen in en voeren verschillende grieven aan, zonder elk van de grieven en de wettelijke bepalingen waarop ze betrekking hebben apart te vermelden.

III.Opmerkingen

De tussenkomst van de autonome gemeentebedrijven zorgen voor veel problemen inzake btw.

Het door het Hof van Cassatie gevelde arrest beperkt zich hier enkel tot de verantwoording van de beoordeling van de feiten van het dossier door het hof van beroep.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het arrest werd enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal

Cour de cassation de Belgique

(F.16.0089.F)

ÉTAT BELGE, représenté par le ministre des Finances, dont le cabinet est établi à Bruxelles, rue de la Loi, 12, demandeur en cassation, représenté par Maître G. d. F., avocat à la Cour de cassation, dont le cabinet est établi à …, …, où il est fait élection de domicile,

contre

R. S. C. A., dont le siège est établi à …, …, défenderesse en cassation, représentée par Maître H. G., avocat à la Cour de cassation, dont le cabinet est établi à …, …, où il est fait élection de domicile.

I. La procédure devant la Cour

Le pourvoi en cassation est dirigé contre l'arrêt rendu le 2 mars 2016 par la cour d'appel de Liège.

Le président de section M. R. a fait rapport.

Le premier avocat général A. H. a conclu.

II. Les moyens de cassation

Dans la requête en cassation, jointe au présent arrêt en copie certifiée conforme, le demandeur présente trois moyens.

III. La décision de la Cour

Sur le premier moyen :

L'article 6, § 1er, de la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales n'est pas applicable aux contestations sur des droits et obligations en matière fiscale, sauf le cas où une procédure fiscale aboutit ou peut aboutir à une sanction procédant d'une accusation en matière pénale au sens de cette disposition.

Dans cette mesure, le moyen est irrecevable.

Pour le surplus, il ne ressort pas de l'arrêt que les considérations de celui-ci que critique le moyen ont été émises avant l'examen de la cause plutôt qu'après qu'il en eut été délibéré.

Dans la mesure où il est recevable, le moyen manque en fait.

Sur le deuxième moyen :

Quant aux trois branches réunies :

L'arrêt considère que l'administration admet « qu'il faut apprécier si l'opération telle qu'elle est exécutée a essentiellement pour objet la mise à disposition passive d'un immeuble moyennant une rémunération liée à l'écoulement du temps, en tenant compte de l'intention des parties; qu'il est cependant clair que l'exercice de la plupart des sports s'effectue dans ou sur des immeubles clos ou non, de manière individuelle ou collective, et qu'il ne peut être conclu de ce fait que l'activité sportive serait exercée de principe dans le cadre d'une location dès qu'il y aurait rétribution; qu'en principe, le droit d'accès contre rétribution doit être soumis à la taxe au taux prévu par l'arrêté [royal n° 20], ce que l'administration a reconnu dans le cadre de décisions anticipées [...] et dans des circulaires administratives [...] ; que, dans le cadre de l'affaire Lindöpark, la Cour de justice [de l'Union européenne] a souligné que l'activité de gestion d'un golf implique en général non seulement une mise à disposition du terrain mais également un grand nombre d'activités commerciales, telles qu'une supervision, une gestion et une maintenance constante de la part du prestataire [...], et qu'il appartient à la juridiction nationale de déterminer [...] si l'activité en cause au principal peut être considérée comme exonérée ; que cette jurisprudence signifie qu'il convient de considérer les prestations dans leur ensemble et d'analyser l'intention des parties, à savoir le but recherché par elles, soit le droit d'accès aux installations sportives; que la manière dont [la défenderesse] gère les différents complexes ne laisse aucun doute sur sa volonté de fournir contre rétribution un service d'accès à l'exercice des différents sports par les utilisateurs individuels [...] ou non, puisqu'elle garde la haute main sur l'organisation des plannings [...], établit des formulaires standard à remplir pour les candidats à l'usage des installations [...], qu'elle assure l'entretien des installations [...], emploie à cet effet un personnel nombreux [...], souscrit des contrats d'assurance bâtiment et contenu [...], ferme l'accès aux installations sans indemnité pour ceux que l'administration veut considérer comme des locataires [...], procède elle-même à des sanctions et à l'exclusion des sportifs ou des clubs qui causent des dommages ou ne respectent pas le règlement d'ordre intérieur [...], ou encore envoie des avertissements aux 'locataires' ; que ces éléments envisagés dans leur globalité démontrent que [la défenderesse] et les utilisateurs avaient en vue un droit d'accès à des installations sportives maintenues constamment en état de fonctionnement et non une location immobilière».

Par ces considérations, l'arrêt répond aux moyens invoqués par le demandeur aux pages 22 à 30 de ses conclusions additionnelles et de synthèse d'appel. Il n'était pas tenu de répondre aux arguments qui ne constituaient pas des moyens distincts.

Dans cette mesure, le moyen, en sa première branche, ne peut être accueilli.

Pour le surplus, le moyen, en chacune de ses branches, invoque globalement la violation de différentes dispositions légales et développe différents griefs, sans indiquer séparément pour chacun des griefs les dispositions légales qui les concernent.

Dans cette mesure, le moyen, en chacune de ses branches, est imprécis, partant, irrecevable.

Sur le troisième moyen :

Le moyen, qui reproche à 'l'arrêt de ne pas motiver correctement sa décision en se fondant sur des décisions du service des décisions anticipées, une circulaire administrative et l'avis du service de conciliation fiscale, n'indique pas en quoi l'arrêt attaqué méconnaîtrait les dispositions dont il invoque la violation.

Le moyen est imprécis, partant, irrecevable.

Beschikkend gedeelte

Par ces motifs,

La Cour

Rejette le pourvoi;

Condamne le demandeur aux dépens.

Les dépens taxés à la somme de … euros envers la partie demanderesse.

Ainsi jugé par la Cour de cassation, première chambre, à Bruxelles, où siégeaient le président de section C. S., le conseiller D. B., le président de section M. R., les conseillers M. D. et S. G., et prononcé en audience publique du vingt-quatre novembre deux mille dix-sept par le président de section C. S., en présence du premier avocat général A. H., avec l'assistance du greffier P. D. W.

Signatures

Rechtspraak

1

België

1

Bekijk het document