Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen dd. 06.09.2016 (2015/AR/1244)
WF 713-15-14/002827
[Ongunstig voor de administratie]
Belasting over de toegevoegde waarde - Op nulstelling rekening-courant - Bijzondere rekening - Fiscale geldboete – Vermindering boete - Motivering boete – Invorderingsorder
Wettelijke bepalingen
Art. 70, 71 en 84 WBTW; art. 8, § 1 van het Koninklijk Besluit 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de btw;
tabel G van Koninklijk Besluit 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboete op het stuk van de btw;
Art. 109 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen
Samenvatting
De belastingplichtige is bouwondernemer en heeft wegens het onbetaald laten van de btw over een periodieke aangifte van het derde kwartaal 2012 een bericht ontvangen van op nulstelling van de rekening-courant. Daarop werd een bijzondere rekening opgemaakt, waarbij ook een boete werd opgelegd van 11.250,00 EUR. Uiteindelijk werd de vordering door de belastingplichtige betwist voor de rechtbank van eerste aanleg. De vordering werd door de eerste rechter afgewezen als ongegrond, waarna de procedure voor het hof van beroep te Antwerpen werd herhaald.
Het hof stelt vast dat in de beslissing ‘opening van een bijzondere rekening’ geen melding wordt gemaakt van de feiten die de overtreding opleveren, noch van de motieven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen. Een loutere verwijzing naar de bijlage van het KB nr. 41 volstaat in principe niet. Het hof oordeelt hier dat de belastingplichtige terecht een schending van artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 heeft ingeroepen, met als gevolg dat de boete nietig is. De rechter in beroep verwijst hier ook naar een arrest van cassatie van 8 april 2011 (Cass., 8 april 2011, C.10.0202.N, www.cass.be). In zijn beslissing bij dit arrest van 8 april 2011 oordeelt het Hof van Cassatie: “Aan de motiveringsverplichting van art. 109 van de wet van 4 augustus 1986 is niet voldaan, wanneer de belastingplichtige, zonder dat de belastingadministratie de opgelegde boete uitdrukkelijk heeft gemotiveerd in de kennisgeving, door de ontleding van de toepasselijke wetgeving, aan de hand van de in de kennisgeving vermelde feiten, zelf kan achterhalen om welke reden de geldboete werd opgelegd.”
Het hof oordeelt bijgevolg dat de belastingplichtige terecht een schending van het voornoemde artikel 109 heeft ingeroepen, met als gevolg dat de boete nietig is.
Commentaar
Contra : Luik, 16 april 2012, 2010/RG/501 ; Burg. Nivelles, 6 februari 2014, 11/2488/A ; Burg. Luik, 21 maart 2016, RG 15/1000/A ; Fisconetplus.
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen
dd. 06.09.2016
(2015/AR/1244)
A. B. C. BVBA, met maatschappelijke zetel te …, … en met ondernemingsnummer … eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. D. loco Mr. V. B. J., advocaat te …, … tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 23 maart 2015
tegen
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector btw, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12; op vervolging en benaarstiging van de adviseur - e.a. inspecteur van het tweede Btw-Controlekantoor van Geel te 2440 GEEL, Werf 65; vertegenwoordigd door de adviseur - gewestelijk directeur van de Btw-Directie te Hasselt waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 40 verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. V. D. S. P., advocaat te …, …
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 23 maart 2015, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 18 mei 2015, waarbij een tijdig hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting.
De betwisting betreft de vraag of een boete inzake BTW wettig is en of ze (subsidiair) in aanmerking komt voor vrijstelling.
1.2. Boete en verzoek tot vrijstelling.
BVBA Algemene Bouwwerken Ceulemans diende voor het derde kwartaal van 2012 een BTW-aangifte in, met vermelding van een verschuldigd saldo aan BTW van … EUR (stuk 1 Belgische Staat).
Vermits deze belasting onbetaald bleef, werd naar de belastingplichtige een bericht van opnulzetting van een rekening-courant gestuurd, met vermelding daarop van een saldo van opnulzetting van … EUR (… EUR aan BTW en … EUR aan interesten) (stuk 8 Belgische Staat).
Er werd een bijzondere rekening opgemaakt in toepassing van artikel 8, §1 KB nr.24 van 29 december 1992 (stuk 2 Belgische Staat). In toepassing van artikel 1, 1° en punt 1.2.A van de eerste afdeling van tabel G, gevoegd bij KB nr.41 van 30 januari 1987 werd een boete geheven van … EUR. Deze beslissing werd bij aangetekende brief van 19 december 2012 ter kennis gebracht aan de belastingplichtige.
Bij brief van 24 mei 2013 verzocht de gevolmachtigde van de belastingplichtige de fiscale administratie om kwijtschelding van de boeten en interesten toe te staan (stuk 3 Belgische Staat).
Bij brief van 29 juli 2013 liet de administratie weten dat ze niet kon ingaan op het verzoek tot kwijtschelding van de opgelopen geldboete en dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die de kwijtschelding van de interesten konden verantwoorden (stuk 4 Belgische Staat),
Aan de bemiddelingsdienst werd gevraagd om de zaak te herbekijken, doch de tussenkomst van de bemiddelingsdienst leverde geen resultaat op (stuk 1 belastingplichtige).
1.3. Procedure voor de eerste rechter.
BVBA Algemene Bouwwerken Ceulemans legde op 8 januari 2014 een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. De vennootschap vorderde om haar vordering toe te wijzen en bijgevolg de nietigheid van de beslissing van 29 juli 2013 te horen bevelen in de mate dat geen gevolg werd gegeven aan het verzoek tot kwijtschelding van de aan de vennootschap opgelegde proportionele geldboete van … EUR en te horen zeggen voor recht dat de opgelegde proportionele geldboete van … EUR wordt kwijtgescholden, minstens wordt verminderd. De vennootschap vorderde terugbetaling, dan wel vrijgave te bevelen van alle ten onrechte geïnde of betaalde sommen, verhoogd met de moratoriuminteresten en om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding zoals voorzien in artikel 1022 Ger.W.
De eerste rechter stelde vast dat de belastingplichtige geen overtreding inriep van artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986.
Hij stelde verder vast dat de BTW verschuldigd geworden was als gevolg van het uitschrijven van bewust onterechte facturen en dat de belastingplichtige bijgevolg niet kan klagen dat de BTW hierop verschuldigd was geworden.
Uit de jaarrekeningen van de belastingplichtige bleek voor de boekjaren 2012 en 2013 een beperkt verlies, doch dit wees niet op een precaire situatie die zou leiden tot betalingsproblemen. Er was volgens de eerste rechter geen afdoende reden om over te gaan tot kwijtschelding van de toegepaste boete en de belastingplichtige was bij dit alles slecht gekomen met haar stelling dat repressief werd opgetreden tegen omstandigheden buiten haar wil.
De vordering werd afgewezen als toelaatbaar doch ongegrond en de vennootschap werd veroordeeld tot de kosten van het geding, niet vereffend, bij gebrek aan opgave en begroting.
1.4. Procedure voor het hof van beroep.
BVBA A. B. C., thans eiseres in hoger beroep vordert om haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en om het bestreden vonnis aldus te vernietigen. De vennootschap vordert om haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren.
De vennootschap vordert om te zeggen voor recht dat de aan de belastingplichtige opgelegde proportionele geldboete van … EUR onwettig is. Ze vordert om minstens de nietigheid van de beslissing van 29 juli 2013 te horen bevelen in de mate dat geen gevolg werd gegeven aan het verzoek tot kwijtschelding van de aan de belastingplichtige opgelegde geldboete van … EUR en te horen zeggen voor recht dat de opgelegde geldboete van … EUR wordt kwijtgescholden, minstens wordt verminderd.
Ze vordert terugbetaling dan wel vrijgave te bevelen van alle ten onrechte geïnde of betaalde sommen, verhoogd met de moratoriuminteresten en om de kosten ten laste te leggen van de Belgische Staat, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding, begroot op … EUR per aanleg.
De Belgische Staat, verweerder in hoger beroep, vordert om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en om het vonnis te bevestigen, met veroordeling van de vennootschap tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van … EUR.
Ter zitting van 6 juni 2016 verzoeken beide partijen om de rechtsplegingsvergoeding te indexeren tot een bedrag van … EUR.
2. Bespreking
2.1. Nietigheid van de proportionele geldboete wegens gebrek aan motivering.
Volgens de vennootschap voldeed de motivering van de geldboete niet aan artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986. De Belgische Staat daarentegen meent dat uit de bijzondere rekening en de voorafgaande kennisgeving duidelijk bleek waarom de boete werd opgelegd.
De motivering van de proportionele geldboete op de bijzondere rekening (stuk 2 Belgische Staat) luidde als volgt:
"Verminderde proportionele geldboete : Ingevolge de bepalingen van artikel 1, 1° en van het punt 1, 2, A van de eerste afdeling van tabel G, gevoegd bij het Koninklijk Besluit nr.41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, genomen ter uitvoering van de artikelen 70, 71 en 84 van het BTWWetboek, wordt er over het als BTW verschuldigde bedragen een boete geheven van … EUR."
In deel II (verklarende nota bij de in de bijzondere rekening verwerkte administratieve geldboeten, interesten en beslissingen nr. 685 en 686) wordt bij alle boeten 'nihil' vermeld.
In de voorafgaande kennisgeving (stuk 8 Belgische Staat) wordt geen boete vermeld.
Artikel 109 van de wet van 9 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen luidt als volgt :
"Telkens wanneer een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt, waarbij hem een administratieve geldboete wordt opgelegd, vermeldt dit bericht de feiten die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten, en geeft de motieven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen".
Deze bepaling legt minstens een even strenge motiveringsverplichting op als de wet van 29 juli 1991, zodat deze laatste in deze niet van toepassing is.
Het hof stelt vast dat in de beslissing tot opening van een bijzondere rekening, ter kennis gebracht op 19 december 2012, geen melding wordt gemaakt van de feiten die de overtreding opleveren, noch van de motieven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen. Een loutere verwijzing naar de bijlage van het KB nr.41 volstaat in principe niet.
In de voorafgaande kennisgeving (stuk 8 Belgische Staat) wordt zelfs nog geen melding gemaakt van een boete.
Of voldaan is aan de motiveringsverplichting dient beoordeeld te worden aan de hand van het bericht waarin de boete ter kennis werd gebracht. Het feit dat uit het verzoek tot kwijtschelding van de boeten en interesten van 24 mei 2013 (stuk 3 Belgische Staat) bleek dat de belastingplichtige op dat moment perfect op de hoogte was van de feiten, de toegepaste bepalingen en de motieven die gediend hebben om het bedrag van de geldboete vast te stellen doet geen afbreuk aan de op de administratie berustende motiveringsverplichting op het moment van het opleggen van de boete (cfr. Gent, 20 maart 1996, F.J.F., nr.96/214).
Aan de motiveringsverplichting van artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 is trouwens niet voldaan, wanneer de belastingplichtige, zonder dat de belastingadministratie de opgelegde geldboete uitdrukkelijk heeft gemotiveerd in de kennisgeving, door de ontleding van de toepasselijke wetgeving, aan de hand van de in de kennisgeving vermelde feiten, zelf kon achterhalen om welke reden de geldboete werd opgelegd (Cass., 8 april 2011, C.10.0202.N, www.cass.be; cfr. Brussel, 9 januari 2014, stuk 9 belastingplichtige).
Het hof oordeelt bijgevolg dat de belastingplichtige terecht een schending van artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 heeft ingeroepen, met als gevolg dat de boete nietig is.
2.2. Kwijtschelding van de boete, in toepassing van het regentsbesluit van 18 maart 1831.
Vermits de boete reeds nietig is wegens schending van de artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986, moeten de overige argumenten worden afgewezen als zijnde niet langer dienstig.
Beschikkend gedeelte
3. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep van BVBA A. B. C. toelaatbaar en gegrond.
Het hof hervormt het beroepen vonnis.
Het hof verklaart de vordering van BVBA A. B. C. toelaatbaar en als volgt gegrond.
Het hof zegt voor recht dat de aan BVBA A. B. C. opgelegde proportionele geldboete van … EUR onwettig is en beveelt de terugbetaling van de ten onrechte betaalde boete ten bedrage van … EUR, te vermeerderen met de moratoriuminteresten.
Het hof verwijst de Belgische Staat in de gedingkosten, vereffend aan de zijde van BVBA A. B. C. op een rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg van … EUR en een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van … EUR.
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 06 september 2016 door
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.