Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven d.d. 07.11.2025 – 21/1976/A
FIN54633648-01
[ Gunstig vonnis ]
BTW – Medisch beroep – Bouwheer – Verlaagd BTW-tarief – Afbraak en heropbouw - Privéwoning
Volledige tekst:
Tekst van de beslissing
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven d.d. 07.11.2025 – 21/1976/A
In de zaak van:
cie1, (KBO: ...), met zetel te ...,
eisende partij,
vertegenwoordigd door Wilfried VANDENPLAS, advocaat te 3000 LEUVEN, Dagobertstraat
49. tegen
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, (KBO: 0308.357.159) algemene administratie van de fiscaliteit en directe belastingen, in de persoon van de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal van KMO-Centrum Leuven — Expertise 1, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3001 Leuven, Philipssite 3A bus 1 met postadres te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6 bus 766,
verwerende partij,
vertegenwoordigd door E.L., attaché en L.C., attaché.
I Procedure
De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
De rechtbank nam onder meer kennis van:
het verzoekschrift op tegenspraak ter griffie neergelegd op 22 december 2021;
de laatste conclusies van partijen en de door hen neergelegde stukken (met in begrip van de bijkomende stukken die met akkoord van partijen door zowel verweerder als eiseres werden neergelegde op de openbare zitting van 3 oktober 2025);
- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.
De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 3 oktober 2025 en vervolgens in beraad genomen.
II Feiten
1Eiseres is als rechtspersoon actief in de medische sector, meer bepaald oftalmologie,
en is onderworpen aan de btw onder btw-nummer .... Eiseres trad op als bouwheer met betrekking tot een onroerend goed te ..., alwaar haar maatschappelijke zetel gevestigd is.
2 Op 13 en 16 november 2016 vond een controle plaats bij eiseres in het kader van het nazicht van het btw-bouwdossier op naam van cie1, betreffende de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake btw.
Verweerder stelde tijdens deze controle vast dat er niet voldaan werd aan de voorwaarden voor het toepassen van het verlaagd btw-tarief van 6% voor de door eiseres uitgevoerde werken in onroerende staat.
3 Op 11 december 2018 werd er door verweerder een correctieopgave verzonden aan eiseres waarin werd aangegeven dat overeenkomstig bijlage C.12 een btw-bedrag van 40.615,51 euro verschuldigd was, naast een geldboete van 10% oftewel 4.061,55 euro (afgerond 4.060,00 euro).
In deze correctieopgave werd als reden voor deze correctieopgave vermeld:
"Het oude gedeelte van de woning bedraagt in oppervlakte minder dan de helft van de totale oppervlakte van het nieuwe gebouw. Hierdoor vormt het oude deel niet het hoofdbestanddeel van het gebouw na de werken in onroerende staat. Bijgevolg beschouwt de BTW-wetgeving dit als nieuwbouw, dewelke volledig aan het normale BTW-tarief van 21% had moeten geschieden".
4 Op 14 december 2018 gaf eiseres aan niet akkoord te gaan met voormelde correctieopgave.
5 Op 24 april 2019 werd er door fiscaal deskundige Joris Philips namens verweerder een proces-verbaal opgesteld en verzonden aan eiseres. Hierin werd onder meer aangegeven dat de totale oppervlakte van het bestaand gedeelte 156,84m2 bedroeg, terwijl de totale oppervlakte van het nieuwe gedeelte 493,92m2 bedroeg, zodat aan het oppervlaktecriterium niet is voldaan. Nog volgens voormeld proces-verbaal was eiseres volgende bedragen verschuldigd: een btw-bedrag van 40.615,51 euro en een geldboete van 10% oftewel 4.061,55 euro (afgerond 4.060,00 euro).
6 Op 31 mei 2019 diende eiseres een bezwaar in tegen voormeld proces-verbaal van 24 april 2019, aangezien zij van mening was dat wel degelijk voldaan is aan het oppervlaktecriterium.
7 Op 21 juni 2019 werd door eiseres een bemiddeling aangevraagd bij de federale bemiddelingsdienst. Er kon evenwel geen bemiddelde oplossing worden bereikt.
8 Op 11 december 2019 werd door verweerder aan eiseres een innings- en invorderingsbericht btw verzonden voor een bedrag van 45.165,00 euro (bestaande uit 40615,00 euro btw, 3023,00 euro boeten en 1.527,00 euro nalatigheidsinteresten).
Op 16 januari 2020 ging eiseres over tot betaling van het bedrag van 45.520,48 euro.
9 Bij beslissing voor de adviseur-generaal van 1 april 2020 werd het bezwaarschrift van eiseres afgewezen.
10Eiseres legde op 22 december 2021 een fiscaal verzoekschrift neer op de griffie van
deze rechtbank.
III De vorderingen
1Eiseres vordert in haar (laatste) syntheseconclusies om haar vordering ontvankelijk
en gegrond te verklaren en dienvolgens de correctieopgave inzake btw d.d. 12 december 2018, het proces-verbaal van 24 april 2019, het innings- en invorderingsbericht btw van 11 december 2019 en de directoriale beslissing van 1 april 2020 nietig te verklaren en te zeggen voor recht dat de daarin vermelde sommen, hetzij btw, hetzij boeten en interesten, niet verschuldigd zijn.
Eiseres vordert bovendien de verweerder te veroordelen tot terugbetaling aan haar van de som van 46.557,07 euro, te vermeerderen met de wettelijk verschuldigde moratoriuminteresten vanaf de datum van betaling.
Ten slotte vordert eiseres om verweer te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de wettelijk verschuldigde rechtsplegingsvergoeding.
2Verweerder vordert in zijn (laatste) syntheseconclusies om de vordering van
eiseres ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren en de correctieopgave inzake btw van 12 december 2018, het proces-verbaal van 24 april 2019, de directoriale beslissing van 1 april 2020 en de bedragen ingevorderd onder artikelnummer … te behouden.
Verweerder vordert verder om eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
IV Beoordeling
1. De ontvankelijkheid van de vordering
In de fiscale procedure is het voorwerp van de vordering de gehele of gedeeltelijke vernietiging of ontheffing van de gevestigde belastingtitel. De vordering van eiseres dient dan ook in wezen gericht te zijn tegen de inschrijving in het innings- en invorderingsregister btw, gekend onder artikelnummer ...
In de mate dat de vordering van eiseres gericht is tegen voormelde inschrijving in het innings- en invorderingstregister btw, is de vordering van eiseres dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde
2.1 De betwisting tussen partijen heeft betrekking op de vraag of de door eiseres aan het onroerend goed te ... uitgevoerde werken in onroerende staat onderworpen waren aan het verlaagd btw-tarief van 6% dan wel het standaard btw-tarief van 21%.
In essentie heeft de betwisting tussen partijen (hoofdzakelijk) betrekking op het al dan niet vervuld zijn van het zogenaamde'oppervlaktecriterium'.
2.2 Artikel 37 § 1 van het BTW-wetboek bepaalt dat bij in Ministerraad overlegd besluit
de Koning de tarieven bepaalt en de indeling geeft van de goederen en diensten bij die tarieven, rekening houdend met de door de Europese Gemeenschappen ter zake uitgevaardigde reglementering.
Op grond van artikel 1, eerste lid van het Koninklijk besluit 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (hierna: KB nr. 20 van 20 juli 1970) bedraagt het normale tarief van de belasting over de toegevoegde waarde voor goederen en diensten bedoeld in het Wetboek 21 procent.
Overeenkomstig artikel 1, tweede lid, a) van voormeld KB nr. 20 van 20 juli 1970 wordt, in afwijking van het eerste lid, de belasting geheven tegen het verlaagd tarief van 6 procent voor de goederen en diensten opgenomen in tabel A van de bijlage bij dit besluit. Dit verlaagd tarief mag evenwel niet toegepast worden als de diensten bedoeld in tabel A bijkomstig deel uitmaken van een complexe overeenkomst die hoofdzakelijk andere diensten tot voorwerp heeft.
Rubriek XXXVIII 'Renovatie en herstel van privéwoningen' van tabel A van de bijlage bij voormeld KB nr. 20 van 20 juli 1970, zoals in dit geding van toepassing, bepaalde:
"§ 1. Het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in paragraaf 3, met uitsluiting van de materialen die een beduidend deel vertegenwoordigen van de verstrekte dienst, worden onderworpen aan het verlaagd tarief voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld:
1° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;
2' de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privéwoning wordt gebruikt;
3' de handelingen worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming heeft plaatsgevonden in de loop van een kalenderjaar dat ten minste tien jaar voorafgaat aan et eerste tijdstip van opeisbaarheid van de btw dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22, § 1 of artikel 22bis van het Wetboek;
4' de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker;
5' de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, maken melding van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagde tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief
§ 3. Worden beoogd:
10 het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed; 2° prestaties die erin bestaan een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt; 3° iedere handeling, ook indien niet beoogd in de bepaling onder 2", die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw:
a) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel of aan de radiatoren;
b) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van al de vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool;
c) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen;
d) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon;
e) van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of een badkamer is uitgerust;
f) van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst;
4° iedere handeling, ook indien niet beoogd in de bepaling onder 2°, die tot voorwerp heeft zowel de levering van wandbekleding of vloerbekleding of -bedekking als de plaatsing ervan in een gebouw ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte;
5° het aanhechten, het plaatsen, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, van goederen bedoeld in de bepaling onder 3° en 4°;
6° de terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van de hierboven bedoelde handelingen.
§ 4. Het verlaagd tarief is in geen geval van toepassing op:
1° werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen, die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
2° werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen, die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
3° het gedeelte van de prijs met betrekking tot de levering van verwarmingsketels in appartementsgebouwen alsook op de levering van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van liftinstallaties".
2.3De administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986, die betrekking heeft op
bovenvermelde bepalingen, bepaalt onder meer:
"Bedoelde onroerende handelingen.
25.In de onderstelling dat de voorwaarden bepaald in de afdelingen 2 tot 4 vervuld zijn, is het verlaagd tarief slechts toepasselijk voor zover de onroerende handelingen bedoeld onder I (z. de nrs. 17 tot 22) voldoen aan een welbepaald doel ten aanzien van het gebouw. De handelingen moeten de omvorming, de renovatie, de rehabilitatie, de verbetering, de herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de bedoelde woning tot voorwerp hebben (z. afdeling 2).
26.Deze lange opsomming omvat uiteenlopende onroerende handelingen gaande van de omvorming van een gebouw tot het onderhoud ervan. Zij voorkomt een vage definitie van de nog onduidelijke begrippen renovatie en rehabilitatie waartoe de omvorming, verbetering of herstelling bijdragen. Bovendien wordt daardoor het soms moeilijke onderscheid tussen verbeteringen aangebracht aan een gebouw en herstellingen die eraan worden verricht, alsook het onderscheid tussen het gewone onderhoud (het in goede staat behouden van het gebouw) en de herstelling (het opnieuw in goede staat brengen) overbodig.
Handelingen uitgesloten van de gunstregeling.
Werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die bijdragen tot de oprichting van een woning.
27.Krachtens § 1, 1°, van de nieuwe rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij voornoemd koninklijk besluit nr. 20, is werk in onroerende staat dat het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp heeft impliciet uitgesloten van het voordeel van het verlaagd tarief
28.onder "werk in onroerende staat" dat het bouwen tot voorwerp heeft, wordt verstaan elk werk in onroerende staat dat strekt of bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw. Het bouwen veronderstelt een algemene bouwonderneming of een groep van vaklui die afzonderlijk handelen met de bouwheer. De handeling of het geheel van de onroerende handelingen die bijdragen tot het bouwen van een nieuw gebouw, is onderworpen aan het tarief van 17 pct. met uitsluiting van het verlaagd tarief.
Onderscheid tussen het bouwen en de omvorming of verbouwing.
29.Werk in onroerende staat dat de omvorming van een woning tot voorwerp heeft, is, indien alle andere voorwaarden zijn vervuld, onderworpen aan het tarief van 6 pct.
30.Onder "omvorming" wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant (en inzonderheid de rehabilitatie) als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken.
Evenzo wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de struktuur van het te renoveren gebouw.
31.Daarentegen dient als een bouwwerkzaamheid die bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw te worden aangemerkt:
1° het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in geval van behoud der funderingen en kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn struktuur (b.v. alleen de voorgevel aan de straatzijde behouden omwille van de integratie in het stedelijk kader);
2° in geval van de bouw van een of meer bijkomende appartementen in een appartementsgebouw door bovenbouw of op een andere wijze, wanneer deze nieuwe appartementen, onder toepassing van het stelsel van medeëigendom, vervreemdbaar zijn met toepassing van de BTW;
3° ingeval de eigenaar een gebouw aan het zijne aanbouwt, indien deze aanbouw geen vergroting is van het eerste gebouw, maar een nieuw gebouw dat op zichzelf vatbaar is voor vervreemding onder het stelsel van de BTW, daar het onderscheiden is van het oude gebouw;
40 in geval van een grondige (z. nr. 30, 2de lid, a contrario, en 1° van onderhavig nummer) omvorming van een schuur of een ander bijgebouw van een boerderij tot een woonhuis.
In deze situatie, waarbij de omvorming wordt gelijkgesteld met een oprichting, is het tarief van 17 pct. toepasselijk, met uitsluiting van het verlaagd tarief.
Herbouwen.
32.Het herbouwen van een woning wordt gelijkgesteld met het bouwen telkens als, gelet op de omvang van de vernieling of van de afbraak van het gebouw, de werken in feite bijdragen tot de oprichting van een nieuw gebouw (z. nr. 31).
33.Anders is de situatie in het geval van gedeeltelijke vernieling, indien de werken zelfs belangrijke herstellingen tot voorwerp hebben, met het oog op het opnieuw in goede staat brengen van het gebouw. Indien alle andere voorwaarden zijn vervuld is in dergelijk geval het tarief van 6 pct. van toepassing.
Afbraakwerken.
34.Werk in onroerende staat dat het afbreken van geheel of een gedeelte van een woning tot voorwerp heeft, is in principe onderworpen aan het tarief van 17 pct., daar dit werk als dusdanig uitgesloten is van het voordeel van het verlaagd tarief
35.Dit geldt echter niet wanneer de afbraakwerken noodzakelijk voorafgaan aan de omvorming of de verbetering en meer algemeen aan werken die het verlaagd tarief kunnen genieten. Als bijkomend onderdeel van laatstbedoelde werken kunnen in dat geval de afbraakwerken onderworpen zijn aan het verlaagd tarief'.
2.4 De administratieve beslissing nr. E.T.106.933 van 1 september 1994, die beoogt te verduidelijken "in welk geval een vergroting van een gebouw al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 inzake BTW-tarieven (vgl. aanschr. 6/1986 (Z. BTW-Rev. 73/297), nr. 30)" bepaalt:
"De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken.
Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt.
Daarentegen is niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt als het oude gedeelte. Zo kan bijvoorbeeld de uitbreiding van een in de regeling bedoeld woningcomplex (bejaardentehuis, internaat, enz.) met een nieuwe losstaande vleugel, worden aangemerkt als een omvorming in de zin van voornoemde rubriek XXXI van tabel A (vgl. aanschr. 6/1986 (Z. BTW-Rev. 73/297), nr. 51).
Indien, rekening houdend met hetgeen voorafgaat, de vergroting of meer algemeen de verbouwing van een woning of woningcomplex niet kan worden aangemerkt als een omvorming voor de toepassing van het BTW-tarief van 6 pct. op grond van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, kunnen alle daaropvolgende - binnen de 20 jaar (termijn van toepassing op het ogenblik van de beslissing)-onroerende handelingen met betrekking tot dat gebouw uiteraard evenmin het verlaagd tarief van 6 pct. genieten op grond van deze rubriek".
2.5 Waar het normale btw-tarief 21% bedraagt, rust de bewijslast inzake de toepassing van het uitzonderingstarief van 6% op eiseres. Het komt bijgevolg aan eiseres toe om aan te tonen dat de uitgevoerd werken de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben.
De vraag of de uitgevoerde werken als een omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud dan wel als een nieuwbouw kwalificeren in het licht van de aangehaalde wetsbepalingen, is een feitenkwestie die geval per geval moet worden onderzocht.
2.6 De wetgever heeft zelf geen definitie gegeven aan de hoger vermelde werken in onroerende staat. Bijgevolg moeten al deze begrippen in hun normale betekenis worden begrepen.
Het gegeven dat in voormelde administratieve beslissing nr. E.T.106.933 van 1 september 1994 de uitbreiding van een bestaand gebouw wordt aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte, waarbij er van uitgegaan wordt dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken (en waarbij tevens vereist is dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt) kan niet anders dan als een administratieve toegeving op de wettekst worden beschouwd.
Hoewel administratieve beslissingen op zichzelf geen bindende kracht hebben en het zogenaamde oppervlaktecriterium niet in de wet zelf is ingeschreven, dient dit oppervlaktecriterium — dat een administratieve toegeving uitmaakt—te worden beschouwd als een relevant beoordelingscriterium, dat overigens in het voordeel van de belastingplichtige speelt, in vergelijking met de strengere wet.
Het is niet onredelijk van de administratie om aan deze toegeving de voorwaarde te verbinden dat de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Het is eveneens logisch en redelijk verantwoord om ervan uit te gaan dat dit het geval is, op voorwaarde dat de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken.
Opdat de uitbreidingswerken aan het begrip 'omvormen' zouden beantwoorden, is vereist dat de bestaande woning de hoofdzaak blijft en de uitbreiding ondergeschikt is aan en slechts plaatsgrijpt in functie van de omvorming van de oude woning. De ingreep mag niet zo ver gaan dat met de werken in wezen tot nieuwbouw wordt overgegaan (vgl. Gent 19 december 2023, AR nr. 2022/AR/1198).
2.7De betwisting tussen partijen heeft in essentie betrekking op de vraag of in casu
voldaan is aan het zogenaamde oppervlaktecriterium.
Verweerder verwijst in dit verband naar het op 24 april 2019 opgestelde proces-verbaal, waaruit blijkt dat de totale oppervlakte van het behouden bestaande gedeelte 156,84 m2 bedraagt, terwijl de totale oppervlakte van het nieuwe gedeelte 493,92 m2 bedraagt. Volgens verweerder is er dan ook niet voldaan aan het oppervlaktecriterium, aangezien het nieuw gedeelte 75,90% en het oud gedeelte 24,10% bedraagt van het eindresultaat na de bouwwerken.
Volgens eiseres bedraagt de totale oppervlakte van alle uitbreidingen en vergrotingen daarentegen 314,44 m2 en van het oude/behouden gedeelte 344,71 m2, zodat de oude/behouden oppervlakte een aandeel van 52,30% en de nieuwe gedeeltes een aandeel van 47,7% hebben, waardoor wel aan het oppervlaktecriterium voldaan zou zijn.
Volgens eiseres beschouwt verweerder de oude open living-keuken en de oude zolderverdieping ten onrechte als nieuw. Volgens haar komt dit evenwel niet overeen met wat als 'nieuw' wordt verstaan bij toepassing van het oppervlaktecriterium in het antwoord op de parlementaire vraag van de heer Leterme. Volgens eiseres kan er enkel sprake zijn van een 'nieuwe verdieping' als er bovenop het oude zolderniveau nog een extra verdieping zou zijn gebouwd, wat niet het geval is. Volgens eiseres moet men bij de beoordeling van het oppervlaktecriterium zuiver overgaan tot vergelijking van de oppervlaktes in het kader van de uitbreidingen. Het oppervlaktecriterium zou enkel bedoeld zijn om de omvang van de uitbreidingen te beoordelen.
Volgens verweerder wordt bij de berekening van de oppervlakte van het oude gedeelte enkel rekening gehouden met de oppervlakte van het oude gedeelte dat overblijft na de uitvoering van de werken. Hij verwijst hiervoor naar de parlementaire vraag nr. 846 van de heer Van Biesen. Een oppervlakte die overwegend door nieuw gebouwde muren wordt ontsloten, wordt daarbij beschouwd als behorende tot het nieuwe gedeelte van het gebouw. Oude afgebroken structuren en oppervlakten zouden niet kunnen gelden als 'behouden oude structuren'. Verweerder stelt dat enkel wanneer de afbraakwerken noodzakelijkerwijze voorafgaan aan de omvorming of verbeteringen en meer algemeen aan werken die het verlaagd tarief kunnen genieten, zij, als bijkomend onderdeel van laatstbedoelde werken, eveneens aan het verlaagd tarief onderworpen kunnen zijn. Volgens verweerder zijn de oude buitenmuren van de ouden open living-keuken afgebroken en hoofdzakelijk omgeven door nieuw gebouwde muren. Wat de oude zolder betreft, blijkt uit de bijgevoegde plannen en de profielen van zowel het oude gebouw met zolder met zadeldak als het nieuwe gebouw met een eerste verdieping met plat dak in plaats van de zolder duidelijk dat de oude zolder werd afgebroken en er een nieuwe verdieping met plat dak in de plaats werd gebouwd, die totaal anders werd ingevuld. Volgens verweerder zijn delen van het oud gebouw die werden afgebroken niet behouden en wanneer ze vervolgens terug worden opgebouwd, al of niet volgens dezelfde structuur of op dezelfde plaats, behoren ze tot de nieuwe gedeelten.
2.8De rechtbank brengt allereerst in herinnering dat opdat uitbreidingswerken —
ingevolge voormelde administratie toegeving — onder het begrip 'omvormen' kunnen vallen, de ingreep niet zover mag gaan dat met de werken in wezen tot nieuwbouw wordt overgegaan (vgl. Gent 19 december 2023, AR nr. 2022/AR/1198).
In het licht van het bovenstaande, acht de rechtbank het logisch en redelijk verantwoord dat de administratie bij de beoordeling van het zogenaamde 'oppervlaktecriterium' en de berekening van het behouden en nieuwe gedeelte in casu geen rekening meer heeft gehouden met de oude open living-keuken en oude zolder omdat deze ruimten werden afgebroken en aldus niet meer (zoals voorheen) bestaan.
Het kan naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid worden betwist dat de oude zolderverdieping werd afgebroken en herbouwd. De oorspronkelijke zolderverdieping met hellend dak werd vervangen door een nieuwe verdieping met plat dak. De vloerplaat van de oude zolderverdieping werd verwijderd en vervangen door een andere (en verhoogde) vloerplaat. Uit de door verweerder bijgebrachte stukken blijkt onmiskenbaar dat de oude zolderdieping zowel op het vlak van vorm (hellend vs. plat dak) als binnen- (inhoud) en buitenaanzicht onherkenbaar is geworden (zie o.a. stukken 9, 14, 15 en het door verweerder op de openbare zitting bijkomend neergelegd stuk). Er kan bezwaarlijk sprake zijn van een behouden oud gedeelte indien er sprake is van een nieuwe vloerplaat, nieuw dak, nieuwe buitenmuren, nieuwe structuren, nieuwe vormgeving etc.
Naar het oordeel van de rechtbank dringt dezelfde conclusie zich op voor wat betreft de oude open living-keuken. Ook hier dient te worden vastgesteld dat het in werkelijkheid om een nieuwe constructie in plaats van een behouden gedeelte gaat. De rechtbank wijst hiervoor onder meer naar het feit dat de oorspronkelijke vloerplaat werd weggehaald en de nieuwe vloerplaat omhoog werd geplaatst, terwijl daarenboven bijna alle omgevende (buiten)muren werden afgebroken en deze ruimte hoofdzakelijk is omgegeven door nieuw gebouwde muren.
Met het gedeelte van de woning dat (quasi) volledig werd afgebroken en werd heropgebouwd kan bij de toepassing van het oppervlaktecriterium geen rekening worden gehouden, aangezien dergelijke werken nieuwbouw betreffen (vgl. Gent 19 december 2023, AR nr. 2022/AR/1198).
De visie van eiseres dat bij de beoordeling van het oppervlaktecriterium louter moet worden gekeken naar de oorspronkelijke oppervlakte — in de zin van vierkante meters — overtuigt niet. Dat lijkt niet te stroken met de (tekst van voormelde) administratieve beslissing van 1 september 1994, waarin sprake is van de oppervlakte van het oude gedeelte, en zou bovendien betekenen dat een belastingplichtige tegen het verlaagd btw-tarief van 6% een bestaand gebouw volledig zou kunnen afbreken om dit op dezelfde plaats (binnen dezelfde oppervlakte) te vervangen door een nieuwbouw. Daarenboven zou diezelfde belastingplichtige tegen het verlaagd btw-tarief van 6% dit gebouw vervolgens nog eens met maximaal dezelfde oppervlakte als de oorspronkelijk bebouwd oppervlakte kunnen uitbreiden. Dat strookt (evident) niet met de bedoeling van de wetgever. Het gebruik van de begrippen "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, hertelling of het onderhoud" houdt in dat de uitgevoerde werken niet mogen gelijkstaan met een nieuwbouw. Van nieuwbouw kan niet enkel sprake zijn in geval van 'uitbreiding' ten opzichte van de oorspronkelijke toestand, maar ook als iets bestaands wordt afgebroken en op dezelfde plaats opnieuw wordt opgebouwd (vgl. Gent 11 januari 2022, nr. 2020/AR/1198).
De rechtbank is van oordeel dat bovenvermelde bouwwerken van dien aard zijn dat het de loutere omvorming en beperkte uitbreiding zoals aanvaard door de administratie in haar aanschrijving en administratieve beslissing kennelijk overstijgt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de administratie er bij de beoordeling van haar oppervlaktecriterium terecht van is uitgegaan dat de open living-keuken en zolderverdieping niet meer konden worden beschouwd als behouden gedeelte/oppervlakte en dat de daarvoor in de plaats (nieuw) gebouwde constructies dienden te worden gerekend bij het nieuwe gedeelte/oppervlakte.
Aangezien de oppervlakte van het — op die manier berekende — behouden oude gedeelte (156,84 m2) kleiner is dan de helft van de totale oppervlakte van het gebouw na de uitvoering van de werken (650,76 mz/2 = 325,38 m2) oordeelde de administratie terecht dat niet voldaan was aan het oppervlaktecriterium, zodat het toepasselijke btw-tarief het normale btw-tarief van 21% in plaats van het verlaagde btw-tarief van 6% bedraagt.
2.9Anders dan eiseres voorhoudt, resulteert de benadering van verweerder naar het
oordeel van de rechtbank niet in een niet te verantwoorden ongelijke behandeling tussen uitbreidingen door toevoeging van nieuwe vertrekken en uitbreidingen door vergroting van bestaande vertrekken via afbraak van buitenmuren. In beide gevallen gaat de administratie
— terecht — uit van het principe dat wat afgebroken wordt en (op)nieuw wordt (op)gebouwd
— ongeacht op welke plaats dit gebeurt — dient te worden beschouwd als nieuw (en niet meer kan worden meegerekend bij de behouden oppervlakte). De verschillende benadering is bijgevolg het resultaat van het feit dat er in de ene hypothese geen oude oppervlakte/oud gedeelte wordt afgebroken en vervangen door een nieuwe constructie, maar er enkel wordt uitgebreid, terwijl er in de andere hypothese eerst sprake is van afbraak van oude oppervlakte/oud gedeelte, gevolg door een nieuwe constructie van dezelfde omvang als in de eerste hypothese. De door de administratie gehanteerde berekeningswijze heeft tot gevolg dat nieuw gebouwde constructies steeds gelijk worden benaderd, ongeacht of deze kaderen in een heropbouw of niet, en ongeacht waar deze nieuwe constructies worden gebouwd (nl. op dezelfde plaats als de oorspronkelijke constructie/oppervlakte of niet). Deze nieuw gebouwde constructies als oude oppervlakte/oud gedeelte beschouwen, op voorwaarde dat ze worden gebouwd op de plaats waar voorheen een oude constructie/oppervlakte werd afgebroken, zou overigens een ongelijke behandeling in het leven roepen, met name tussen voormelde nieuwe constructies (geplaatst op dezelfde plaats als deze waar voorheen de afgebroken oude constructie stond) en nieuwe constructies die op een andere plaats worden aangebracht.
2.10 Uit aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986, meer bepaald nr. 34 en 35, blijkt dat afbraakwerken in beginsel niet kunnen genieten van het verlaagd btw-tarief, tenzij wanneer deze noodzakelijk voorafgaan aan de omvorming of de verbetering en meer algemeen aan werken die het verlaagd tarief kunnen genieten. Als bijkomend onderdeel van laatstbedoelde werken kunnen in dat geval afbraakwerken onderworpen zijn aan het verlaagd tarief.
Anders dan eiseres meent, kunnen afbraakwerken slechts van het verlaagd btw-tarief genieten indien deze kaderen in, en noodzakelijk voorafgaan aan, andere werken die het verlaagd btw-tarief kunnen genieten. Aangezien de uitgevoerde uitbreidingwerken wegens het niet vervullen van het oppervlaktecriterium niet in aanmerking komen voor het verlaagd btw-tarief van 6% geldt hetzelfde voor de hieraan noodzakelijkerwijze voorafgegane afbraakwerken.
2.11 Naar het oordeel van de rechtbank slaagt eiseres er niet in om aan te tonen dat zij voldoet aan het oppervlaktecriterium en, bij uitbreiding, aan de voorwaarden om te genieten van het verlaagd btw-tarief van 6%.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat het normale btw-tarief van 21% toepassing dient te vinden.
Gelet op het bovenstaande, dient de rechtbank niet verder in te gaan op het middel van eiseres inzake de vervulling van de structuurvoorwaarde.
2.12 Gelet op het ongelijk van eiseres dient zij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.
De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij (art. 1022, eerste lid Ger.W.). aangezien verweerder geen beroep heeft gedaan op een advocaat, maakt hij geen aanspraak op de betaling van een rechtsplegingsvergoeding.
Beschikkend gedeelte
V. Uitspraak
De rechtbank doet uitspraak op tegenspraak en in eerste aanleg.
De rechtbank wijst de vordering van cie1 af als ongegrond.
cie1 wordt veroordeeld tot de kosten van het geding. Deze dienen in hoofde van cie1 niet begroot te worden aangezien ze te haren laste blijven. In hoofde van de Belgische Staat worden deze vastgesteld op 0,00 (nul) euro.
Dit vonnis werd uitgesproken in de openbare zitting van kamer B5 van de rechtbank van eerste aanleg Leuven op vrijdag 7 november 2025.
Waar zitting namen:
GHI.ISBRECHT DEGEEST, rechter
DANIELLE DE COSTER, griffier
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.