Kwijtschelding geldboete, principieel karakter van de betwisting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 2005/6712/A 11 januari 2016

Zoeken

Kwijtschelding geldboete, principieel karakter van de betwistingKwijtschelding geldboete – principieel karakter van de betwisting

https://juriel.be/nl/rechtspraak/kwijtschelding-geldboete-principieel-karakter-betwisting-rechtbank-brussel-2016-01-11-2c4a

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Rolnummer
2005/6712/A
Datum
11 januari 2016

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gemengd

Tekst

85 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel dd. 11.01.2016 (2005/6712/A)

WF 700-15-09/067478

Belasting over de toegevoegde waarde – kwijtschelding geldboete – principieel karakter van de betwisting

Wettelijke bepalingen

art. 70, § 1, WBTW,

art. 9 van het regentsbesluit van 18/03/1831

Samenvatting

De belastingplichtige is in Nederland gevestigd. In een proces-verbaal werd vastgesteld dat de belastingplichtige geen erkenning in België heeft, hoewel zij in België btw-plichtig zou zijn voor het leveren en onderhouden van grafstenen. Bovendien zou zij in België over een verkoopruimte beschikken. De discussie omtrent waar eiseres belastingplichtig is, werd voorgelegd aan het Europees btw comité. Dit liet weten dat er inderdaad Belgische btw verschuldigd is. De vordering voor deze rechtbank werd beperkt tot de discussie over de opgelegde boete.

Volgens eisende partij betreft de onderliggende discussie hier een princieel geschil in verband met de plaats van de belastbaarheid, waarbij de Belgische en Nederlandse overheid een ander standpunt innamen. De administratie daarentegen merkt op dat nog geen betalingen werden verricht en ziet geen reden om de administratieve boete, die reeds tot het minimum werd verminderd, kwijt te schelden of met uitstel op te leggen.

Er moet worden aangenomen dat de rechtbank bij de beoordeling van een boete op basis van art. 70, § 1 WBTW een even ruime controle moet kunnen uitoefenen zoals deze bestaat in hoofde van de administratie. Art. 70, §1 en volgende WBTW moeten worden geïnterpreteerd dat de rechter met volle rechtsmacht toezicht kan uitoefenen over de kwijtschelding of vermindering van een administratieve geldboete. Hierbij moet de rechtbank kunnen nagaan of alle wettelijke bepalingen en beginselen, waaronder de evenredigheid, werden nageleefd bij het opleggen van de boete (Grondwettelijk Hof nr. 79/2008). Een andere interpretatie van deze bepaling is immers strijdig met Art. 10 en 11 van gec. G.W. en art. 6 EVRM. De omvang van de toetsingsbevoegdheid van hoven en rechtbanken moet dus even ver gaan als de wettelijke mogelijkheden die de administratie of de minister hebben om een administratieve boete kwijt te schelden, met name ook op grond van het art. 9 van het regentsbesluit van 18/03/1831.

Doordat de rechtbank gebonden is tot de mogelijkheden die de administratie heeft om de boete kwijt te schelden of te verminderen, kan deze niet om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid de boete verminderen of kwijtschelden. Er kan wel worden nagegaan of deze boete wettig is en in overeenstemming met de beginselen van behoorlijk bestuur, met name proportioneel, evenredig.

Pas na tussenkomst van de Europese Commissie werd uitgeklaard dat inderdaad Belgische btw verschuldigd was. De belastingplichtige zal de in Nederland teveel betaalde belasting dienen terug te vorderen en zal bovendien intresten dienen te dragen.

Gelet op het principiële karakter van de discussie en het feit dat de belastingplichtige aanzienlijke financiële verliezen zal lijden ingevolge de tegenstrijdige standpunten van de Nederlandse en Belgische administraties, is het opleggen van een bijkomende administratieve geldboete niet proportioneel, evenredig met de begane overtreding. Deze boete dient in zijn geheel te worden kwijtgescholden.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel

dd. 11.01.2016

(2005/6712/A)

In zake van:

De V.O.F. S. K., vennootschap naar Nederlands recht, met maatschappelijke zetel te N., … Eisende partij; Vertegenwoordigd door Mr. S. T. loco Mr H.V., advocaat met kantoor te …

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, de Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Sector BTW, in persoon van de heer e.a. inspecteur van het eerste controlekantoor van de BTW te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3504, Finance Tower - 22ste verdieping; Verwerende partij; Vertegenwoordigd door Mr. J. H., advocaat met kantoor te …

In deze zaak, in beraad genomen op 14/12/2015, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:

Gelet op:

•het tegensprekelijk verzoekschrift op grond van art. 1385decies Ger.W., neergelegd ter griffie op 01/06/2005;

•de beschikking op grond van art. 747 Ger.W. van 16/05/2014;

•de conclusies, de aanvullende conclusies en de syntheseconclusies voor de Belgische Staat, neergelegd ter griffie op respectievelijk 29/09/2014, 14/04/2015 en 10/09/2015;

•de conclusies voor eiseres, neergelegd ter griffie op 26/01/2015;

•de stukken voor eiseres, neergelegd ter griffie op 26/01/2016; en

•de stukken voor de Belgische Staat, zoals gehecht aan zijn besluiten neergelegd ter griffie op 10/09/2015.

Gehoord de raadslieden van partijen in de openbare terechtzitting van 14/12/2015, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen,

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

I. FEITEN

1. Door de diensten van verweerder (te Eupen) werd op 12/10;2004 een proces-verhaal opgesteld lastens eiseres. Hierin werd vastgesteld dat eiseres geen erkenning heeft in België in het kader van de BTW-regelgeving, hoewel zij in België BTW-plichtig zou zijn. Eiseres zou grafstenen in België leveren en onderhouden. Hiervoor is zij in België belastingplichtig en zij werd hieromtrent reeds op 05/07/2001 aangemaand. Bovendien zou eiseres sinds 16/11/2003 een verkoopruimte in België hebben. Deze vaststellingen hadden betrekking op de periode 01/01/2000 tot 31/12/2003.

Aldus werd vastgesteld dat nog verschuldigd was:

BTW: € 41.303,88

Proportionele boete: € 8.260,00

Intresten vanaf 21/01/2004 (p.m.).

Voor deze bedragen werd op 20/04/2005 een dwangbevel met referentie RCIV nr. … uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27/04/2005. (stuk 2 verweerder).

Op 01/06/2005 werd het geding aanhangig gemaakt voor deze rechtbank.

De discussie omtrent waar eiseres belastingplichtig is, werd vervolgens nog voorgelegd aan het Europees BTW comité. Dit liet op 01/02/2006 weten dat de BTW in België verschuldigd was (stuk 3 verweerder).

In de nasleep van deze beslissing, werd tussen partijen onderhandeld over de verdere afhandeling van dit dossier (met name kwijtschelding van de boete en interesten, afbetalingsregeling).

De vordering voor deze rechtbank werd aldus beperkt tot de discussie over de opgelegde administratieve boete.

II. VOORWERP VAN DE VORDERING

2. Thans vordert eiseres nog de opgelegde administratieve geldboete van € 8.260,00 kwijt te schelden, minstens met uitstel op te leggen, minstens te herleiden tot een evenredig bedrag en terugbetaling te bevelen van hetgeen ten onrechte werd betaald, meer interesten.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering en verzoekt het bestreden dwangbevel geldig te verklaren.

III. BEOORDELING

III.1. De ontvankelijkheid

3. Partijen betwisten de ontvankelijkheid van de vorderingen niet of werpen hiertoe geen specifieke middelen op, noch worden ambtshalve op te werpen gronden van niet ontvankelijkheid vastge-steld. De vorderingen zijn bijgevolg ontvankelijk.

III.2. Ten gronde

4.

4.1. Eisende partij argumenteert dat de administratieve geldboete dient te worden kwijtgescholden (punt I). De onderliggende discussie betrof immers een principieel geschil in verband met de plaats van belastbaarheid, waarbij de Belgische en NederTandse overheid een ander standpunt innamen.

Bovendien meent eiseres (punt II) dat, aangezien de administratieve geldboete een straf is, deze eventueel dient opgelegd te worden met uitstel. Minstens moet art. 70 W.BTW, in de mate deze mogelijkheid niet wordt voorzien en deze bepaling dus strijdig is met het gelijkheidsbeginsel, buiten toepassing worden gelaten.

Tot slot (punt III) vraagt eiseres dat de boete wordt verminderd tot een evenredig bedrag.

4.2. Verweerder merkt in eerste instantie op dat eiseres nog geen betalingen verrichtte. Verweerder ziet verder geen reden om dat administratieve geldboete, die reeds werd verminderd tot het minimumbedrag, kwijt te schelden of met uitstel op te leggen. Verder meent verweerder dat de verminderde geldboete niet te beschouwen is als straf.

5. Er moet aangenomen worden dat de rechtbank bij de beoordeling van een boete op basis van artikel 70, §1 W.B.T.W. een even ruime controle moet kunnen uitoefenen zoals deze bestaat in hoofde van de administratie.

Artikelen 70,§1 en volgende W.B.T.W. moeten op deze wijze geïnterpreteerd worden dat de rechter met volle rechtsmacht toezicht kan uitoefenen over de kwijtschelding of vermindering van een administratieve geldboete. Hierbij moet de rechtbank kunnen nagaan of alle wettelijke bepalingen en beginselen, waaronder de evenredigheid, werden nageleefd bij het opleggen van de boete (vgl. Grondwettelijk Hof nr. 79/2008, 15/05/2008, overweging B.8). In een andere interpretatie is deze bepaling immers niet verenigbaar met de artikelen 10 en 11 gec.G.W. en artikel 6 Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens (zie overweging B.6.2 van datzelfde arrest).

De omvang van de toetsingsbevoegdheid van de hoven en rechtbanken moet dus even ver gaan als de wettelijke mogelijkheden die de administratie of de minister hebben om een administratieve boete kwijt te schelden, met name ook op grond van artikel 9 van het regentsbesluit van 18/03/1831.

Doordat de rechtbank gebonden en beperkt is tot de mogelijkheden die de administratie heeft om de opgelegde boete kwijt te schelden of de verminderen, kan deze niet om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid de boete verminderen of kwijtschelden (vgl. o.m. Cass. 16/02/2007, rolnummers C.04.0390.N, F.06.0032.N en F.05.0015.N; Cass. 12/12/2008, FJ.F. 2009, 615 en Cass. 13/02/2.009, F.J.F. 2009, 906; voor een bespreking zie D. NORE en F. SMET, "Hof van Cassatie verduidelijkt evenredigheidstoetsing", Fiscoloog 2009, afl. 1156, 4-6 en F. SMET, "Rechterlijke controle op administratieve sancties: is de motivering van de evenredigheidstoetsing de sleutel" - noot onder Cass.13/02/2009, T.F.R. 2009, 903-909).

Er kan wel nagegaan worden of deze boete wettig is en in overeenstemming met de beginselen behoorlijk bestuur (met name proportioneel en evenredig, vgl. Brussel 21/01/2009, Fisc.Koer. 2009, p. 363 (weergave); zie F. SMETS, "Rechterlijke controle op administratieve sancties: is de motivering van de evenredigheidstoetsing de sleutel?", T.F.R. :2009, 903-909).

6. In deze blijkt dat eiseres inderdaad tussen twee vuren zat. Zowel de Nederlandse als de Belgische administratie meenden dat eiseres belastingplichtig was in respectievelijk Nederland en België. Het feit dat nadien het standpunt van de Belgische administratie het juiste bleek, doet geen afbreuk aan het feit dat eiseres, die in Nederland gevestigd was, klem zat tussen twee tegenstrijdig optredende administraties. Pas na tussenkomst van de Europese Commissie werd deze discussie uitgeklaard. Dat deze discussie uitgeklaard is, betekent niet dat voor eiseres hiermee alle problemen opgelost zijn. Zij zal nog de nodige kosten dienen te maken om de in Nederland betaalde belasting terug te vorderen en zal het verlies moeten dragen van de te weinig aangerekende BTW (het tarief in Nederland was lager). Bovendien zal eiseres de interesten dienen te dragen.

Gelet op het principiële karakter van de discussie en het feit dat eiseres hoe dan ook aanzienlijke financiële verliezen zal lijden ingevolge de tegenstrijdige standpunten die werden ingenomen door de Nederlandse en Belgische administraties, is het opleggen van een bijkomende administratieve geldboete niet proportioneel en evenredig met de begane onregelmatigheid. Deze administratieve geldboete dient in zijn geheel te worden kwijtgescholden.

Aangezien klaarblijkelijk nog geen bedragen werden betaald, is er evenwel geen reden om verweerder te veroordelen tot terugbetaling van de reeds betaalde geldboete.

7. Voor het overige kan het uitgevaardigde dwangbevel geldig worden verklaard.

IV. DE KOSTEN

8. De vordering van eiseres is deels gegrond (enkel de administratieve geldboete stond nog ter discussie) terwijl de tegeneis ook deels gegrond is, zodat het raadzaam voorkomt partijen elk te veroordelen tot de helft van de kosten van het geding.

Eiseres begroot de gevorderde rechtsplegingsvergoeding op € 990,00. Verweerder begroot deze op € 5.500,00 doch meent, verwijzende naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, dat geen rechtsplegingsvergoeding kan verschuldigd zijn.

Wat betreft de discussie over het al dan niet van toepassing zijn van art. 1022 Ger.W. in fiscale geschillen heeft het Grondwettelijk Hof uitspraak gedaan in het arrest met nummer 70;2015 van 21/05/2015. Hierin werd geoordeeld dat art. 1022 Ger.W. in de mate dat rechtsplegings-vergoedingen kunnen vastgesteld worden ten bate of ten laste van een overheid die optreedt in het kader van een (niet strafrechtelijk) fiscaal contentieux, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Deze bepaling kan in deze dus onverkort toegepast worden.

De vordering is in geld waardeerbaar. De omvang van de vordering wordt bepaald met toepassing van art. 667 tot 562 Ger.W. en 618 Ger.W. (art. 2, al. 2 K.B. 26/10/2007), Ingevolge art. 618 Ger.W. wordt, indien de vordering in de loop van het geding wordt gewijzigd, de in laatste conclusie genomen som als uitgangspunt genomen. Bijgevolg is de rechtsplegingsvergoeding te begroten op grond van de nog bestreden administratieve geldboete en bedraagt deze dus €990,00.

Verweerder stelt wel een tegeneis in om het dwangbevel geldig te horen verklaren, doch vordert hieromtrent geen afzonderlijke rechtsplegingsvergoedlng. Dit is bijgevolg geen reden om af te wijken voor voorgaand bedrag.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 3, 4, 30, 34, 36, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de hoofdeis van eiseres ontvankelijk en als volgt gegrond,

Beveelt de kwijtschelding van de in het dwangbevel met referentie RCIV nr. 304/1029/06106, uitgevaardigd op 20/04/2005 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27/04/2005, opgelegde administratieve geldboete van € 8.260,00, alsmede alle interesten die hierop betrekking hebben,

Verklaart de tegeneis van verweerder ontvankelijk en als volgt gegrond,

Zegt dat in het dwangbevel met referentie RCIV nr…., uitgevaardigd op 20/04/2005 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27/04/2005, geldig is, behoudens de hoger aangehaalde administratieve geldboete en de interesten die hierop betrekking hebben,

Veroordeelt partijen elk tot de helft van de kosten van het geding en begroot deze kosten als volgt:

- Belgische Staat: € 990,00 (rechtsplegingsvergoeding], en

- Eiseres: € 990,00 (rechtsplegingsvergoeding),

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 335te kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 11 januari 2016.

Waar aanwezig waren en zitting namen:

De heer J.V.B.: rechter,

De heer G. S.: afgevaardigd griffier.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 704 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8