Tekst van de beslissing
Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd. 04.06.2003
Kosten van onthaal - Reclamekosten - Opendeurdag
Krachtens artikel 45, § 3, 4° van het W.BTW komt de belasting ter zake van kosten van onthaal niet in aanmerking voor aftrek. Onder deze bepaling vallen niet de kosten die zijn gemaakt in het kader van opendeurdagen van een garagehouder. Dergelijke kosten moeten worden beschouwd als publiciteitskosten, vermits er tijdens deze dagen een boodschap werd overgebracht aan de reeds bestaande of potentiële klanten waarbij de kwaliteit van de tentoongestelde of beschikbare voertuigen uitdrukkelijk werden aangeprezen. De versnaperingen, drank en animatie die tijdens de opendeurdagen werden aangeboden aan bezoekers, klanten en potentiële klanten zijn enkel bedoeld om een aangenaam kader te creëren met het oog op de verkoop van de wagens tijdens deze opendeurdagen. De BTW van deze publiciteitskosten is derhalve aftrekbaar.
Rechter, voorzitter van de kamer: M. Boeynaems
Rechters: M. Wolles, M. Verschueren
Advocaten: Mr. Bollingh loco Mr. Van Belle, Mr. Vandenhouten loco Mr. Lecoutre
N.V. Garage O.R.
tegen
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m.:
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder M. Vergauwen in vervanging van gerechtsdeurwaarder R. Vandenhende te Antwerpen op 20 juni 2001,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 18 november 2002,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 7 mei 2003.
De vordering strekt ertoe:
- verwerende partij vervolgens te horen veroordelen tot integrale terugbetaling van alle B.T.W., interesten en boeten ten bedrage van 1.806,62 EUR welke door eisende partij ten onrechte werden voldaan, te vermeerderen met de moratoire interesten;
- dienaangaande teruggave te bevelen van de door eisende partij onder alle voorbehoud van recht betaalde B.T.W. als gevolg van de d.d. 17 juli 2000 verrichte afstand van belastingtegoed met betrekking tot de navorderingen van B.T.W. zoals vermeld in bijlage A5 van de lastens haar opgestelde correctieopgave d.d. 13 juli 1999 en het proces-verbaal d.d. 16 mei 2000;
- te zeggen voor recht dat eisende partij deze bedragen niet verschuldigd is en verwerende partij te horen veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en toegerekend werden op de sommen vermeld in het proces-verbaal, en dit met vermeerdering van de moratoire interesten, overeenkomstig artikel 41 W.B.T.W.;
- ondergeschikt, alvorens recht te doen, een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie, welke luidt als volgt:
«1) Kan artikel 17 lid 6 van de zesde richtlijn van de Raad d.d. 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting-gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (77/388/EEG) in die zin worden uitgelegd dat de lidstaten de uitsluitingen waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van deze richtlijn voorzag, nu niet meer kunnen handhaven om de reden dat de Raad, op voorstel van de Commissie, niet uiterlijk binnen de vier jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn heeft bepaald voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde bestaat?
2) Kan artikel 17 lid 6 van de genoemde richtlijn in die zin worden uitgelegd dat het een lidstaat veroorlooft diensten die worden verricht in het kader van een public relationsmanifestatie, waarbij aan de bezoekers van een opendeurdag van een garagehouder, tijdens een evenement waarbij drank, voeding en animatie aan dit publiek wordt aangeboden, aan te merken als «uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie», die in elk geval van het recht op aftrek uitgesloten zijn?
3) Kan artikel 17 lid 6 van de genoemde richtlijn in die zin worden uitgelegd dat het een lidstaat veroorlooft diensten die worden verricht in het kader van een public relationsmanifestatie, waarbij tijdens een opendeurdag aan klanten en potentiële klanten van een garagehouder, tijdens een evenement waarbij drank, voeding en animatie aan dit publiek worden aangeboden, aan te merken als «uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie», die in elk geval van het recht op aftrek uitgesloten zijn?»
- verwerende partij te horen veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding;
- het tussen te komen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
1. Feiten
Eisende partij is kleinhandelaar in motorvoertuigen. Op 20 april 1999 vond een controle plaats bij eisende partij door mevrouw K., eerstaanwezend verificateur, met betrekking tot de toepassing van de wetgeving en reglementering betreffende de B.T.W. voor de periode 1 januari 1996 tot en met 31 december 1997.
Ingevolge deze controle werd ten laste van eisende partij een correctieopgave opgesteld die haar per brief van 13 juli 1999 werd toegezonden.
Ingevolge voormelde correctieopgave zou eisende partij volgende bedragen verschuldigd zijn:
B.T.W.: 450.659,- BEF
Verminderde geldboeten: 45.000,- BEF
Wettelijke interesten vanaf 21 januari 1998
Bij brief van 11 augustus 1999 verklaarde eisende partij zich slechts gedeeltelijk akkoord met de voorgestelde regularisatie. Met een bedrag van 57.583,- BEF aan B.T.W. opgenomen onder bijlage A5 van de correctieopgave, werd niet akkoord gegaan.
Eisende partij betwistte de zienswijze van verwerende partij, die de aftrek van B.T.W. op basis van artikel 45 § 3, 4° B.T.W.-wetboek niet aanvaardde met betrekking tot kosten van onthaal die volgens eisende partij te kwalificeren zijn als kosten van publiciteit.
Op 28 maart 2000 werd de correctieopgave door eisende partij teruggezonden, getekend voor gedeeltelijk akkoord.
Voor het bedrag van 57.583,- BEF aan B.T.W. bleef de betwisting bestaan en werd wegens niet akkoord op 16 mei 2000 door mevrouw K., eerstaanwezend verificateur, een proces-verbaal opgemaakt, dat op dezelfde datum aangetekend werd verzonden aan eisende partij.
In dit proces verbaal werden volgende verschuldigde bedragen opgenomen:
B.T.W.: 57.583,- BEF
Verminderde geldboeten: 2.800,- BEF
Wettelijke interesten vanaf 21 januari 1988
Op 22 mei 2000 werd een betalingsbericht verzonden aan eisende partij die op 6 juni 2000 aan verwerende partij liet weten het verschuldigde bedrag te betwisten en niet spontaan tot betaling over te gaan.
Op 12 juli 2000 heeft de raadsman van eisende partij een onderhoud met de heer Derycker, eerstaanwezend inspecteur diensthoofd die het standpunt van verwerende partij bevestigt en hem dit schriftelijk ter kennis brengt.
Op 17 juli 2000 verklaart eisende partij zich akkoord met de verwerping van de afgetrokken B.T.W. op volgende facturen vermeld in het proces-verbaal:
factuur 94/1996 W.B.: 5.761,- BEF B.T.W.
factuur 1552/1996 K.B.: 857,- BEF B.T.W.
totaal: 6.618,- BEF B.T.W.
Op 17 juli 2000 ondertekent eisende partij onder alle voorbehoud van recht en zonder enige nadelige erkentenis een afstand van belastingtegoed. Ingevolge deze verklaring wordt een tegoed van eisende partij ingevolge een aanslag in de vennootschapsbelasting met kohierartikel 802001 van 72.879,- BEF afgestaan ten voordele van de B.T.W.-administratie ingevolge de vermeende verschuldigde bedragen opgenomen in het proces-verbaal d.d. 16 mei 2000 en het betalingsbericht van 22 mei 2000.
Op 20 juni 2001 werd verwerende partij door eisende partij gedagvaard in teruggave van de door haar aan verwerende partij betaalde sommen ingevolge het proces-verbaal van 16 mei 2000.
2. Beoordeling
Het verzet is tijdig en regelmatig naar vorm en er worden noch door partijen redenen van ontoelaatbaarheid opgeworpen, noch worden er door de rechtbank ambtshalve op te werpen redenen van ontoelaatbaarheid vastgesteld, zodat het verzet toelaatbaar is.
Ten gronde
Verwerende partij stelt dat de B.T.W. van de in het PV van 16 mei 2000 opgenomen facturen door verwerende partij ten onrechte in aftrek werd genomen daar deze B.T.W. niet in aanmerking komt voor aftrek voornamelijk op basis van artikel 45 § 3, 4° W.B.T.W.
Artikel 45 § 3, 4° W.B.T.W. luidt als volgt: «Vooraftrek komt niet in aanmerking de belasting ter zake van: kosten van onthaal».
De discussie tussen partijen behelst de interpretatie van de door eisende partij gemaakte kosten in het kader van opendeurdagen en de daarop betrekking hebbende facturen.
Eisende partij is van oordeel dat de betwiste facturen geen betrekking hebben op onthaal activiteiten doch wel op publiciteitskosten.
In artikel 17/6, van de Zesde Europese Richtlijn wordt onder meer bepaald dat uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, in elk geval van het recht op aftrek uitgesloten zijn.
Volgens eisende partij volgt daaruit dat er een onderscheid dient gemaakt te worden tussen uitgaven met een professioneel karakter en uitgaven voor ontspanning en representatie, waardoor het toepassingsgebied van het begrip kosten van onthaal dient beperkt te worden tot de kosten die ten behoeve van klanten of gasten worden gemaakt, zonder dat een ander voordeel wordt nagestreefd dan het creëren van een algemeen gunstige atmosfeer ten overstaan van de onderneming.
Eisende partij stelt verder terecht dat uitgaven die een directe verkoop beogen of die worden gemaakt met het oog op publiciteit voor welbepaalde producten een strikt professioneel karakter hebben en publiciteitskosten zijn.
De uitgaven werden volgens eisende partij in casu gemaakt naar aanleiding van een aantal opendeurdagen die plaatsvonden in 1996 en 1997. Deze opendeurdagen hebben tot doel de voertuigen van het merk Renault te promoten met het oog op verkoop. Tijdens de opendeurdagen bij eisende partij worden er drankjes, versnaperingen en animatie aangeboden aan de bezoekers.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat de kosten die gemaakt zijn in het kader van de opendeurdagen van een garagehouder, moeten beschouwd worden als publiciteitskosten en niet als kosten van onthaal, vermits er tijdens deze dagen een boodschap werd overgebracht aan de reeds bestaande of potentiële klanten waarbij de kwaliteiten van de tentoongestelde of beschikbare voertuigen uitdrukkelijk werden aangeprezen. De versnaperingen, drank en animatie die tijdens de opendeurdagen werden aangeboden aan de bezoekers, klanten en potentiële klanten, waren enkel bedoeld om een aangenaam kader te creëren met het oog op de verkoop van de wagens tijdens deze opendeurdagen. Bijgevolg waren de opendeurdagen een activiteit met een publicitair karakter.
De B.T.W. van de voormelde publiciteitskosten is derhalve aftrekbaar in zoverre wordt aangetoond door eisende partij dat de door haar voorgelegde facturen werkelijk betrekking hebben op opendeurdagen.
Op verzoek van de rechtbank kon eisende partij geen enkele uitnodiging betreffende de beweerdelijk gehouden opendeurdagen voorleggen, noch informatie verstrekken betreffende de wijze waarop de uitnodigingen werden verstuurd voor de opendeurdagen en aan wie deze uitnodigingen werden verstuurd.
In casu is er echter geen discussie tussen partijen betreffende het feit dat volgende facturen, waarvan de B.T.W. in aftrek werd genomen, betrekking hebben op door eisende partij georganiseerde opendeurdagen in januari en september van het jaar 1996 en 1997:
factuur nummer 115 d.d. 24 januari 1996 van p. & D. waarvan de B.T.W. 12.789,- BEF bedraagt
factuur nummer 1608 d.d. 22 september 1996 van Bakkerij C. waarvan de B.T.W. 2.811,- BEF bedraagt
factuur nummer 1610 d.d. 24 september 1996 van p. & D. waarvan de B.T.W. 1.020,- BEF bedraagt
factuur nummer 51 d.d. 12 januari 1997 van F.W. waarvan de B.T.W. 3.885,- BEF bedraagt
factuur nummer 52 d.d. 12 januari 1997 van Bakkerij D. waarvan de B.T.W. 550,- BEF bedraagt
factuur nummer 80 d.d. 17 januari 1997 van P.R. waarvan de B.T.W. 652,- BEF bedraagt
factuur nummer 1727 d.d. 22 september 1997 van A. waarvan de B.T.W. 510,- BEF bedraagt
factuur nummer 1733 d.d. 22 september 1997 van L. waarvan de B.T.W. 7.833,- BEF bedraagt
factuur nummer 1746 d.d. 25 september 1997 van p. & D. waarvan de B.T.W. 6.958,- BEF bedraagt
Bijgevolg is de B.T.W. van de bovenvermelde facturen aftrekbaar gelet op het feiten dat de rechtbank van oordeel is dat het in casu publiciteitskosten betreft.
Het totaal van de regelmatig in aftrek genomen B.T.W. bedraagt derhalve: 37.008,- BEF ofwel 917,40 euro.
De boete op dit bedrag is 37.008 × 5 % = 1.850,40,- BEF ofwel 45,87 euro.
De vermeldingen op de overige door eisende partij voorgelegde facturen wijzen op activiteiten van onthaal, zonder dat deze gerelateerd kunnen worden aan een opendeurdag, zodat deze niet in aanmerking komen voor recht op aftrek van de B.T.W. krachtens artikel 45 § 3, 4° W.B.T.W.
Verwerende partij stelt terecht dat ten aanzien van factuur nummer 363 van 27 februari 1997 ten bedrage van 775,- BEF verhoogd met 163,- BEF B.T.W. het probleem van de onthaalkost zich niet stelt daar deze factuur de aankoop betreft van Brandewijn en Bacardi, zijnde geestrijke dranken. Deze factuur komt niet in aanmerking voor aftrek van de B.T.W. krachtens artikel 45 § 3, 2° W.B.T.W.
Bijgevolg werd een bedrag van 20.575,- BEF ofwel 510,04 euro aan B.T.W. ten onrechte in aftrek genomen door eisende partij zodat de vordering van eisende partij slechts gedeeltelijk gegrond voorkomt.
Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad
Krachtens artikel 92 bis van het B.T.W.-wetboek schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing.
Beschikkend gedeelte
Om deze redenen
De Rechtbank
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Na erover beraadslaagd te hebben.
Verklaart de vordering van eisende partij toelaatbaar doch slechts gegrond als volgt:
Zegt voor recht dat eisende partij het bedrag van 917,40 EUR aan B.T.W., en 45,87 EUR aan boeten te vermeerderen met de wettelijke interesten sedert 21 januari 1998 niet verschuldigd is,
Veroordeelt verwerende partij tot integrale terugbetaling van alle bovenvermelde bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden, en dit te vermeerderen met moratoire interesten.
Veroordeelt partijen elk tot de helft van de kosten van het geding in hoofde van eisende partij begroot en door de rechtbank vereffend.
In hoofde van verwerende partij begroot en door de rechtbank vereffend.
Wijst het meer en anders gevorderde af.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.