Intresten, Neutraliteitsbeginsel, Evenredigheidsbeginsel, Gelijkheidsbeginsel, Onverschuldigde betaling, interest · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 9 augustus 2024

Zoeken

Intresten, Neutraliteitsbeginsel, Evenredigheidsbeginsel, Gelijkheidsbeginsel, Onverschuldigde betaling, interest

https://juriel.be/nl/rechtspraak/intresten-neutraliteitsbeginsel-evenredigheidsbeginsel-rechtbank-brussel-2024-08-09-eccc

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
9 augustus 2024

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

153 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel d.d. 09.08.2024

Titel van het document

Vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel dd. 09.08.2024 - 2023/488/A

Gunstig vonnis

Trefwoorden Geschillen

Belasting over de toegevoegde waarde – Intresten – Neutraliteitsbeginsel – Evenredigheidsbeginsel – Gelijkheidsbeginsel - Onverschuldigde betaling

Wettelijke bepalingen

Artikel 91 WBTW

Artikel 273 btw-richtlijn 2006/112/EG

Artikel 172 van de Grondwet

Artikel 5135 BW (oud)

Samenvatting van het vonnis/het arrest

1. Feiten en voorgaande procedure

De belastingplichtige diende een spontaan verzoek tot rechtzetting in voor ten onrechte in aftrek gebrachte btw. Zij verzocht hierbij dat er geen toepassing zou worden gemaakt van de aanvullende verjaringstermijn en dat er geen boeten noch intresten zouden aangerekend worden.

De administratie besliste de rechtzetting door te voeren zonder een boete aan te rekenen maar wel de intresten.

2. Het vonnis

a. Strijdigheid met het neutraliteitsbeginsel

De rechtbank oordeelt dat niet voldaan is aan de materiële voorwaarden voor de aftrek van de voorbelasting en dat het aanrekenen van de intresten onder deze voorwaarden niet strijdig is met het neutraliteitsbeginsel.

b. Schending van he evenredigheidsbeginsel

De intrest opgelegd conform artikel 91 van het Btw-wetboek kan niet worden beschouwd als een strafsanctie — zoals bijvoorbeeld wel het geval is bij een boete — en een intrestvoet van 0,8 % per maand kan niet als onevenredig worden beschouwd. Er ligt dan ook geen schending voor van het evenredigheidsbeginsel, al dan niet in samenhang genomen met artikel 273 van de btw-richtlijn.

c. Schending van het gelijkheidsbeginsel (artikel 172 van de Grondwet)

De rechtbank stelt vast dat de intrest die is aangerekend aan eiseres voortvloeit uit artikel 91 van het Btw-wetboek en de rechtbank deze bepaling niet terzijde kan schuiven wegens een schending van het gelijkheidsbeginsel dat gewaarborgd wordt door de Grondwet (zie de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet). Het komt in de situatie die voorligt —en zoals ook aangegeven ter zitting door de rechtbank - in beginsel aan het Grondwettelijk Hof toe na te gaan of een schending voorligt van het gelijkheidsbeginsel. Eiseres vraagt evenwel niet om een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof en de rechtbank ziet geen redenen om dit ambtshalve te doen.

d. Ongerechtvaardigde verrijking

De belastingplichtige staaft dit niet met bewijskrachtige gegevens.

e. De bevoegdheid van de rechter om nalatigheidsinterest te verminderen of ongedaan te maken

In tegenstelling tot wat eiseres laat uitschijnen, blijkt niet dat de rechtbank de mogelijkheid heeft om de aangerekende nalatigheidsintrest te matigen of hiervan vrijstelling te verlenen.

Opmerking

De belastingplichtige heeft berust in het vonnis.

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

In de zaak van:

De NV C.W., met ondernemingsnummer 04…20, met zetel te …,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. W.H., advocaat met kantoor te 1050 Brussel,…

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, F.O.D. Financiën, 0308.357.159, vertegenwoordigd door de

minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op verzoek van de adviseur-generaal, directeur van het Centrum Grote Ondernemingen Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiélei 4,

verweerder,

vertegenwoordigd door mevrouw F.D., Adviseur

In deze zaak, in beraad genomen op 17 juni 2024, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit:

I. PROCEDURE

De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van:

•het verzoekschrift, elektronisch neergelegd op 10 februari 2023,

•de beschikking conform artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek van 21 april 2023,

•de syntheseconclusie voor eiseres, elektronisch neergelegd op 12 januari 2024,

•de syntheseconclusie voor verweerder, elektronisch neergelegd op 29 maart 2024,

•de stukken van de partijen.

De raadsman van eiseres en mevrouw F.D. zijn gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 17 juni 2024. Vervolgens zijn de debatten gesloten en is de zaak in beraad genomen.

II. FEITEN

Op 19 oktober 2020 dient eiseres bij verweerder een spontaan verzoek tot rechtzetting in tot regularisatie van ten onrechte in aftrek genomen btw. Samengevat zet eiseres in het verzoek uiteen dat zij 'op of rond' 30 september 2020 tot de bevinding is gekomen dat zij niet langer gerechtigd is btw in aftrek te brengen die aan de NV KBC I. (hierna: KBC) is betaald in het kader van een financiële leasingovereenkomst van 11 mei 2007 met betrekking tot een terrein en een nieuw op te richten kantoorgebouw en opslagplaats te

Machelen, Zaventemsesteenweg 166. Dit zou blijken uit het feit dat de aankoopoptie in de leasingovereenkomst reeds op 29 december 2008 is overgedragen aan een derde partij, met name de NV BPA.

Eiseres vraagt, rekening houdend met het spontane verzoek en het feit dat de overdracht

op 29 december 2008 haar niet eerder bekend was, dat:

geen toepassing wordt gemaakt van de aanvullende verjaringstermijn van 4 jaar

(en aldus een beperking tot de periode 2017-2020),

geen boeten worden opgelegd,

geen intrest wordt toegepast conform 'ex artikel 84 bis BTW Wetboek'.

Op 9 november 2020 beslist verweerder dat de rechtzetting kan worden verleend. De te regulariseren btw wordt beperkt tot de periode 2017-2020 (264.408,03 euro) en er worden geen boeten opgelegd, doch er is een intrest verschuldigd van 48.943,27 euro (periode 2017-2020).

Eiseres richt op 19 januari 2021 een brief aan verweerder waarin zij samengevat uiteenzet dat de Belgische staat geen schade heeft geleden omdat de btw die zij heeft afgetrokken voor een bedrag van 264.408,03 euro daadwerkelijk is betaald door KBC, de door eiseres betaalde intrest van 48.943,27 euro bijgevolg een onverschuldigde betaling is ais bedoeld in artikel 1376 van het Oud Burgerlijk Wetboek en hiervan de terugbetaling wordt gevraagd.

Op 24 februari 2021 wijst verweerder de vraag tot terugbetaling af.

Een verzoek tot kwijtschelding van de intrest, ingediend door eiseres op 25 februari 2021, wordt door verweerder verworpen op 16 april 2021.

Op 10 februari 2023 dient eiseres een vordering in bij deze rechtbank.

III. VORDERING

Eiseres vordert het volgende in haar syntheseconclusie:

"De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

De beslissingen van de dienst "sectorcoördinatie" van 9 november 2020 en 24 februari 2021 te hervormen;

De terugbetaling te bevelen — al dan niet via het credit van de rekening-courant btw van eiseres — van, in hoofdsom, de onterecht opgelegde en door eiseres betaalde nalatigheidsinteresten ten bedrage van 48.913,27 EUR;

De Belgische Staat te veroordelen tot het vergoeden aan eiseres van:

(i) moratoire interest op de som die door de Belgische Staat in hoofdsom

terugbetaald moet worden vanaf de ingebrekestelling van de Belgische Staat

op 19 januari 2021 tot de dag voor de neerlegging van eiseres' verzoekschrift (13 februari 2023), en

(ii) gerechtelijke interest op de sommen die haar door de Belgische Staat

terugbetaald moeten worden vanaf de dag van neerlegging van eiseres' verzoekschrift op 13 februari 2023 tot de dag van effectieve terugbetaling van het betwiste bedrag in hoofdsom aan eiseres;

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, daaronder begrepen de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 3.500 EUR (drieduizend vijfhonderd euro), zijnde het basisbedrag voor het in geld waardeerbare belang dat in deze zaak aan de orde is, nl. 48.943,27 EUR (d.i. tussen 40.000,01 EUR en 60.000 EUR)."

Verweerder vraagt het volgende in zijn syntheseconclusie:

"In hoofdorde

Het verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

De vordering van eiseres af te wijzen;

Eiseres tot de kosten te veroordelen.

De in rooster 61 van de btw-aangifte over oktober 2020 opgenomen interesten

mogen/kunnen niet kwijtgescholden worden. Noch de 'gewestelijke directeur' (thans:

Administrateur-generaal) verbonden aan de Algemene Administratie van de Fiscaliteit,

noch een rechter zijn bevoegd om vrijstelling van interesten op belastingen te verlenen.

In ondergeschikte orde

Indien geoordeeld wordt dat dit bedrag aan interesten (al dan niet deels) moet kwijtgescholden worden, mogen geen moratoriuminteresten toegekend worden.

Evenmin mag gerechtelijke interest toegekend worden.

In uiterst ondergeschikte orde:

Indien er wordt besloten dat interesten op interest toegekend dient te worden, mag deze slechts aangerekend worden vanaf het neerleggen van het verzoekschrift voor deze Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg (te) Brussel en tegen de voorwaarden zoals ze op die dag werden bepaald in het Btw-Wetboek."

IV. BEOORDELING

Ontvankellikheld

Tussen de partijen is geen betwisting over de ontvankelijkheid van de vordering. De rechtbank ontwaart geen ambtshalve op te werpen gronden tot niet-ontvankelijkheid.

Voorwerp vordering

Het voorwerp van de vordering van eiseres betreft de intrest die is aangerekend in het kader van de rechtzetting van de ten onrechte in aftrek genomen btw voor de periode 2017-2020, met name een bedrag van 48.943,27 euro. In het bijzonder viseert eiseres hierbij de beslissingen van verweerder van 9 november 2020 en 24 februari 2021. Ter zitting bevestigt eiseres op vraag van de rechtbank dat haar vordering niet is gericht tegen de beslissing van 16 april 2021 waarbij haar verzoek tot kwijtschelding (vrijstelling) van de intrest is afgewezen.

Ten gronde

Eerste middel — schending van het neutraliteitsbeginsel

Uit de uiteenzetting van eiseres leidt de rechtbank af dat zij van oordeel is dat artikel 91 van het Btw-wetboek — dat bepalingen over de nalatigheidsintrest bevat - strijdig is met het Europeesrechtelijke neutraliteitsbeginsel. Eiseres stelt hieromtrent onder meer het volgende:

"Daar er in onderhavig geval geen btw verschuldigd was op de facturen m.b.t. de Onroerende Leasing, volstaat het niet alleen om deze door KBC ten onrechte gefactureerde en door eiseres ten onrechte betaalde btw te regulariseren — deze btw werd door verweerder aan KBC terugbetaald zonder moratoire interest en vervolgens 1-op-1 door KBC aan eiseres doorbetaald. Verweerder dient ook de aanzienlijke nalatigheidsinterest die hij geïnd heeft ongedaan te maken. De bijzaak dient hier de hoofdzaak te volgen. Indien 264.408,03 EUR onterecht betaalde btw terugbetaald wordt maar 48.943,27 EUR interest niet, kan moeilijk volgehouden worden dat voldaan is aan het neutraliteitsbeginsel. Zoals in volgende middelen toegelicht zal worden, was er voor verweerder geen aanleiding om zich de nalatigheidsinterest toe te eigenen, aangezien de Belgische Staat nooit de hoofdsom van 264.408,03 EUR heeft moeten derven omdat KBC dit bedrag bij het verstrijken van elk kwartaal aangegeven en (ten onrechte) betaald heeft aan de Belgische Staat. Als de Belgische Staat geen moratoriuminteresten heeft vergoed aan KBC, heeft hij ook geen recht op nalatigheidsinterest vanwege eiseres; het omgekeerde zou een aanfluiting zijn van het neutraliteitsbeginsel."

Het komt de rechtbank toe de bepalingen van nationaal recht gemeenschapsrechtconform uit te leggen en toe te passen en, wanneer een dergelijke gemeenschapsrechtconforme uitlegging onmogelijk is, waar het gaat om verdragsbepalingen die voor particulieren rechten doen ontstaan welke zij in rechte geldend kunnen maken en welke de nationale rechter dient te handhaven, elke daarmee strijdige bepaling van nationaal recht buiten toepassing te laten (vgl. HvJ nr. C-208/05, 11 januari 2007, ITC Innovative Technology Center GmbH).

Het basisbeginsel van neutraliteit verlangt dat aftrek van voorbelasting wordt toegestaan indien de materiële voorwaarden daartoe zijn vervuld, ook wanneer een belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde formele voorwaarden (vgl. HvJ nr. C-247/21, 8 december 2022, Luxury Trust Automobil GmbH). Het neutraliteitsbeginsel is een basisbeginsel van het op Europees niveau ingevoerde gemeenschappelijke Btw-stelsel. Een toepassing van het neutraliteitsbeginsel kan ertoe leiden dat nationale bepalingen (formele en/of materiële wetten) buiten toepassing moeten worden gelaten.

Uit de voorgelegde gegevens blijkt — en dit wordt in wezen ook niet betwist door eiseres — dat niet voldaan is aan de materiële voorwaarden voor de aftrek van de voorbelasting in de periode 2017-2020. Verweerder kan voor deze periode dan ook intrest aanrekenen conform artikel 91 van het Btw-wetboek. Het aanrekenen van een intrest conform deze wettelijke bepaling is in de voorliggende omstandigheden niet strijdig met het neutraliteitsbeginsel.

De vraag of en in welke mate de door KBC doorgestorte/gecompenseerde btw wordt terugbetaald door verweerder, of hierbij moratoriumintrest wordt betaald aan KBC - waarover geen concrete gegevens voorliggen -, en of KBC de betaalde moratoriumintrest vervolgens doorstort naar eiseres is in het licht van het neutraliteitbeginsel irrelevant.

Het eerste middel is ongegrond.

Tweede middel — schending van het evenredigheidsbeginsel

Samengevat voert eiseres in een tweede middel aan dat artikel 273 van de richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en het evenredigheidsbeginsel zich ertegen verzetten dat een sanctie wordt opgelegd aan een belastingplichtige die een verkeerde inschatting maakt van de belastbaarheid van een handeling terwijl er geen aanwijzingen zijn voor fraude en de schatkist geen inkomensverlies heeft geleden.

Krachtens artikel 91, § 1, Btw-wetboek is eiseres van rechtswege een interest van 0,8 pct. per maand verschuldigd.

Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 24 maart 2023 (AR F.21.0076.N) onder meer het volgende geoordeeld over deze wetsbepaling:

"Tweede middel

Tweede onderdeel

3.Krachtens artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartUdige rechterlijke instantie welke bij wet is bepaald.

4. De omstandigheid dat een fiscale sanctie of het opleggen van een bijzondere belasting internrechtelijk niet ais strafrechtelijk wordt gekwalificeerd, sluit niet uit dat die maatregel strafrechtelijk van aard kan zijn in de zin van artikel 6.1 EVRM. Dit is het geval indien (i) de overtreden bepaling gericht is tot aile burgers in hun hoedanigheid van belastingplichtige, (ii) de opgelegde sanctie of bijzondere belasting niet alleen een vergoedende functie heeft, maar in wezen een preventief en bestraffend doel heeft en (iii) de zwaarte van de sanctie of bijzondere belasting aanzienlijk is.

5.Krachtens artikel 91, § 1, Btw-wetboek, zoals hier van toepassing, is een interest van 0,8 pct. per maand van rechtswege verschuldigd wanneer de belasting niet is voldaan binnen de in deze wetsbepaling nader omschreven termijnen.

6. De interest inzake btw heeft enerzijds een vergoedende functie en moet anderzUds de belastingplichtige ertoe aanzetten de verschuldigde btw tijdig aan de Schatkist over te maken, waarbij dient te worden voorkomen dat de belastingplichtige zichzelf ten nadele van de Schatkist krediet toekent door de verschuldigde btw niet door te storten. Zij strekt er niet toe te straffen en herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen.

Dat de interest inzake btw hoger ligt dan de wettelijke rentevoet, doet daaraan geen afbreuk gelet op de bedoeling om ook ontradend te werken en te voorkomen dat de belastingplichtige zichzelf ten nadele van de Schatkist krediet toekent.

Derhalve is de interest inzake btw geen strafsanctie in zin van artikel 6 EVRM.

7.Het onderdeel dat berust op een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Eerste onderdeel

8.Krachtens artikel 1, eerste lid, Eerste Aanvullende Protocol EVRM hebben aile natuurlijke of rechtspersonen recht op het ongestoord genot van hun eigendom en kan niemand van zijn eigendom beroofd worden behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de aigemene beginselen van het internationaal recht.

Krachtens het tweede lid van die verdragsbepaling zullen de voorgaande bepalingen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

9.Een belasting vormt in beginsel een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Die inmenging is enkel verenigbaar met dat recht indien ze een redelijk verband van evenredigheid heeft tot het nagestreefde doel, dit wil zeggen indien ze het billijke evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van dat recht niet verbreekt. Ofschoon de fiscale wetgever over een ruime beoordelingsmarge beschikt, schendt een belasting bijgevolg dat recht, indien ze op de belastingplichtige een buitengewone fast doet wegen of fundamenteel afbreuk doet aan zijn financièle situatie.

10.Een interestvoet inzake btw van 0,8 pct. per maand, zoals bepaald in artikel 91, § 1, 8tw-wetboek, is niet onevenredig tot het door de wetgever nagestreefde doel zoals blijkt uit randnummer 6.

11.Het onderdeel dat op een tegenovergestelde rechtsopvatting berust, faalt naar recht

(..)"

De rechtbank sluit zich aan bij de zienswijze van het Hof van Cassatie. Hieruit volgt dat de intrest opgelegd conform artikel 91 van het Btw-wetboek niet kan worden beschouwd ais een strafsanctie — zoals bijvoorbeeld wel het geval is bij een boete — en een intrestvoet van 0,8 % per maand niet ais onevenredig kan worden beschouwd.

Er ligt dan ook geen schending voor van het evenredigheidsbeginsel, al dan niet in samenhang genomen met artikel 273 van de btw-richtlijn.

Voor zover ais nodig merkt de rechtbank op dat het aanrekenen van een intrest van 0,8 % per maand in de concrete voorliggende omstandigheden, waarbij de periode waarin btw

en intrest is aangerekend is beperkt tot 2017-2020, niet verder gaat dan noodzakelijk is ter waarborging van de juiste inning van de belasting en ter voorkoming van fraude.

Het tweede middel is ongegrond.

Derde middel — schending van het gelijkheidsbeginsel (artikel 172 van de Grondwet)

Volgens eiseres is het gelijkheidsbeginsel geschonden omdat "(...)het tarief van de nalatigheidsinteresten inzake btw in de betrokken periode 9,6% per jaar bedroeg, terwijl dat inzake directe belastingen sinds 2017 slechts 4% en dat inzake douane- of invoerrechten zelfs slechts 2% bedraagt."

De rechtbank stelt vast dat de intrest die is aangerekend aan eiseres voortvloeit uit artikel 91 van het Btw-wetboek en de rechtbank deze bepaling niet terzijde kan schuiven wegens een schending van het gelijkheidsbeginsel dat gewaarborgd wordt door de Grondwet (zie de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet). Het komt in de situatie die voorligt —en zoals ook aangegeven ter zitting door de rechtbank - in beginsel aan het Grondwettelijk Hof toe na te gaan of een schending voorligt van het gelijkheidsbeginsel. Eiseres vraagt evenwel niet aan prejudiciële vraag voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof en de rechtbank ziet geen redenen om dit ambtshalve te doen.

Het derde middel is ongegrond.

Vierde middel — ongerechtvaardigde verrijking

In een vierde middel voert eiseres aan dat de onterechte afdracht door KBC van btw op de financieringshuurtermijnen heeft geleid tot een ongerechtvaardigde verrijking van verweerder. Indien eiseres nalatigheidsinterest verschuldigd zou zijn op de onterechte aftrek van diezelfde btw, zou KBC eenzelfde bedrag aan moratoire interest hebben moeten ontvangen vanwege de Staat (wat niet is gebeurd), aldus eiseres. De aangerekende nalatigheidsinterest is volgens eiseres dan ook een ongerechtvaardigde verrijking van verweerder.

Art. 5.135 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat er ongerechtvaardigde verrijking is wanneer iedere juridische rechtvaardiging ontbreekt voor zowel de verrijking als de correlatieve verarming.

Aan eiseres is voor de periode 2017-2020 conform artikel 91, §1 van het Btw-wetboek nalatigheidsintrest aangerekend omdat zij tijdens deze periode ten onrechte btw in aftrek heeft gebracht voor een bedrag van 264.408,03 euro. Er is bijgevolg een juridische rechtvaardiging voor zowel de verrijking van verweerder als de correlatieve verarming van eiseres.

Voor zover als nodig merkt de rechtbank op dat eiseres van het uitgangspunt vertrekt dat KBC de betrokken btw heeft afgedragen en dat bij een eventuele teruggaaf geen moratoriumintrest is (zal worden) betaald aan KBC. Dit uitgangspunt wordt echter niet ondersteund met bewijskrachtige gegevens hoewel de bewijslast op dit punt bij eiseres Iigt.

het vierde middel is ongegrond.

Vijfde middel — 'betreffende de bevoegdheid van de rechter om nalatigheidsinterest te verminderen of ongedaan te maken'

Volgens eiseres heeft de (nationale) rechter de bevoegdheid om (overdreven) nalatigheidsintrest te matigen of zelfs volledige vrijstelling te verlenen indien `één van de hogere normen, en dan in het bijzonder het evenredigheidbeginsel' geschonden zijn.

Zoals uiteengezet bij de bespreking van het tweede middel blijkt niet dat de aangerekende intrest voor de periode 2017-2020 strijdig is met het evenredigheidsbeginsel. In tegenstelling tot wat eiseres laat uitschijnen, blijkt (voor het overige) niet dat de rechtbank de mogelijkheid heeft om de aangerekende nalatigheidsintrest te matigen of hiervan vrijstelling te verlenen. In dat verband verduidelijkt de raadsman van eiseres ter zitting dat de vordering niet is gericht tegen de administratieve beslissing van 16 april 2021 en zij zich niet beroept op de regeling die is voorzien in artikel 70 van het wetboek van 13 april 2019 van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen

vrijstelling van nalatigheidsinteresten', voordien opgenomen in artikel 84bis van het Btw-wetboek).

Het vijfde middel is ongegrond.

V. KOSTEN

Eiseres moet worden beschouwd ais de partij die in het ongelijk is gesteld en wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, zoals hierna bepaald. Verweerder wordt niet bijgestaan door een advocaat en kan bijgevolg geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding.

Het betreft een fiscaal geschil zodat in toepassing van artikel 279/1 en 162, 4° W.Reg. geen rolrechten verschuldigd zijn (Punt Il Circ. nr. 2019/C/26 van 15 februari 2019 betreffende de hervorming van de rolrechten).

Beschikkend gedeelte

VI. BESLISSING

De rechtbank,

Rekening houdend met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

ln eerste aanleg en op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan de zijde van verweerder vastgesteld op 0,00 euro.

Deze beslissing is uitgesproken op de buitengewone openbare terechtzitting van de 7d' kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 9 augustus 2024, waar aanwezig waren en zitting namen:

De heer F. D.: rechter,

Mevrouw I.K.: griffier.

Aangehaalde teksten

6

Vergelijkbare beslissingen

8