Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 25.09.2009, Zaak F.08.0023.F
Intracommunautaire handeling
Overbrenging
Samenvatting
Uit de artikelen 25quater, § 1 en 12bis, eerste en tweede lid, 6° en 7°, W.B.T.W., volgt dat de gelijkstelling met een intracommunautaire verwerving, van een goed onder bezwarende titel, veronderstelt dat een belastingplichtige een goed, dat hij zelf of voor eigen rekening voor bedrijfsdoeleinden heeft verzonden of vervoerd, bestemt voor zijn bedrijfsdoeleinden (1).
(1) Zie concl. O.M.
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Hof van Cassatie van België
Arrest
Nr. F.08.0023.F
BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën,
Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
COUGAR, vennootschap naar Luxemburgs recht,
Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 november 2007 gewezen door
het hof van beroep te Luik.
Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert volgend middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 12bis, inzonderheid eerste en tweede lid, 6° en 7°, en 25quater,
inzonderheid §1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
(hierna : BTW-Wetboek).
Aangevochten beslissing
Het arrest verklaart, met bevestiging van het door de rechtbank van eerste aanleg te Luik
gewezen beroepen vonnis van 8 september 2005, de vordering van de verweerster tot
teruggave van de door haar betaalde belasting over de toegevoegde waarde, voor een
bedrag van 89.086,00 euro, vermeerderd met de interest en de geldboeten, ontvankelijk
en gegrond om de volgende redenen:
"Te dezen moet alleen herhaald worden dat de (verweerster), een
eenpersoonsvennootschap die gevestigd is in het Groothertogdom Luxemburg, aan haar
zaakvoerster, die in België gedomicilieerd is, een Porsche Carrera ter beschikking stelt
die zij hoofdzakelijk gebruikt voor haar verplaatsingen van haar woonplaats naar de
zetel van de (verweerster) en, nu en dan, voor verplaatsingen die geen verband houden
met de activiteit van de (verweerster) in België;
(De eiser) betoogt dat de terbeschikkingstelling van dat voertuig een belastbare
intracommunautaire verwerving is, wat door (de verweerster) betwist wordt;
Het geschil heeft dus betrekking op de toepassing van de artikelen 25quater, §1, en 12bis
van het BTW-Wetboek, en op de belastbaarheid, in België, van de intracommunautaire
verwerving van goederen;
(De verweerster) exploiteert in het Groothertogdom Luxemburg een onderneming voor de
productie van schuurmaterialen en heeft een tiental mensen in dienst;
De zaakvoerster woont in België en werkt zonder arbeidsovereenkomst;
De zaakvoerster beschikt, voor het vervullen van haar mandaat, over een Porsche, die
aan (de verweerster) toebehoort;
Het wordt niet betwist dat het voertuig in België niet gebruikt wordt voor commerciële
doeleinden, ten behoeve van de activiteiten van (de verweerster) (...);
Uit het feit dat het voertuig aan de zaakvoerster ter beschikking wordt gesteld om zich
naar haar onderneming in het buitenland te begeven, leidt de administratie ten onrechte
af dat de (verweerster) het goed ter beschikking heeft gesteld binnen het kader van haar
economische activiteit, terwijl het door de zaakvoerster hoofdzakelijk wordt gebruikt om
zich naar de in het buitenland gevestigde onderneming te begeven en, nu en dan, voor
haar privé-verplaatsingen in België (...);
De administratie maakt, op grond van de circulaire nr. 1/2000 van 3 mei 2000,
aanspraak op de belasting over de toegevoegde waarde op de waarde van het voertuig,
dat zij krachtens artikel 25bis van dat wetboek als een belastbare intracommunautaire
verwerving omschrijft;
Het hof (van beroep) stelt vast dat de administratie zich baseert op de bepalingen van
haar circulaire, die de voorwaarden bepaalt waaronder vrijstelling van de belasting kan
worden verleend, zoals voorgeschreven bij de uitzonderingsbepalingen van artikel 12bis,
6° en 7° van het wetboek (zogenaamde gevallen van niet-overbrenging), om te beslissen
dat de 'overbrenging' van de Porsche naar België belastbaar is;
Die argumentatie kan niet worden aangenomen, omdat er in beginsel, zoals de eerste
rechter zeer terecht heeft opgemerkt, geen belastbare overbrenging heeft plaatsgevonden,
daar het voertuig niet is overgebracht binnen het kader van de economische activiteit van
de onderneming ('voor bedrijfsdoeleinden': zie artikel 25quater, §1; artikel 12bis) ; het
kan niet worden betwijfeld dat die activiteit uitsluitend in Luxemburg en niet in België
wordt uitgeoefend (...);
De administratie erkent dit zelf, aangezien zij in haar conclusie erop wijst dat het op
Belgisch grondgebied gebruikte voertuig niet door de belastingplichtige Luxemburgse
onderneming, die de eigenaar van het voertuig is, voor dienstverrichtingen wordt
aangewend (...);
Uit die vaststelling blijkt geen enkele discriminatie tussen de belastingplichtigen,
aangezien alle goederen die in België gebruikt worden met het oog op de economische
activiteit, op dezelfde wijze behandeld worden (...);
De redenering van de administratie berust niet op het bewijs van het
belastbaarheidsbeginsel, maar in zekere zin op een redenering a contrario, volgens welke
(de verweerster) zich niet kon beroepen op de voormelde uitzonderingsbepalingen 6° en
7° van artikel 12bis van het wetboek, die, op grond van haar eigen circulaires die de wet
uitleggen maar, in de regel, geen normatief karakter hebben, te dezen niet van toepassing
zouden zijn;
Het is duidelijk dat de beginselbepalingen die de administratie aanvoert en die, in
voorkomend geval, als grondslag voor het belastbaarheidsbeginsel kunnen dienen, niet
alleen vereisen dat er een goed van een Lidstaat naar een andere is overgebracht
(overschrijding van de grens), maar ook dat dit goed, in het land van bestemming, wordt
bestemd voor de economische activiteit van de belastingplichtige, d.w.z. dat het is
overgebracht 'ten behoeve van de onderneming' (zie uitdrukkelijk : 'Wanneer een
onderneming (...) die in het kader van zijn economische activiteit optreedt (...) een
voertuig verzendt (...)', wat impliceert dat zij dit, uiteraard, ook buiten het kader van haar
economische activiteit zou kunnen doen);
Aangezien (de eiser) het hem opgedragen bewijs niet levert, te weten dat (de verweerster)
het goed in België heeft ingevoerd 'voor de doeleinden van zijn economische activiteit',
moet de bestreden beslissing bevestigd worden".
Grieven
Hoewel de overbrenging, zoals artikel 12bis van het BTW-Wetboek vereist, moet
plaatsvinden "voor bedrijfsdoeleinden", vereist de wet niet dat de belastingplichtige die
het goed ter beschikking stelt, een economische activiteit in de Lidstaat van bestemming
van het aldus verzonden of vervoerde goed uitoefent en ontplooit. Het is voldoende dat
het goed, dat aan de onderneming toebehoort en dat voor of door de belastingplichtige
wordt overgebracht, nuttig is voor die onderneming.
In dit geval gebruikt de zaakvoerster, die over het litigieuze voertuig beschikt, dat
voertuig hoofdzakelijk voor haar verplaatsingen van haar woonplaats in België naar de
zetel van de verweerster in Luxemburg, waar zij haar activiteit krachtens een mandaat
uitoefent. Het staat dus vast dat die terbeschikkingstelling de belangen van de
verweerster dient en dat dit voertuig is overgebracht ten behoeve van de onderneming of
zelfs van haar economische activiteit.
Het arrest, dat de uitlegging van de eerste rechter overneemt en opnieuw bevestigt dat
"er geen belastbare overbrenging heeft plaatsgevonden, daar het voertuig niet is
overgebracht binnen het kader van de economische activiteit van de onderneming en het
niet kan worden betwijfeld dat die activiteit uitsluitend in Luxemburg en niet in België
wordt uitgeoefend", voegt een voorwaarde aan de wet toe.
De goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van een overbrenging of een bestemming
van goederen die gelijkgesteld kan worden met een intracommunautaire verwerving
onder bezwarende titel door een onderneming, zijn de lichamelijke roerende goederen
van die onderneming, d.w.z. de goederen die het voorwerp kunnen uitmaken van een
verrichting die, in hoofde van een deponerende belastingplichtige, gelijkgesteld wordt
met een levering onder bezwarende titel, overeenkomstig artikel 12 van het BTW-
Wetboek (artikel 25quater/20, Commentaar BTW). Het gaat dus om de goederen die het
vermogen van de onderneming uitmaken. Hieronder vallen met name de
bedrijfsmiddelen, zoals het litigieuze voertuig.
Een vennootschap is een abstracte "rechtspersoon", die opgericht wordt door een
overeenkomst, luidens welke een of meerdere personen overeenkomen om aan een
gezamenlijke onderneming goederen of waarden toe te kennen teneinde een of meerdere
welbepaalde activiteiten uit te oefenen, met het doel om aan de vennoten een rechtstreeks
of onrechtstreeks vermogensvoordeel te verschaffen. De in de balans vermelde
bestemmingen weerspiegelen de samenstelling van het vermogen van een vennootschap
en de bedrijfsmiddelen die op de actiefzijde geboekt worden, zijn verkregen ter
verwezenlijking van het "professionele" maatschappelijke doel, zoals het in de statuten
omschreven wordt en zodoende de juridische bestaansreden van die rechtspersoon zelf
verantwoordt. Een vennootschap kan per definitie geen privé-vermogen hebben: elke
aankoop moet geboekt worden en de totaalwaarde ervan moet op de actiefzijde van de
balans vermeld worden. Dit moet ook met het litigieuze voertuig gebeurd zijn.
Het is daarenboven ondenkbaar dat de (verweerster), enerzijds, bij de aankoop van het
voortuig de belasting over de toegevoegde waarde kan aftrekken maar, anderzijds, niet
zou handelen in het kader van haar economische activiteit wanneer zij dat voertuig aan
haar zaakvoerster ter beschikking stelt. Het lijdt geen twijfel dat de verweerster, door
oorspronkelijk de belasting op dat voertuig af te trekken, te kennen heeft gegeven dat zij
het wou gebruiken voor haar economische activiteit en dat de terbeschikkingstelling van
dat voertuig aan haar zaakvoerster nog steeds binnen het kader van die economische
activiteit valt en dat die terbeschikkingstelling bijgevolg in zijn geheel past binnen het
kader van artikel 12bis van het BTW-Wetboek.
Daarenboven voegt de overweging dat de bepalingen van de artikelen 12bis, eerste en
tweede lid, en 25quater, §1, van het BTW-Wetboek, alleen van toepassing zouden zijn
indien de onderneming een economische activiteit zou uitoefenen in de Lidstaat van
bestemming, niet alleen een voorwaarde aan de wet toe, maar heeft ze ook tot gevolg dat
sommige bepalingen die vermeld worden in de tekst zelf van artikel 12bis, eerste en
tweede lid, niet meer toepasselijk zijn.
Bij wijze van voorbeeld kan erop gewezen worden dat, wanneer een onderneming
goederen verzendt naar een andere Lidstaat om ze daar te stockeren, zij in de Lidstaat
van bestemming geen enkele economische activiteit uitoefent - deze wordt uitgeoefend
door de entrepothouder - maar het kan evenwel niet worden betwist dat zij handelt in het
kader van haar economische activiteit en bijgevolg goederen overbrengt in de zin van
artikel 12bis, eerste lid, van het BTW-Wetboek.
In dezelfde zin kan erop gewezen worden dat, wanneer een onderneming goederen
verzendt naar een andere Lidstaat met de bedoeling om daar werken uit te voeren en die
goederen haar na die werken terugbezorgd worden, maar geen enkele economische
activiteit in de Lidstaat van verzending uitoefent, aangezien deze uitgeoefend wordt door
de werknemer aan wie zij de goederen toevertrouwt, zij ook handelt voor haar
bedrijfsdoeleinden en dus een niet-overbrenging verricht in de zin van artikel 12bis,
tweede lid, 5°, van het BTW-Wetboek.
De soortgelijke hypothese waarnaar het hof van beroep verwijst, kan op geen enkele
manier als grondslag dienen voor de beslissing van de appelrechters, aangezien de zaak
betrekking had op een natuurlijke persoon.
Het hof van beroep verantwoordt zijn beslissing dus niet naar recht.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Krachtens artikel 25quater, §1, van het Wetboek van de belasting over de
toegevoegde waarde, wordt met een intracommunautaire verwerving van een goed
onder bezwarende titel gelijkgesteld, het door een belastingplichtige voor de
doeleinden van zijn economische activiteit bestemmen van een goed dat door of
voor rekening van de belastingplichtige wordt verzonden of vervoerd uit een
andere Lidstaat waar het is vervaardigd, gewonnen, bewerkt, aangekocht,
verworven in de zin van artikel 25ter, of door de belastingplichtige in het kader
van zijn economische activiteit in die andere Lidstaat is ingevoerd, waarbij die
gelijkstelling slechts van toepassing is in de gevallen waar overeenkomstig artikel
12bis de overbrenging van het goed naar een andere Lidstaat met een levering van
goederen zou worden gelijkgesteld..
Artikel 12bis van dat wetboek, dat, in het eerste lid, de overbrenging door een
belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere Lidstaat
gelijkstelt met de levering van goederen onder bezwarende titel, bepaalt, in het
tweede lid, dat als overgebracht naar een andere Lidstaat wordt beschouwd, elk
lichamelijk goed dat door of voor rekening van de belastingplichtige buiten België
maar binnen de Gemeenschap wordt verzonden of vervoerd voor
bedrijfsdoeleinden, voor zover het niet om een van de volgende handelingen gaat :
6° het tijdelijk gebruik van dat goed op het grondgebied van de Lidstaat van
aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, ten behoeve van een
dienstverrichting door de in België gevestigde belastingplichtige ; 7° het tijdelijk
gebruik van dat goed voor een periode van ten hoogste 24 maanden op het
grondgebied van een andere Lidstaat waar de invoer van hetzelfde goed uit een
derde land met het oog op tijdelijk gebruik in aanmerking zou komen voor de
regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten.
Uit die bepalingen volgt dat de gelijkstelling met een intracommunautaire
verwerving van een goed onder bezwarende titel, veronderstelt dat een
belastingplichtige een goed, dat hij zelf of voor eigen rekening voor
bedrijfsdoeleinden heeft verzonden of vervoerd, bestemt voor zijn
bedrijfsdoeleinden.
Het arrest stelt vast dat de verwerende vennootschap, waarvan de
maatschappelijke zetel gevestigd is in het Groothertogdom Luxemburg, aan haar
zaakvoerster, die in België gedomicilieerd is, een voertuig ter beschikking heeft
gesteld dat deze "hoofdzakelijk gebruikt voor haar verplaatsingen van haar
woonplaats naar de zetel" van de verweerster en "nu en dan, voor haar privé
verplaatsingen in België", met uitsluiting van elk gebruik "voor commerciële
doeleinden, ten behoeve van de activiteiten" van laatstgenoemde.
Het arrest dat, op grond van die vaststellingen, beslist dat de verweerster dat
voertuig niet naar België heeft overgebracht "voor bedrijfsdoeleinden" en dat
voertuig evenmin heeft bestemd voor haar economische activiteit, verantwoordt
naar recht zijn beslissing volgens welke de terbeschikkingstelling van dat voertuig
krachtens de voormelde bepalingen niet belastbaar is.
Voor het overige is de reden dat de verweerster haar economische activiteit
"uitsluitend in Luxemburg en niet in België" ontplooit, overtollig.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door
afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Albert Fettweis, Sylviane Velu,
Martine Regout en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 25
september 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, in
aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier
Patricia De Wadripont.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en
overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.
De griffier, De raadsheer,
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.