Holdingvennootschap, btw-belastingplicht, Btw-eenheid · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 15 september 2025

Zoeken

Holdingvennootschap, btw-belastingplicht, Btw-eenheid

https://juriel.be/nl/rechtspraak/holdingvennootschap-btw-belastingplicht-eenheid-rechtbank-gent-2025-09-15-565b

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
15 september 2025

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

160 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 15.09.2025

WF 801-15-22/045168 - Finaliti 19949689/01

[ gedeeltelijk gunstig ]

Belasting over de toegevoegde waarde – holdingvennootschap – btw-belastingplicht

Wettelijke bepalingen

Art. 9 Btw-richtlijn, art. 4 WBTW

Samenvatting

1. Feiten

Eiseres is in de KBO geregistreerd voor haar activiteit van algemene reiniging van gebouwen en heeft hiervoor de hoedanigheid van btw-belastingplichtige. Sinds 1 februari 2019 maakt zij deel uit van een btw-eenheid geregistreerd onder het btw-nummer BE….

De btw-eenheid werd in de loop van het jaar 2021 gecontroleerd voor de periode 1 februari 2019 tot en met 31 december 2020. Door de vastgestelde onregelmatigheden die zich al voor de opstart van de btw-eenheid voordeden, werd de controle van de leden uitgebreid tot de periode 1 januari 2018 tot en met 31 januari 2019.

De huidige betwisting betreft de naheffing inzake btw ten aanzien van eiseres ten bedrage van 25.408,99 EUR verschuldigde btw op de door M… SA geleverde dienstprestaties aan haar, alsook het bedrag van de proportionele geldboete.

2. Het vonnis

Volgens eiseres handelt de Luxemburgse holdingvennootschap M… SA niet als een BTW-belastingplichtige in de zin van artikel 9 van de Richtlijn 2006/112/EG, noch in de zin van artikel 4 van het BTW-wetboek.

De rechtbank is van oordeel dat M… SA wel degelijk bestuurder is. De verklaring van de heer H. als zou het slechts gaan om een passief bestuursmandaat staat haaks op de boekhouding die hij controleerde, de jaarverslagen die hij indiende, het contract en addenda dat hij ondertekende en de facturen die hij maandelijks opmaakte. Verweerster heeft op basis van deze vaststellingen terecht geoordeeld dat M… SA, die wordt vertegenwoordigd door de heer H., handelde als een actieve bestuurder. De rechtbank kan ook niet voorbijgaan aan het feit dat de vergoeding op geen enkele wijze werd uitgesplitst zodat deze gehele vergoeding terecht onderworpen werd aan het hoogste tarief dat van toepassing is op één van de prestaties die deel uitmaken van het geheel van prestaties, in het voorliggende geschil dus 21%.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de gevorderde btw dient verminderd te worden met 13.753,99 EUR, zijnde het bedrag dat betrekking heeft op de individuele onderzoeks- en controlebevoegdheden van M… SA, alsook de geldboeten en interesten dienen verhoudingsgewijs te worden verminderd. Volgens de rechtbank is het uitoefenen van een individuele onderzoeks- en controlebevoegdheid in de gegeven omstandigheden géén aan de btw onderworpen economische activiteit.

Wat betreft het beleggen van geldmiddelen in de dochtervennootschappen buiten kapitaal, besluit de rechtbank, gelet op de hierboven gemaakte vaststellingen, dat deze handelingen een economische activiteit zijn die het louter financieel beheer overschrijden. Het betreffen dus géén vrijgestelde handelingen doch handelingen die onderworpen zijn aan de BTW.

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 15.09.2025

(22/2812/A)

In de zaak van:

X., KBO …, met zetel te …,

eisende partij, hebbende als raadsman mr. S.F., advocaat met kantoor te 8500 Kortrijk, Spinnerijstraat 101 bus 22B;

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de :

Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, handelend ten verzoeke van de Adviseur Invordering — Ontvanger van het Team Invordering Rechtspersonen Brugge, met kantoren te 8200 Brugge, Koning Albert-I Laan 1-5/3,

Algemene Administratie van de Fiscaliteit, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Centrum Grote Ondernemingen Beheer & Gespecialiseerde controles — controle BTW eenheid, met kantoren te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50/3350-3352, KBO 0308.357.159,

verwerende partij, voor wie optreden mevrouw D.K., attaché bij een fiscaal bestuur, en de heer V.D., adviseur bij een fiscaal bestuur;

beslist de rechtbank als volgt:

I. DE RECHTSPLEGING

De rechtbank hoorde partijen in hun argumenten op de openbare terechtzitting van 12 juni 2025. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en het gedinginleidende verzoekschrift van 15 september 2022 en het verwijzingsvonnis van 15 november 2022.

II. DE VORDERING

Eiseres vordert in 'synthesebesluiten' de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en vervolgens:

de tenuitvoerlegging van het innings- en invorderingsregister te stuiten, opgemaakt op 28 december 2021, met als schuldnummer 500248036955 en met als nummer register 202112NL024, en uitvoerbaar verklaard door tweede verweerster op 29 december 2021;

de inschrijving/opname van de bestreden fiscale schuld in het Innings-en invorderingsregister, opgemaakt op 28 december 2021, met als schuldnummer 500248036955 en met als nummer register 202112NL024, en uitvoerbaar verklaard door tweede gedaagde op 29 december 2021;

het proces-verbaal, opgemaakt op 19 november 2021, door mevrouw K.D., attaché ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, werkzaam bij het Centrum Grote Ondernemingen Beheer & Gespecialiseerde controles controle BTW eenheid, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 60/3352 (derde verweerster), nietig te verklaren, minstens ongegrond te verklaren;

minstens te zeggen voor recht dot [eiseres] de voornoemde fiscale schuld niet (integraal) verschuldigd is, noch alle sommen in het bestreden proces-verbaal van 19 november 2021, minstens een eventuele boete gepaard laten gaan met uitstel, of minstens substantieel te willen matigen;

De Belgische Staat te veroordelen tot de terugbetaling van de eventuele ten onrechte betaalde en/of ingehouden sommen, te verhogen met moratoriuminteresten te rekenen vanaf de betaling of de inhouding;

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, in hoofde van 1-eiseresj geraamd op de basisvergoeding voor vorderingen tussen 20.000,00 € en 40.000,00 €, m.n. 3.000,00 €.

In ondergeschikte orde, [eiseres] toe te laten de echtheid van de verklaringen en beweringen van de heer R.H. te bewijzen met alle middelen van recht, inclusief het getuigenverhoor, en desgevallend om, conform artikel 915 e.v. Gerechtelijk Wetboek, de heer R.H. op te roepen en te verhoren."

Verweerster vordert in 'synthesebesluiten':

- het verzoekschrift van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren

- bijgevolg, de vordering, zowel in hoofdorde als in ondergeschikte orde van eiseres of te wijzen;

- de gevestigde aanslag te bevestigen, erin begrepen de boete en de interesten.

- eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding."

III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL

1

Eiseres is in de KBO geregistreerd voor haar activiteit van algemene reiniging van gebouwen. Omwille van deze handelingen heeft zij de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige en is zij onderworpen aan de BTW-wetgeving.

2. Sinds 1 februari 2019 is zij, samen met de leden nv D. (BE0429.212.330), nv I. (BE0713,566.840) en nv E.L. (BE0816.954.586) onder de vorm van de BTW-eenheid E. geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het BTW-nummer BE0717.765.356. Voorheen waren zij volledig vrijgestelde belastingplichtigen zonder BTW-nummer.

3.De BTW-eenheid werd in de loop van het jaar 2021 gecontroleerd voor de periode 1 februari 2019 tot en met 31 december 2020.

Door de vastgestelde onregelmatigheden die zich al %/0en- de opstart van de BTW-eenheid voordeden, volgens verweerster, werd de controle van de leden uitgebreid tot de periode 1 januari 2018 tot en met 31 januari 2019.

4.Op 13 augustus 2021 werd een vraag om inlichting verstuurd naar de heer P.C. (boekhouder) met de vermelding dat over de vergoeding aan M. Belgische BTW was verschuldigd.

Als reactie hierop heeft de heer P.C., na uitstel gevraagd te hebben, uiteindelijk op 15 oktober 2021 de toelichting van de heer R.H. en het contract met M. voorgelegd. Eiseres verklaarde zich niet akkoord met de vastgestelde onregelmatigheden van de taxatieagent en bijgevolg was deze gehouden om op basis van artikel 59, §1 W.BTW processen-verbaal op te stellen.

5.De onregelmatigheden van voor de opstart van de BTW-eenheid (1 februari 2019) werden afzonderlijk opgenomen in een proces-verbaal per lid. Deze processen-verbaal werden verzonden op 19 november 2021 naar de belastingplichtige zowel via e-mail als aangetekend. De vastgestelde onregelmatigheden na 1 februari 2019 werden opgenomen in een proces-verbaal en dit werd verzonden op 30 november 2021.

6.De onregelmatigheden die het voorwerp uitmaakten van deze processen-

verbaal kunnen als volgt worden samengevat:

 De vennootschap M. (vennootschap naar Luxemburgs recht) factureerde maandelijks aan de vennootschappen X., D., en E.L. de door haar als zaakvoerder geleverde prestaties. De door de medecontractanten verschuldigde BTW werd niet aan de Belgische Schatkist afgedragen;

 Op de tantièmes die door de vennootschappen E.L., D. en X. aan de vennootschap M. verschuldigd waren, werd geen BTW afgedragen aan de Schatkist;

 De vennootschappen E.L. en I. waren op basis van artikel 51, §2, 1°' W.BTW, volgens verweerster, gehouden om als medecontractant voor een aantal intracommunautaire diensten de verschuldigde BTW op deze prestaties te voldoen;

 De vennootschappen D., E.L. en X. zouden niet voldaan hebben aan de meldingsplicht met betrekking tot hun BTW-identificatienummer.

7.Op 22 februari 2022 heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend tegen

voornoemd proces-verbaal.

8.Bij administratieve beslissing van 30 juni 2022 werd het bezwaarschrift afgewezen o.a. omdat eiseres niet heeft kunnen aantonen dat een bepaalde prestatie kan gelinkt worden aan een welbepaalde vergoeding.

9.Eiseres kon zich niet vinden in deze afwijzende beslissing zodat zij op 15 september 2022 een verzoekschrift neerlegde ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Deze Iaatste heeft de zaak doorverwezen bij vonnis van 15 november 2022 naar deze rechtbank.

IV. BEOORDELING

1. Ontvankeliikheid

Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.

2. Tengronde

Algemeen

2.1.

De vordering van eiseres heeft betrekking op de naheffing van een bedrag van 25.408,99 EUR verschuldigde BTW op de door M. SA geleverde belastbare dienstprestaties aan haar, alsook op het bedrag van de proportionele geldboete.

Inzake de kwalificatie van een deel van de vergoeding als vergoeding voor het uitoefenen van een onderzoeks- en controlebevoegdheid

2.2.

Eiseres werpt op dat de vergoeding die de Luxemburgse vennootschap M. SA, optredend als holdingvennootschap van de heer R.H. en als aandeelhouder, factureert als tegenprestatie voor de uitoefening van een individuele onderzoeks- en controlebevoegdheid, niet onderworpen is aan de BTW om redenen dat het uitoefenen van een individuele onderzoeks- en controlebevoegdheid in de gegeven omstandigheden geen economische activiteit is.

In de mate de holdingvennootschap naar Luxemburgs recht, M. SA, individuele onderzoeks- en controlebevoegdheden uitoefent in de schoot van haar dochtervennootschappen E.L. Bv, van D. BV en van X. BV, zelfs al wordt zij hiervoor maandelijks betaald a rato van 500,00 EUR per site of per dochtervennootschap, verhoogd met een forfaitaire onkosten vergoeding voor de verplaatsingen, handelt de holdingvennootschap — volgens eiseres — niet als een BTW-belastingplichtige in de zin van artikel 9 van de Richtlijn 2006/112/EG, noch in de zin van artikel 4 van het BTW-wetboek.

2.3.

De rechtbank stelt vast dat de heer R.H. via zijn holdingvennootschap naar Luxemburgs recht, M. SA, sinds juli 2011 deelnemingen had verworven in achtereenvolgens E.L. BV, D. BV en X. BV, om ze vervolgens opnieuw van de hand te hebben gedaan uiterlijk op 30 september 2020.

Gedurende deze periode dat de Luxemburgse holdingvennootschap van de heer R.H. deelnemingen aanhield in respectievelijk E.L. BV, D. BV en X. BY, was er in voornoemde vennootschappen geen commissaris aangesteld.

2.4.

Verder stelt de rechtbank vast dat M. naast het houden van deelnemingen ook een aantal prestaties onder bezwarende titel verrichtte zoals de overdracht van intellectuele rechten (artikel 18, §1, tae lid, 70 W.BTW) en de terbeschikkingstelling van bedrijfsspecifieke software (artikel 18, §1, 2de lid, 16° W.BTW). Deze prestaties zijn opgenomen in het contract en de facturen. De beschrijving van deze prestaties zijn eveneens terug te vinden in de toelichting van de heer R.H. met betrekking tot de "Remuneration fixe" (vrije vertaling: vaste vergoeding).

2.5.

De rechtbank merkt in dit verband op dat de Luxemburgse vennootschap statutair benoemd werd als zaakvoerder van haar dochteronderneming. De bewering van eiseres dat de aandeelhouder/zaakvoerder door de niet aanstelling van een commissaris over geen enkele bedrijfsgerelateerde controle over haar dochteronderneming beschikt, wordt door deze rechtbank dan ook niet gevolgd. Des te meer daar de M. SA meer dan 99% van de aandelen van eiseres in haar bezit had tijdens de controleperiode.

2.6.

De rechtbank is van oordeel dat M. SA wel degelijk bestuurder is. In het jaarverslag van eiseres is de verlening tot kwijting gevraagd als zaakvoerder. De facturatie van de algehele prestaties van M. SA is terug te vinden onder de resultatenrekening 618002 Bezoldiging M.. Eiseres heeft boekhoudkundig deze vergoedingen als een bestuurdersvergoeding beschouwd. In de jaarverslagen, wordt ook melding gemaakt van uit te keren tantièmes aan M. SA.

De verklaring van de heer R.H. als zou het slechts gaan om een passief bestuursmandaat staat haaks op de boekhouding die hij controleerde, de jaarverslagen die hij indiende, het contract en addenda dat hij ondertekende en de facturen die hij maandelijks opmaakte. Verweerster heeft op basis van deze vaststellingen terecht geoordeeld dat M. SA, die wordt vertegenwoordigd door de heer R.H., handelde als een actieve bestuurder.

De rechtbank kan ook niet voorbijgaan aan het feit dat de vergoeding op geen enkele wijze werd uitgesplitst zodat deze gehele vergoeding terecht onderworpen werd aan het hoogste tarief dat van toepassing is op een van de prestaties die deel uitmaken van het geheel van prestaties, in het voorliggende geschil dus 21%.

2.7.

De rechtbank merkt wel op dat gedurende de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 januari 2019 (tot de oprichting van de BTW-eenheid), door eiseres de volgende "vergoedingen" aan M. SA werden betaald, inclusief deelname in reis- en autokosten, als tegenprestatie voor de handelingen inzake de uitvoering van de individuele onderzoeks- en controlebevoegdheden door de Luxemburgse holdingvennootschap bij eiseres waarin zij deelnemingen aanhield :

- periode 01/01/2018 tot 31/12/2018: 59.821,60 EUR

- periode 01/01/2019 tot 31/01/2019: 5.673,60 EUR

Totaal: 65.495,20 EUR x 21% = 13.753,99 EUR aan BTW.

Eiseres werpt terecht op dat deze "vergoedingen" uitsluitend kaderen in de uitvoering van de individuele onderzoeks- en controlebevoegdheden M. SA, en geen betrekking hebben op het totaal aan "vergoedingen" ontvangen in de betreffende periode waar verweerster naar verwijst.

2.8.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde BTW dan ook dient verminderd te worden met 13.753,99 EUR, zijnde het bedrag dat betrekking heeft op de individuele onderzoeks- en controlebevoegdheden van M. SA, alsook de geldboeten en interesten dienen verhoudingsgewijs te worden verminderd.

2.9.

De rechtbank besluit in deze dan ook dat verweerster bij gebrek aan een duidelijke opsplitsing de gehele vergoeding terecht heeft onderworpen aan het gewone BTW-tarief van 21%. Onder voorbehoud van een bedrag van 13.753,99 EUR (zoals in randnummer 2.7. hierboven beschreven).

Inzake het verschaffen van financiële middelen: al of niet economische activiteit

2.10.

Eiseres werpt op dat de vergoeding die de Luxemburgse holdingvennootschap M. SA, optredend ais financier van de groep, factureert als tegenprestatie voor het verschaffen van financiële middelen, niet onderworpen is aan de BTW omdat het verschaffen van financiële middelen in de gegeven omstandigheden geen economische activiteit is.

2.11.

De rechtbank stelt vast dat eiseres voor het inbrengen van kapitaal en voor het beleggen van geldmiddelen in de dochtervennootschappen uitkeringen heeft gefactureerd van 0,20 EUR per gepresteerd arbeidsuur door het personeel van de dochtervennootschap onder het regime van dienstencheques.

2.12.

Verder stelt de rechtbank vast dat uit nazicht, van verweerster, van de boekhouding is gebleken dat de facturatie van de algehele prestaties van M. terug te vinden is onder de resultatenrekening 618002 Bezoldiging M.. Eiseres heeft boekhoudkundig deze vergoedingen aanzien als een bestuurdersvergoeding. Eiseres gaat ook voorbij aan het feit dat contractueel op geen enkele wijze wordt gestipuleerd welk deel van de vergoeding gelinkt is aan welke prestatie.

Eveneens blijkt uit het nazicht van de interne jaarrekening van de vennootschap, vanaf het afsluiten van het contract, dat eiseres tijdens de controleperiode financiële activa bezat ten belope van 4.920 EUR (kaswaarborg en huurwaarborg). Verder had zij geen geldbeleggingen of financiële schulden. Wel bezat zij liquide middelen: voor 2018, meer dan 700.000 EUR; voor 2019, meer dan 800.000 EUR en voor 2020, meer dan 1,2 miljoen EUR.

2.13.

De rechtbank deelt niet de zienswijze van eiseres dat de uitkeringen voor het inbrengen van kapitaal en voor het beleggen van geldmiddelen in de dochtervennootschappen, zelfs al waren deze louter afhankelijk van een winstrealisatie bij de dochtervennootschap, geen streven zouden zijn naar een maximaal rendement van de geïnvesteerde financiële middelen.

Volgens de rechtbank overtreft dit het louter beheer van het vermogen en zijn deze activiteiten wel degelijk economische activiteiten. Deze opbrengsten zijn afhankelijk van het resultaat van het boekjaar, of zijn afhankelijk van een winstrealisatie bij de dochtervennootschap.

Uit de hierboven gemaakte vaststellingen kan de rechtbank niet afdoende afleiden dat de moederonderneming bijkomende financiële prestaties heeft verricht. De vergoeding van de belofte om in voorkomend geval de nodige kredieten te verstrekken is op zich geen van de BTW vrijgestelde prestatie.

2.14.

De rechtbank besluit dat het beleggen van geldmiddelen in de dochtervennootschappen buiten kapitaal, gelet op de hierboven gemaakte vaststellingen, een economische activiteit zijn die het louter financieel beheer overschrijden. Het betreffen dus geen vrijgestelde handelingen doch handelingen die onderworpen zijn aan de BTW.

Inzake de proportionele geldboete

2.15.

Eiseres argumenteert dat het opleggen van een proportionele geldboete, opgelegd in toepassing van artikel 70, §1 W.BTW, een strafrechtelijke sanctie is in de zin van artikel 6 EVRM en minstens disproportioneel is. Zij vraagt een vermindering van de geldboete.

2.16.

De rechter die gevraagd wordt een administratieve sanctie te controleren die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, zoals in voorliggend geval, moet de wettigheid van die sanctie nagaan en kan meer bepaald onderzoeken of die sanctie verenigbaar is met de dwingende vereisten van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dat controlerecht biedt de rechter de mogelijkheid om, met in aanmerkingneming van alle omstandigheden van de zaak, te onderzoeken of de straf niet buiten verhouding staat tot de overtreding, zodat hij kan onderzoeken of de administratie redelijkerwijs een administratieve sanctie van die omvang mocht opleggen. In dat opzicht kan de rechter inzonderheid rekening houden met de ernst van het misdrijf, het bedrag van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop uitspraak is gedaan in soortgelijke zaken. Dit controlerecht houdt niet in dat de rechter, louter om opportuniteitsredenen en in strijd met de wettelijke regels, geldboeten kan kwijtschelden of verminderen (zie ook Cass. 18 april 2013, F.11.0142.F, www.cass.be).

Gelet op de voile rechtsmacht die deze rechtbank heeft inzake administratieve boetes die een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM, is deze rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is om de opgelegde geldboete te verminderen of zelfs kwijt te schelden. Artikel 70 W.BTW moet in grondwettelijke zin worden geïnterpreteerd (zie ook GwH 15 mei 2008, nr. 79/2008).

2.17.

De fiscale administratie heeft in voorliggend geval een geldboete van 20% opgelegd, met name 5.870,00 EUR. Een dergelijke geldboete is volgens de rechtbank geen strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM. De geldboete werd in feite en in rechte afdoende gemotiveerd.

De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde geldboete disproportioneel is met de inbreuken en met het doel van een administratieve geldboete. Daarom beslist de rechtbank om de geldboete van 20% te herleiden tot 10%.

De grief van eiseres is gedeeltelijk gegrond.

inzake het uitstel van de geldboete

2.18.

Eiseres vraagt om een uitstel van de invordering van de geldboete toe te staan.

2.19.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde in twee arresten dat artikel 70, §1 (arrest nr. 13/2013 van 21 februari 2013) en artikel 70, §lbis (arrest nr. 32/2020 van 20 februari 2020) W.BTW, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in zoverre het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt de in dit artikel voorgeschreven geldboete gepaard te laten gaan met uitstel, Het preciseert dat die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid echter niet tot gevolg heeft dat die bepaling, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (zie ook Cass. 20 juni 2013, F.11.0007.F, www.cass.be).

2.20.

De rechtbank stelt in voorliggend geval vast dat de opgelegde geldboete van 10% evenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om eiseres uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.

Des te meer daar het verlenen van uitstel voor een administratieve geldboete inzake BTW in de huidige stand van de wetgeving neerkomt op een definitieve kwijtschelding van de geld boete, nu de wet voor dergelijke belastingverhoging niet voorziet in een regeling van de voorwaarden waaronder het uitstel kan of moet ingetrokken worden en ook niet voorziet in een instantie die over dergelijke intrekking zou moeten beslissen.

De rechtbank is van oordeel om die redenen het voordeel van het uitstel niet toe te kennen.

De grief van eiseres is ongegrond.

Besluit

2.21.

De rechtbank besluit dat verweerster terecht de gehele vergoeding heeft onderworpen aan het gewone BTW-tarief van 21%. Onder voorbehoud van een teruggave (of verrekening) van een bedrag van 13.753,99 EUR (zoals in randnummer 2.7. hierboven beschreven).

De proportionele geldboete dient verminderd te worden tot 10%.

Voor het overige wordt het proces-verbaal van 19 november 2021 bevestigd.

Alle meeromvattende en strijdige argumenten worden verworpen als niet ter zake dienend.

De vordering van eiseres is gedeeltelijk gegrond.

V. GERECHTSKOSTEN - RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

1.De kosten omvatten in de voorliggende zaak onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1018, 60 Gerechtelijk Wetboek).

In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

2.Wanneer de partijen wederzijds lastens elkaar in het ongelijk werden gesteld,

kan de rechtbank de kosten omslaan, zo zij dit raadzaam acht (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

Gelet op de bovenstaande beoordeling, waarbij eiseres deels in het gelijk wordt gesteld en deels in het ongelijk, komt het passend voor te zeggen voor recht dat elk van de partijen de eventuele kosten, gevallen aan de eigen zijde, definitief voor eigen rekening zal dragen, derwijze dat partijen uit lien hoofde aan elkaar niets meer verschuldigd zullen zijn.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

BESLIST DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,

met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:

 alle meeromvattende en strijdige argumenten te verwerpen als niet ter zake dienend;

- de vordering van eiseres ontvankelijk en (deels) gegrond te verklaren in volgende mate;

 Dat de gehele vergoeding dient te worden onderworpen aan het gewone BTVV-tarief van 21%. Under voorbehoud van een teruggave (of verrekening) van een bedrag van 13.753,99 EUR (zoals in randnummer 2.7. hierboven beschreven);

 De proportionele geldboete te verminderen tot 10%;

 Voor het overige het proces-verbaal van 19 november 2021 te bevestigen;

 de herberekening te bevelen van de bedragen opgenomen in het proces-verbaal van 19 november 2021 rekening houdend met de hierboven vermelde elementen;

 voor het overige de herberekende BTW-invordering d.d. 29.12.2021 met artikelnummer 500.2480.36955 te bevestigen;

- de terugbetaling te bevelen van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geinde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest;

- de vordering van eiseres voor het overige ongegrond te verklaren;

 te zeggen voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten draagt, in hoofde van eiseres te begroten op de kosten voor het bijdragefonds voor een bedrag van 22,00 EUR en in hoofde van verweerster te begroten op 00,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op maandag 15 september 2025, waar aanwezig waren :

 T.L., rechter, voorzitter van deze kamer,

 T.D., griffier.

Nota van de FOD Financiën

Referentie WF

WF 801-15-22/045168 - Finaliti 19949689/01

Aangehaalde teksten

2

Vergelijkbare beslissingen

8