Dwangbevel, Verjaringstuitende handeling, Exceptie van gewijsde, Eenzelfde doel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 31 maart 2025

Zoeken
Tekst in het Frans

Dwangbevel, Verjaringstuitende handeling, Exceptie van gewijsde, Eenzelfde doel

https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-verjaringstuitende-handeling-exceptie-gewijsde-rechtbank-2025-03-31-2aa5

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
31 maart 2025

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Frans
Nederlandse versie
niet door de FOD gepubliceerd

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

Tekst

98 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Waals-Brabant van 31.03.2025 – (RG 24/160/A)

[ Gunstig vonnis voor de Belgische Staat ]

Belasting over de toegevoegde waarde – Dwangbevel - Verjaringstuitende handeling – Exceptie van gewijsde – Eenzelfde doel – Oorzaak van de vordering – Middel van onontvankelijkheid – Onontvankelijkheid van de vordering

Samenvatting van het vonnis

Eiser is geïdentificeerd voor de btw en tot 30 juni 2004 onderworpen aan de regeling voor kwartaalaangiften voor zijn aangegeven activiteit van detailhandel in textiel. Sedert 15 september 2017 valt hij onder de regeling van de btw-vrijstelling zoals bedoeld in artikel 56bis WBTW.

Hij is onderworpen aan een fiscale controle met betrekking tot de omzet vermeld in zijn btw-aangiften. Het dwangbevel dat in 2006 werd betekend, werd in 2011 aan de procureur des Konings overgemaakt met een bevel tot betaling (eiser was toen woonachtig in Frankrijk). In 2016 werd het dwangbevel opnieuw betekend. Eiser tekende vervolgens bezwaar aan tegen het dwangbevel en ging in beroep na een ongunstig vonnis. Het geschil is nog steeds hangende bij het hof van beroep te Brussel.

In 2023 werd een verjaringstuitende aanmaning gericht aan de echtgenote van eiser met betrekking tot dezelfde btw-schuld. Eiser diende vervolgens een verzoekschrift op tegenspraak in, waarbij hij de nietigverklaring van de belastingvordering vroeg, met als reden dat de administratie geen tweede dwangbevel mag uitvaardigen voor dezelfde feiten. Hij vroeg ook om nietigverklaring van dit bevel wegens gebrek aan motivering.

Eiser heeft evenwel geen conclusies neergelegd.

Het geschil draait om de ontvankelijkheid van het gerechtelijk beroep. De Belgische staat voert aan dat het beroep onontvankelijk is omdat eiser geen belanghebbende partij is, aangezien de verjaringstuitende aanmaning gericht was aan zijn echtgenote. Daarnaast wordt de exceptie van gezag van gewijsde opgeworpen.

Met zijn beroep betwist eiser het dwangbevel. Er is echter verwarring, aangezien de bestreden akte uit 2023 in werkelijkheid een verjaring stuitende aanmaning is die gericht was aan zijn echtgenote. Er is dus geen sprake van het uitvaardigen van een tweede dwangbevel.

Hoe dan ook, de Belgische staat heeft terecht de exceptie van gezag van gewijsde opgeworpen.

Het negatieve effect van het gezag van gewijsde stemt overeen met wat men noemt “de exceptie van gewijsde”: dit is een verweermiddel in een juridische procedure. Het houdt in dat een partij aanvoert dat een eerder, onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis (in kracht van gewijsde), een eerder geschil tussen dezelfde partijen definitief heeft beslecht. Dit betekent dat de rechter in de huidige procedure niet opnieuw over hetzelfde geschil kan beslissen, omdat de eerdere uitspraak bindend is.

Het is dus geen exceptie, maar een middel tot niet-ontvankelijkheid. Het is geen loutere onregelmatigheid in de procedure met beperkte en tijdelijke gevolgen, maar een gebrek aan procesbevoegdheid in hoofde van de partij wiens vordering al definitief is beslecht. Het gevolg is dan ook de onontvankelijkheid van de nieuwe vordering (net zoals bij gebrek aan belang of hoedanigheid van de eiser, verjaring, of overschrijding van een vaste termijn).

Alleen een eindbeslissing ten gronde of over het tussengeschil, op tegenspraak of bij verstek, heeft – vanaf de uitspraak en zolang zij niet ongedaan is gemaakt – gezag van gewijsde (art. 24 en 26 Gerechtelijk Wetboek). Een vonnis is een eindvonnis inzover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is, behoudens de rechtsmiddelen bij wet bepaald. (art. 19, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

De exceptie van gewijsde is onderworpen aan de zogenaamde “drievoudige identiteit”. Dit wil zeggen dat zij enkel speelt tussen de partijen die betrokken zijn bij zowel de lopende als een eerdere procedure, over dezelfde vordering en om dezelfde reden.

Deze drievoudige voorwaarde is opgenomen in artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het voorwerp van de vordering is de eis of het resultaat dat de nastreeft. Het gaat om het sociale of economische doel dat eiser beoogt, en dat de rechter juridisch moet kwalificeren als de partijen dat niet hebben gedaan, of moet herkwalificeren bij een foutieve kwalificatie.

Het begrip “oorzaak” verwijst naar de feiten van het geschil, ongeacht hun juridische kwalificatie. Een partij kan niet tweemaal hetzelfde eisen in een geschil dat gebaseerd is op dezelfde feiten, zelfs als zij in de tweede procedure een andere juridische grond aanvoert.

In onderhavig geval is de drievoudige identiteit onbetwistbaar: het verzoekschrift ingediend in 2016 had betrekking op dezelfde schuld, voortvloeiend uit dezelfde uitvoerbare titel, tussen dezelfde partijen en gebaseerd op dezelfde feiten. Bovendien waren de aangevoerde middelen en juridische gronden identiek. Er is een eindbeslissing genomen tussen dezelfde partijen over dezelfde feiten, waardoor het huidige beroep niet-ontvankelijk is.

Volledige tekst :

Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal.

Tekst van de beslissing

FINALITI 5508577401 WF 703-15-24/000242

Tribunal de première instance du Brabant wallon du 31.03.2025 (RG 24/160/A)

En cause de:

Monsieur D.P., NN …, BCE …

…,

Partie demanderesse

Représenté par Maître J.M. loco Maître O.T., Avocat à ...

Et de:

L'ETAT BELGE, Service public fédéral Finances, Administration générale de la Fiscalité —Secteur T.V.A., en la personne de Monsieur le Ministre des Finances et de Monsieur le Conseiller recouvrement — Receveur du Team personnes Physiques Ottignies, dont les bureaux sont établis à 1340 OTTIGNIES-LOUVAIN-LA-NEUVE, Avenue Paul Delvaux

Partie défenderesse

Représenté par M.G., Attachée (…)

PROCÉDURE

Le Tribunal a examiné les pièces déposées au dossier de la procédure et notamment :

- la requête contradictoire déposée au greffe le 31 janvier 2024 ;

- le calendrier de mise en état déposé à l'audience du 4 mars 2024;

- les conclusions de synthèse déposées au greffe par l'ETAT BELGE le 9 septembre 2024; le dossier de pièces de l'ETAT BELGE déposé à l'audience du 3 mars 2025.

Le conseil du demandeur et le représentant de l'Etat belge a été entendu à l'audience du 3 mars 2025. A l'issue des plaidoiries, les débats ont été clos et la cause prise en délibéré.

La procédure est régulière, ce qui n'est pas contesté.

Les articles 1, 34 à 37, 40 et 41 de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues ont été appliqués ; usage de la langue française ayant été fait.

FAITS PERTINENTS ET CADRE DU LITIGE

1. Le demandeur, Monsieur P.D., est assujetti à la TVA et identifié en cette qualité sous le numéro BE …. Il était soumis au régime de dépôt de déclarations trimestrielles du 1' janvier 2003 au 30 juin 2004 pour son activité déclarée de commerce de détail de textiles. Il est actuellement soumis au régime de la franchise de la taxe visé à l'article 56bis du Code TVA depuis le 15 septembre 2017.

2. Au cours de l'année 2006, il a fait l'objet d'un contrôle de sa situation fiscale en matière d'impôt des personnes physiques ; contrôle ayant donné lieu à la rectification du chiffre d'affaires déclaré. A la suite de ce contrôle, le chiffre d'affaires déclarés par le demandeur dans les déclarations périodiques déposées à la TVA a également fait l'objet d'une rectification par procès-verbal établi en date du 27 novembre 2006 (pièce 1 du dossier de l'Etat belge).

Ce procès-verbal a motivé une contrainte enrôlée sous le numéro 306.1128.70687/PPNA, décernée le 29 novembre 2006 par D.G., Inspecteur principal intérimaire du Bureau de Recette de la T.V.A. de Nivelles, visée et rendue exécutoire par Monsieur L.D., Directeur a.i. désigné par le Directeur régional de l'administration de la taxe sur la valeur ajoutée, à Namur, le 5 décembre 2006 (pièce 1 du dossier de l'Etat belge).

La contrainte est notifiée au demandeur le 7 décembre 2006 et signifiée au Procureur du Roi avec commandement de payer le 22 juillet 2011 (le demandeur réside alors en France). Elle est, de nouveau, notifiée au demandeur le 28 janvier 2016.

Le 26 février 2016, le demandeur dépose, devant le tribunal de céans, une requête en opposition à contrainte visant la contrainte 306.1128.70687 (pièce 2 du dossier de l'Etat belge).

Par jugement du 29 octobre 2018 (RG 16/2213/A), le tribunal de céans dit la demande recevable mais non fondée et en déboute le demandeur (pièce 3 du dossier de l'Etat belge).

Le demandeur interjette appel de ce jugement. Le litige est actuellement toujours pendant devant la Cour d'appel de Bruxelles et est connu sous le numéro RG 2018/AF/493 (pièce 4 du dossier de l'Etat belge).

3. Le 25 octobre 2023, le Conseiller recouvrement — Receveur du Team Recouvrement Personnes Physiques Ottignies adresse, par pli recommandé postal, une sommation interruptive de prescription à Madame D.A. (NN …), épouse du demandeur, domiciliée …, concernant la dette TVA connue sous le numéro d'article 306.1128.70687 (pièce 5 du dossier de l'Etat belge). Est annexée à l'acte interruptif de prescription une copie de la contrainte décernée le 29 novembre 2006.

4. Le 31 janvier 2024, le demandeur dépose une requête contradictoire au greffe du tribunal de céans.

OBJET DES DEMANDES DES PARTIES

5. M. P. n'a pas conclu. Au sein de sa requête contradictoire, il demande la mise à néant de la contrainte CTRI 306.1128.70687 car l'administration fiscale ne peut se délivrer une seconde contrainte pour des faits identiques. Il sollicite également une mise à néant de la contrainte en raison d'un défaut de motivation de celle-ci.

6. Dans ses dernières conclusions, l'Etat belge demande au tribunal de :

- Déclarer la demande irrecevable ;

- Condamner le demandeur aux dépens de l'instance.

ANALYSE DU TRIBUNAL

7. Le litige porte sur la recevabilité du recours judiciaire.

L'Etat belge invoque l'irrecevabilité du recours judiciaire car le demandeur n'a pas de qualité à agir puisque la sommation interruptive de prescription a été adressée à son épouse, d'une part et en raison de l'exception d'autorité de chose jugée, d'autre part.

8. Par son recours, le demandeur conteste « la contrainte portant le n° 306.1128.70687/PPNA reçue en date du 25 octobre 2023 ».

Il y a cependant confusion dans le chef du demandeur. Ledit document daté du 25 octobre 2023 est une sommation interruptive de prescription adressée à Madame D.A., son épouse. Il ne s'agit pas de la délivrance d'une seconde contrainte. Est jointe à cette sommation interruptive de prescription, une copie certifiée conforme de la contrainte originaire.

9. En tout état de cause, c'est à bon droit que l'Etat belge soulève l'exception d'autorité de chose jugée.

10.Dispositions légales applicables

L'article 19 du Code judiciaire prévoit que :

« Le jugement est définitif dans la mesure où il épuise la juridiction du juge sur une question litigieuse, sauf les recours prévus par la loi.

Le juge qui a épuisé sa juridiction sur une question litigieuse ne peut plus en être saisi sauf exceptions prévues par le présent Code. »

L'article 23 du Code judiciaire dispose que :

« L'autorité de la chose jugée n'a lieu qu'à l'égard de ce qui a fait l'objet de la décision. Il faut que la chose demandée soit la même ; que la demande repose sur la même cause, quel que soit le fondement juridique invoqué ; que la demande soit entre les mêmes parties, et formée par elles et contre elles en la même qualité. L'autorité de la chose jugée ne s'étend toutefois pas à la demande qui repose sur la même cause mais dont le juge ne pouvait pas connaître eu égard au fondement juridique sur lequel elle s'appuie. »

L'article 24 du Code judiciaire énonce que :

« Toute décision définitive a, dès son prononcé, autorité de chose jugée. »

L'article 25 du Code judiciaire énonce que :

« L'autorité de la chose jugée fait obstacle à la réitération de la demande. »

L'article 26 du Code judiciaire prévoit que :

« L'autorité de la chose jugée subsiste tant que la décision n'a pas été infirmée. »

L'article 27 du Code judiciaire stipule que :

« L'exception de chose jugée peut être invoquée en tout état de cause devant le juge du fond saisi de la demande.

Elle ne peut être soulevée d'office par le juge. »

11.Principes juridiques applicables

L'effet négatif de l'autorité de chose jugée correspond à ce qu'on appelle << l'exception de chose jugée >>. On désigne par là le moyen de défense opposé par le défendeur qui se voit attrait en justice par un demandeur alors qu'une décision définitive a déjà été rendue entre eux concernant le même objet de la demande et pour la même cause. Il s'agit non pas d'une exception mais d'une fin de non-recevoir. En effet, l'<< exception >> de chose jugée ne sanctionne pas une simple irrégularité de la procédure dont la portée ne serait que limitée et temporaire — ce qui est le propre de l'exception — mais un défaut du droit d'agir en justice, en l'occurrence dans le chef du plaideur dont la prétention a déjà été tranchée par une décision définitive, et entraîne dès lors l'irrecevabilité de la demande (au même titre que la fin de non-recevoir tirée du défaut d'intérêt ou de qualité du demandeur, de la prescription ou encore de l'expiration d'un délai préfix).

En effet, seule la décision définitive sur le fond ou sur incident, contradictoire ou par défaut, a, dès son prononcé et tant qu'elle n'a pas été infirmée, autorité de la chose jugée (art. 24 et 26 C. jud.), la décision définitive étant celle qui << épuise la juridiction du juge sur une question litigieuse, sauf les recours prévus par la loi >> (art. 19, al. 1" C. jud.). L' << exception >> de chose jugée est soumise à la condition dite de << triple identité >> qui veut qu'elle ne puisse jouer qu'entre des personnes parties à la fois au procès en cours et à un procès antérieur, au sujet d'une même demande et pour la même cause. Cette triple condition est énoncée par l'article 23 du Code judiciaire.

L'objet de la demande est la prétention, le résultat recherché par son auteur. Il s'agit du résultat social ou économique poursuivi par le demandeur, que le magistrat doit qualifier juridiquement si les parties ne l'ont pas fait ou requalifier si elles ont proposé une qualification inexacte. La notion de cause renvoie désormais aux faits du litige, peu importe leur qualification'. Une partie ne peut pas demander deux fois la même chose dans un litige qui porte sur les mêmes faits, même si elle modifie le fondement juridique de sa demande dans la seconde procédure.

12. En l'espèce, la triple identité ne peut être contestée : le recours introduit le 26 février 2016 portait sur la même dette, due en vertu du même titre exécutoire, entre les mêmes parties et sur les mêmes faits. En outre, les moyens et fondements juridiques invoqués étaient identiques.

Une décision définitive a été prise entre les mêmes parties pour les mêmes faits de telle sorte que le présent recours est irrecevable.

Beschikkend gedeelte

DÉCISION DU TRIBUNAL

PAR CES MOTIFS,

LE TRIBUNAL,

Vu les articles 1, 34 à 37, 40 et 41 loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire, usage de la langue française ayant été fait ;

Statuant contradictoirement,

Écartant toute autre argumentation devenue sans pertinence en raison de sa décision,

Dit la demande irrecevable ;

Condamne le demandeur aux entiers frais et dépens dûs à l'Etat belge et constate l'absence de dépens à liquider ;

Délaisse à Monsieur D.P. ses propres frais et dépens, dont la contribution de 24,00€ due au fonds d'aide juridique de seconde ligne.

AINSI jugé et signé par V.E., Juge, présidant la 14ème chambre fiscale, du Tribunal de Première Instance du Brabant wallon,

et prononcé en langue française à l'audience publique de la même chambre le lundi 31 mars 2025 par V.E., précitée, assistée de C.J., Greffier,

Nota van de FOD Financiën

Opmerking of commentaar

Wetgeving

Artikelen 19, 23 tot 27 van het Gerechtelijk Wetboek

Referentie WF

FINALITI 5508577401 WF 703-15-24/000242

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 56bis2 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8