Betwisting, Dwaling en bedrog, Prestatie als advocaat, geschil, Btw-vrijstelling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 22 september 2025

Zoeken

Betwisting, Dwaling en bedrog, Prestatie als advocaat, geschil, Btw-vrijstelling

https://juriel.be/nl/rechtspraak/betwisting-dwaling-bedrog-prestatie-advocaat-rechtbank-antwerpen-2025-09-22-1f9a

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
22 september 2025

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

98 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 22.09.2025

[ Gunstig vonnis ]

BTW – Betwisting – Dwaling en bedrog – Prestatie als advocaat

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 22.09.2025

(24/1989/A)

Inzake:

X.,

geboren op …/1975 en wonende te …, KBO: …,

RRN: …,

eiser

 vertegenwoordigd ter zitting door Mr. T.A. loco Mr. T.K. te …

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT,

Federale Overheidsdienst Financier, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Mechelen, met kantoren gevestigd te 2300 TURNHOUT, Spoorwegstraat 22, KBO: 0308.357.159,

verweerder

 vertegenwoordigd ter zitting door de heer F.T. in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financier.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 14 mei 2024, ingeschreven ter griffie op 15 mei

2024;

 de beschikking gewezen overeenkomstig artikel 747, §1, Ger. W. op 7 juni 2024, waarbij de conclusietermijnen en de rechtsdag werden bepaald;

 de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden, op 23 juni 2025.


1. Procedurele voorgaanden en vorderingen van partijen

De betwisting heeft betrekking op het btw-innings- en invorderingsregister met betrekking tot de volgende schuldnummers (verder de betwist btw-schulden):

1.500243614159 uitvoerbaar verklaard op 31/08/2021 en betekend op 15/04/2022

2.500248362917 uitvoerbaar verklaard op 27/01/2022 en betekend op 15/04/2022

3.500280320777 uitvoerbaar verklaard op 19/12/2023 en betekend op 29/01/2024

4.500276813825 uitvoerbaar verklaard op 10/10/2023 en betekend op 29/01/2024

5.500273796721 uitvoerbaar verklaard op 10/08/2023 en betekend op 29/01/2024

6.500288159690 uitvoerbaar verklaard op 22/05/2024

7.500255499588 uitvoerbaar verklaard op 28/07/2022

Op 14 mei 2024 werd een verzoekschrift op tegenspraak neergelegd.

2. Vorderingen van partijen

Eiser verzoekt de rechtbank:

•In hoofdorde:

- te zeggen voor recht dat de identificatie van eiser als btw-plichtige nietig is en aldus elke rechtsband ontbreekt tussen eiser en de Belgische Staat tot aanrekening en afdracht van btw;

- te zeggen voor recht dat elke opname van een btw-schuld jegens eiser in het innings-en invorderingsregister nietig is.

•In ondergeschikte orde:

- te zeggen voor recht dat eiser tijdelijk, dan wel definitief bevrijd is van de afdrachtplicht van de betwiste btw-schulden, alsmede te zeggen voor recht dat eiser ontheven is van alle verhogingen (intresten, boetes en kosten).

•In meer ondergeschikte orde:

de onbetaalde btw-schuld (met kohierartikels 500243614159, uitvoerbaar verklaard op 31/08/2021, 500248362917, uitvoerbaar verklaard op 27/01/2022, 500280320777, uitvoerbaar verklaard op 19/12/2023, 500276813825, uitvoerbaar verklaard op 10/10/2023, 500273796721, uitvoerbaar verklaard op 10/08/2023, 500288159690 en 500255499588), te compenseren met de door verweerster aan eiser verschuldigde vergoeding voor de ten behoeve van verweerster geleverde dienst als doorgeefluik van de btw voor alle kwartalen vanaf 2014 t.e.m. het tweede kwartaal van 2021 en deze satisfactoire te verklaren.

•In uiterst ondergeschikte orde:

- te zeggen voor recht dat eiser vanaf 2022 van de btw-plicht is vrijgesteld en de btw-schuld beperkt is tot de aangiftes van 2021;

 verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, waarin begrepen de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 1.350,00 euro en 24 euro (fonds 2e lijnsbijstand).

Verweerder verzoekt de rechtbank voor recht te zeggen:

 het verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

- de vordering van eiser of te wijzen;

de betwiste BTW-schulden onder de volgende schuldnummers geldig te verklaren: 500243614159, uitvoerbaar verklaard op 31/08/2021 en betekend op 15/04/2022 500248362917, uitvoerbaar verklaard op 27/01/2022 en betekend op 15/04/2022 500280320777, uitvoerbaar verklaard op 19/12/2023 en betekend op 29/01/2024 500276813825, uitvoerbaar verklaard op 10/10/2023 en betekend op 29/01/2024 500273796721, uitvoerbaar verklaard op 10/08/2023 en betekend op 29/01/2024 500288159690, uitvoerbaar verklaard op 22/05/2024

500255499588, uitvoerbaar verklaard op 28/07/2022;

- eiser tot de kosten te veroordelen.

3. Ontvankeliikheid

Verweerder betwist niet de ontvankelijkheid van de vordering van eiser. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

De rechtbank oordeelt dat de vordering van eiser ontvankelijk is.

4. Beoordeling

4.1. Ligt een overeenkomst aan de basis van een btw-schuld?

Eiser stelt dat de overeenkomst met verweerder tot aanrekening en afdracht van btw nietig is op grond van afwezigheid van toestemming, dan wel wegens dwaling/bedrog en bijgevolg ook de identificatie van eiser als btw-plichtige en opname van de btw-schuld jegens eiser in het innings-en invorderingsregister.

Artikel 4, §1, eerste lid WBT definieert een belastingplichtige als het volgt:

"Belastingplichtige is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend."

De wet vereist verder geen enkele formaliteit.

Eiser gaat er dan ook volkomen ten onrechte vanuit dat een overeenkomst met de Belgische Staat aan de basis Iigt van de betwiste btw-schulden.

De rechtbank stelt vast dat voor de betwiste periode eiser niet betwist dat hij hoofdzakelijk of aanvullend diensten heeft verricht als advocaat en dat hij dit deed met regelmaat, op zelfstandige basis.

Dat eiser een btw-plichtige is, staat dan ook buiten kijf.

Dit punt van de vordering van eiser is dan ook ongegrond.

4.2. Kan eiser zich beroepen op overmacht?

Eiser stelt vervolgens dat de niet nakoming van de verbintenis om de btw door te storten, geenszins te wijten is aan een fout van eiser, maar enkel aan een toestand die de federale regering zelf in het leven heeft geroepen, te weten de Covid-19 pandemie.

Om overmacht te bewijzen dient er sprake te zijn van redenen onafhankelijk van de wil.

Deze redenen dienen zo te worden uitgelegd dat eiser moet aantonen dat hij tevergeefs alle stappen heeft genomen die een goede huisvader in dezelfde omstandigheden zou getroffen hebben om de belastbare toestand te vermijden.

Voor het doorstorten van de btw aan de Schatkist die men als belastingplichtige (in casu eiser) heeft geïnd bij de klanten, kan men zich niet beroepen op overmacht.

De bewering van eiser dat de Covid-19 pandemie enige impact zou hebben gehad op zijn btw-plichtige activiteit, doet hieraan geen enkele afbreuk.

Dit punt van de vordering van eiser is eveneens ongegrond.

4.3. Heeft men als btw-plichtige recht op een vergoeding voor het doorstorten van de btw?

Eiser stelt dat de verschuldigde btw overeenstemt met de vergoeding voor het als doorgeefluik fungeren van de btw voor alle kwartalen sinds 2012 t.e.m. 2021 ten behoeve van verweerder.

Eiser stelt dat deze vergoeding verschuldigd is en in casu niet overdreven en dan meer dan redelijk is.

De rechtbank stelt vast dat de beweerde vergoeding waarop eiser meent te kunnen aanspraak maken voor het doorstorten van de door hem geinde btw, geen enkele wettelijke basis heeft.

Dit punt van de vordering van eiser is bijgevolg eveneens ongegrond.

4.4. Is eiser gehouden de btw van 2022 en 2023 door te storten?

Op basis van de ingediende btw-aangiftes vanaf 2022 stelt eiser dat hij een omzet heeft van minder dan 25.000,00 euro, wat volgens eiser betekent dat hij dient te worden ontheven van de btw-schulden voor 2022 en 2023.

De rechtbank merkt op dat ook al komt men als belastingplichtige in aanmerking voor de belastingvrijstelling van artikel 56bis, §1 WBTW, deze belastingplichtige dan nog verder kiezen kan voor de toepassing van de belasting ten aanzien van de leveringen van goederen en diensten die hij verricht.

Eiser betwist niet dat hij steeds btw aangerekend heeft op zijn facturen.

Voor deze btw bestaat er een afdraagplicht aan de Belgische Staat.

Dat eiser eventueel in aanmerking komt voor de vrijstellingsregeling van artikel 56bis, §1 WBTW vanaf 2022, doet hieraan geen enkele afbreuk.

Ook op dit punt is de vordering van eiser ongegrond.

5. Kosten van het Reding

Eiser dient als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.

Aangezien verweerder niet wordt vertegenwoordigd of wordt bijgestaan door een raadsman, is er geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart de betwiste btw-schulden onder de volgende schuldnummers geldig: 500243614159, uitvoerbaar verklaard op 31/08/2021 en betekend op 15/04/2022 500248362917, uitvoerbaar verklaard op 27/01/2022 en betekend op 15/04/2022 500280320777, uitvoerbaar verklaard op 19/12/2023 en betekend op 29/01/2024 500276813825, uitvoerbaar verklaard op 10/10/2023 en betekend op 29/01/2024 500273796721, uitvoerbaar verklaard op 10/08/2023 en betekend op 29/01/2024 500288159690, uitvoerbaar verklaard op 22/05/2024

500255499588, uitvoerbaar verklaard op 28/07/2022.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en welke door de rechtbank vereffend worden op 0,00 euro.

Dit vonnis werd uitgesproken op tweeëntwintig september tweeduizend vijfentwintig in openbare zitting van de Kamer AFi1, die samengesteld was uit:

J. V., rechter

C. L., griffier

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 56bis2 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8