Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent dd. 14.12.2017
[Gunstig voor de administratie]
WF: 709-15-16/039181
Belasting over de toegevoegde waarde – correctieopgave – dwaling in rechte of in feite - wilsgebrek - schuldbekentenis - overmacht
Wettelijke bepalingen
Art. 18, § 1 WBTW; art. 81bis, § 1 WBTW
Samenvatting
1)Feiten en voorgaande procedure
De belastingplichtige is autohandelaar. Na aanvraag van een commerciële nummerplaat werd controle uitgevoerd. Uit opzoekingen bij de Dienst in verkeerstelling bleek dat geen enkel voertuig, vermeld op de verkoopfacturen, toebehoorde aan de persoon waaraan de factuur in kwestie was uitgereikt.
Aangezien de fiscale ambtenaar vaststelde dat de boekhouding niet volledig en zodoende onvoldoende bewijskrachtig was, werden de inbreuken en relevant feiten opgenomen in een correctieopgave.
Deze correctieopgave werd dezelfde dag voor akkoord ondertekend. Op 27 oktober 2015 werd het dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard.
In 2016 werd ook uitvoerend beslag gelegd op de roerende goederen van eisers. Hiertegen wordt een dagvaarding in verzet betekend aan de Belgische Staat.
Deze dagvaarding is het voorwerp van voorliggend geschil.
2)Procedure in eerste aanleg
a) wat betreft de correctieopgave
Een akkoordverklaring van eiser (de belastingplichtige) heeft dezelfde bewijskracht als de btw-aangifte. De akkoordverklaring heeft tot gevolg dat de administratie wordt vrijgesteld van de het leveren van het bewijs van de feitelijke gegevens waarop de btw wordt berekend.
De belastingplichtige behoudt steeds het recht om op het akkoord terug te komen indien hij een dwaling in feite of in rechte heeft begaan of indien hij een wilsgebrek kan aantonen. De rechtbank is van oordeel dat eiser hier een loutere bewering voorhoudt die door geen enkel bewijs wordt gestaafd.
De loutere bewering stemt niet overeen met de mogelijkheid die hij had om het vakje “gedeeltelijk minnelijk akkoord” of zelfs het vakje “niet akkoord” aan te kruisen.
Een voor akkoord ondertekende correctieopgave met schuldbekentenis is voldoende om overtredingen waarop die bekentenis staat, vast te stellen en te bewijzen. Het is een fiscaal akkoord omtrent feitenkwesties waarbij de partijen, ter beëindiging van een geschil, de vaststelling daarvan aanvaarden.
De rechtbank stelt vast dat hier geen enkel bewijs van vergissing in feite of in rechte, noch van morele dwang, dwaling of een ander gebrek in de toestemming voorligt.
b) inzake overmacht
Overmacht is een situatie die zich voordoet onafhankelijk van de wil van de partij die er zich op beroept.
Indien een partij bepaalde handelingen stelt die een duidelijke keuze inhouden en die hij stelt op basis van de eigen wil is dit geen overmacht. Overmacht wijst naar een situatie van een onmogelijkheid van handelen. Overeenkomstig het gemeen recht dragen eisers de bewijslast.
Het overlijden van één van de zaakvoerders is volgens de rechter geen overmacht nu blijkt dat eiser werd bijgestaan door een gevolmachtigd boekhouder. De eindverantwoordelijkheid inzake de boekhouding is trouwens eigen aan het zaakvoerderschap en kan niet zomaar worden afgewimpeld door overmacht (bij wijze van stijlclausule) in te roepen.
Eisers falen in hun bewijslast.
Het vonnis werd betekend en is ondertussen in kracht van gewijsde gegaan.
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent dd. 14.12.2017 (16/3868/A)
Rolnummer 16/3868/A
K. Y. en O. S., beiden wonende te …,
EISENDE PARTIJEN, vertegenwoordigd door mr. P. C., advocaat te ….;
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën - Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van:
- de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, KMO Centrum Aalst - Expertise2, met kantoren te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4,en
- de adviseur, rekenplichtige van het Regionaal Invorderingscentrum Oost-Vlaanderen, team Invordering natuurlijke personen Waasland, verbonden aan de Algemene Administratie van de Inning en Invordering, met kantoren te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 1,
VERWERENDE PARTIJ, voor wie optreedt de heer B.D., attaché bij een fiscaal bestuur.
Beslist de rechtbank als volgt:
I. DE RECHTSPLEGING
De rechtbank hoorde partijen in hun argumenten op de openbare terechtzitting van 16 november 2017. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder de dagvaarding in verzet van 23 augustus 2016, het BTW - dwangbevel nr. XXX/XXXX/XXXXX van 27 oktober 2015 (uitvoerbaar verklaard op 29 oktober 2015) en de conclusie van partijen.
II. DE VORDERING
Eisers vorderen in syntheseconclusie:
"Vooraleer recht te doen de voorlegging te bevelen in toepassing van art. 871 Ger.W , van de stukken vermeld in de besluiten van verweerster nl. de brieven verstuurd naar de verkopers en de antwoorden daarop de opzoekingen in het DIV met de resultaten en intussen de procedure op te schorten;
Minstens, de persoonlijke verschijning van partijen te bevelen waarbij mevrouw De Wel dient te worden opgeroepen voor verweerster;
De omstreden correctie-opgave dd. 27.07.2015 nietig te verklaren, alsook het daarop volgend beslag waarvoor vaststellingen gebeurden van een nieuwe verkoopdag voor 25.08.2016 nietig te verklaren en te zeggen voor recht dat de vorderingen tegen [eisers] ongegrond zijn;
Verweerster te veroordelen tot terugbetaling aan [eisers] van de ten onrechte betaalde sommen met de moratoriumintresten vanaf de dag van de betaling;
Verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding en van de uitvoering, met inbegrip van de RPV, voorlopig bepaald op 1.210,00 euro."
Verweerster vordert in syntheseconclusies de vordering ontvankelijk en ongegrond te verklaren, de correctieopgave en het dwangbevel te bevestigen evenals het uitvoerend beslag en eisers te veroordelen tot alle kosten van het geding.
III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL
1. Eerste eiser is als btw-belastingplichtige geregistreerd sinds 9 maart 2012 onder het nummer BE0878.218.501 voor de activiteit van autohandel.
2. Op 25 maart 2014 heeft eerste eiser bij de controle btw Dendermonde 1-11 een aanvraag ingediend voor inschrijving van een commerciële plaat voor motorrijtuigen en aanhangwagens, zoals bepaald in het Koninklijk Besluit van 8 januari 1996.
3. Naar aanleiding van deze aanvraag hebben de fiscale ambtenaren, Inspectie Lokale Opsporingen Mechelen, Sectie Sint-Niklaas, een fiscale controle uitgevoerd bij eerste eiser op 31 maart 2014 op het adres XXX te XXX. Hun bevindingen werden opgenomen in een proces-verbaal van vaststelling op dezelfde dag.
4. Op 17 september 2014 heeft een fiscale ambtenaar zich aangeboden op het adres XXX te XXX. Eerste eiser was aanwezig maar kon geen enkel document voorleggen. Daarop heeft de fiscale ambtenaar gevraagd om alle relevante documenten zo snel mogelijk te mailen.
5. Op dezelfde dag, namelijk op 17 september 2014, verstuurde mevrouw D.W., fiscale ambtenaar, brieven naar de twaalf kopers die vermeld werden op de voorgelegde verkoopfacturen bij de aanvraag van de commerciële plaat voor motorrijtuigen en aanhangwagens d.d. 25 maart 2014.
Volgens de fiscale administratie was het vermelde adres op de factuur niet correct van enkele klanten en werd de naam van de koper ook niet teruggevonden in het rijksregister. Uit opzoekingen bij de Dienst in verkeerstelling bleek dat geen enkel voertuig, vermeld op de verkoopfacturen, toebehoorde aan de persoon waaraan de factuur in kwestie was uitgereikt.
6. De fiscale administratie heeft vastgesteld dat uit de reacties op de hierboven genoemde brieven is gebleken dat er van de elf personen die werden aangeschreven, slechts één iemand daadwerkelijk een voertuig had aangekocht bij de heer Y. K.
7. Op 23 september 2014 had mevrouw D.W., fiscale ambtenaar, nog geen enkele van de aan eerste eiser gevraagde documenten ontvangen.
8. Per aangetekend en gewoon schrijven van 17 september 2015 werd bij toepassing van artikel 62 § 1 van het btw-wetboek, wederom een controle aangekondigd op 15 oktober 2015 met het verzoek de volledige boekhouding van de periode vanaf 1 januari 2012 tot 30 september 2015, waarvan het houden en bewaren is voorgeschreven door het btw-wetboek, ter inzage voor te leggen.
9. De fiscale ambtenaar heeft op de controle van 15 oktober 2015 vastgesteld dat de boekhouding nog steeds niet volledig en zodoende, volgens de fiscale administratie, onvoldoende bewijskrachtig was. Omwille van deze reden heeft de fiscale ambtenaar de inbreuken en de relevante feiten van de controle opgenomen in een correctieopgave. Deze correctieopgave van 15 oktober 2015 werd door eerste eiser op dezelfde dag voor akkoord ondertekend.
10. Op 27 oktober 2015 werd inzake deze correctieopgave een dwangbevel uitgevaardigd onder het nr. 500/1534/74887 dat op 29 oktober 2015 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.
Overeenkomstig deze correctieopgave zijn volgende sommen verschuldigd:
1) BTW: 10.673,11 EUR
2) Geldboete overeenkomstig art. 70 § 1 W.BTW: 1,060,00 EUR
3) Niet-proportionele geldboete ingevolge art. 70 § 4 W.BTW: 5.150,00 EUR
4) Intresten verschuldigd krachtens art. 91 § 1 W.BTW;
11. Het hierboven genoemde dwangbevel met nr. XXX, een dwangbevel gekend onder het nr. XXX en een dwangschrift i.v.m. kohier XXX (Directe Belastingen) werden betekend aan eisers per deurwaardersexploot op 23 december 2015.
12. Op 16 februari 2016 werd overeenkomstig deze dwangbevelen en dwangschrift een uitvoerend beslag gelegd op de roerende goederen van eisers.
13. Op 23 augustus 2016, 2 dagen voor de verkoopdatum, wordt door eisers een dagvaarding in verzet betekend aan de Belgische Staat, Algemene Administratie van de Inning en Invordering van de FOD Financiën.
Deze dagvaarding in verzet is het voorwerp van het voorliggende geschil.
IV. BEOORDELING
Ontvankelijkheid
Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.
Ten gronde
Inzake de correctieopgave van 15oktober 2015
1. Eerste eiser stelt in zijn dagvaarding dat "[eisers] niet werden bijgestaan op het moment van ondertekening zodat er in hun hoofde een wilsgebrek bezig was" en dat "zij (. ..) wellicht niet het juiste begrip hebben gehad van wat daarin was opgenomen".
2. Een akkoordverklaring van de belastingplichtige met het door de fiscale administratie gewijzigde bedrag van de te betalen btw, heeft dezelfde bewijskracht als de BTW-aangifte. De akkoordverklaring heeft tot gevolg dat de administratie wordt vrijgesteld van het leveren van het bewijs van de feitelijke gegevens waarop de btw werd berekend.
De belastingplichtige behoudt steeds het recht om op het akkoord terug te komen indien hij aantoont dat hij een dwaling in feite of in rechte heeft begaan of indien hij een wilsgebrek kan aantonen.
3. De rechtbank is van oordeel dat (eerste) eiser hier een loutere bewering voorhoudt die door geen enkel bewijs wordt gestaafd. Des te meer daar eiser op bladzijde 16 erkent schuldenaar te zijn voor een bedrag van 10.670 EUR aan btw, verhoogd met geldboeten en wettelijke interesten. Verder heeft (eerste) eiser op 15 oktober 2015 een akkoord ondertekend zonder enig voorbehoud. De loutere bewering van het wilsgebrek stemt niet overeen met de mogelijkheid die (eerste) eiser had om het vakje "gedeeltelijk minnelijk akkoord" of zelfs het vakje "geheel niet-akkoord" aan te kruisen.
4. Een voor akkoord ondertekende correctieopgave met schuldbekentenis is voldoende om de overtredingen waarop die bekentenis slaat, vast te stellen en te bewijzen. Het is een fiscaal akkoord omtrent feitenkwesties waarbij de partijen, ter beëindiging van een geschil, de vaststelling daarvan aanvaarden.
Het fiscaal akkoord, met name de correctieopgave, dient dus wel degelijk als basis voor het dwangbevel. Er zijn geen rekenfouten, schrijffouten of grove vergissingen geslopen in het afgesloten fiscaal akkoord.
5. De rechtbank stelt vast dat in het voorliggend geval (eerste) eiser geen enkel bewijs voorlegt van het bestaan van een vergissing in feite of in rechte, noch van,morele dwang, dwaling of een ander gebrek in de toestemming. Eisers falen in hun bewijslast.
De grief van eisers is ongegrond.
Inzake overmacht
6. Eerste eiser stelt in zijn dagvaarding dat "ingevolge het overlijden van zijn boekhouder wegens overmacht er problemen zijn geweest bij het tijdig overmaken van aangiften, opsturen van documenten of indienen van bezwaren".
7. Overmacht is een situatie die zich voordoet onafhankelijk van de wil van de partij die zich hierop beroept. Indien een partij bepaalde handelingen stelt die een duidelijke keuze inhouden en die hij stelt op basis van de eigen wil is er geen sprake van overmacht. Overmacht verwijst naar een situatie van een onmogelijkheid tot handelen. Overeenkomstig het gemeen recht dragen eisers
de bewijslast van de overmacht.
8. De rechtbank is van oordeel dat het overlijden van één van de zaakvoerders van het boekhoudkantoor I.S.bvba geen overmacht uitmaakt, nu blijkt dat eisers werden bijgestaan door mevrouw N. W. van I. S. bvba, gevolmachtigd boekhouder van eisers. De rechtbank merkt trouwens op dat dat de eindverantwoordelijkheid inzake de boekhouding en alle andere wettelijke verplichtingen eigen zijn aan het zaakvoerderschap en niet zomaar kunnen worden afgewimpeld door overmacht (bij wijze van stijlclausule) in te roepen.
Eisers falen in hun bewijslast om overmacht aan te tonen.
Besluit
9. Uit de bovenstaande overwegingen staat vast dat de vordering ongegrond is en dat alle meeromvattende en strijdige conclusies worden verworpen als niet ter zake dienend.
De vordering van eisers is ongegrond zodat het dwangbevel wordt bevestigd.
V.GERECHTSKOSTEN
Eisers dienen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).
In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.
De kosten in het huidige geschil betreffen de dagvaardingskosten (die ten laste blijven van eisers) en de rechtsplegingsvergoeding.
Aangezien verweerster geen beroep op een advocaat heeft gedaan, kan zij geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding. In deze omstandigheid is het dan ook over overbodig tot begroting ervan over te gaan.
DEZE RECHTBANK beslist:
recht doende op tegenspraak;
met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:
- alle meeromvattende en strijdige argumenten te verwerpen als niet ter zake dienend.
- de vordering ontvankelijk en ongegrond te verklaren;
- het dwangbevel inzake BTW met nr. 500/1534/74887 van 27 oktober 2015
(uitvoerbaar verklaard op 29 oktober 2015) te bevestigen;
- dat tot dusver geen kosten van het geding te begroten zijn.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op donderdag veertien december tweeduizend zeventien, waar aanwezig waren :
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.