Tekst van de beslissing
Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 08.10.2002
Boeten - Beoordeling door de rechter - B.T.W. - Facturatieverplichting
Artikel 22.3 van de Zesde EG-Richtlijn legt de plicht tot het opstellen en uitreiken van een factuur op ten aanzien van de B.T.W.-plichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen. Dit heeft voor gevolg dat aan particulieren geen factuur moet worden uitgereikt. In artikel 1, § 2, 1e lid van het K.B. nr. 1 heeft de Belgische wetgever dit principe overgenomen door een ontheffing van facturatieplicht jegens particulieren (natuurlijke personen die de leveringen of diensten bestemmen voor hun privé-gebruik) in te voeren. Evenwel werden in artikel 1, § 2, 2e lid van het K.B. nr. 1 enkele uitzonderingen voorzien, in de sfeer van de groothandel. Deze uitzonderingen houden een uitbreiding in van de facturatieverplichting en werden ingevoerd om fraude bij de afnemers te voorkomen.
De rechtbank oordeelt dat deze bepalingen geen algemene antifraudemaatregel zijn zoals voorzien in artikel 27 Zesde EG-Richtlijn hetwelk machtiging door de Europese instanties vereist. Het uitbreiden van de facturatieplicht vormt volgens de rechtbank geen «bijzondere maatregel» die «afwijkt» van de maatregelen in de richtlijn. Het is eerder een «opleggen van andere verplichtingen» zoals bedoeld in artikel 22.8 van de Zesde EG-Richtlijn. De facturatieplicht is immers een maatregel die essentieel door de Zesde Richtlijn voorzien is. Het is slechts de uitbreiding van de groep afnemers aan wie moet worden gefactureerd die een «andere verplichting» is dan in de richtlijn uitdrukkelijk voorgeschreven.
Een boete van 200 % op het B.T.W.-bedrag heeft een repressief karakter. De rechtbank heeft de macht om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich gezondigd heeft. In casu is de rechtbank van oordeel dat een administratieve boete gepast is. Het systeem dat de belastingplichtige toepast, laat toe om leveringen zonder factuur uit te reiken aan de B.T.W.-plichtigen die daarmee - vooral in de horeca waar de controle hoofdzakelijk op basis van de aankopen gebeurt - omzet in het zwart kunnen realiseren. Rekening houdend met de feitelijke elementen en de zwaarwichtigheid van de feiten acht de rechtbank een boete van 25 000 euro in plaats van de opgelegde geldboete van 274 765,18 EUR gepast in verhouding tot de vastgestelde feiten.
Advocaten : Mr. Speecke, Mr. Van Der Perre
B.V.B.A. B.
tegen
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën
I. Procedure
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 10 september 2002, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad,
De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :
1. de dagvaarding met verzet tegen dwangbevel van 18 januari 2000;
2. de conclusie voor eiseres van 29 februari 2000;
3. de conclusie voor eiseres van 6 september 2000;
4. de conclusie voor eiseres van 27 maart 2001;
5. de conclusie voor eiseres van 3 augustus 2001 en
6. de conclusie voor verweerder van 24 september 2001.
Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.
II. De bijzonderste gegevens van de zaak
1. De feiten die relevant zijn voor het geschil
Eiseres is een groothandel die toeleveringen doet aan de horeca. Haar zaakvoerster en dier echtgenoot zijn houders van een leurkaart.
Hoewel eiseres bij haar inschrijving in het handelsregister melding maakte van een activiteit van kleinhandel in grondstoffen voor bakkerijen en horeca en meststoffen, heeft zij van die activiteit nooit kennis gegeven aan de BTW-administratie. Bovendien blijkt zij in een brief van 22 juni 1993 heel uitdrukkelijk gesteld te hebben dat zij geen kleinhandel was.
Ingevolge een onderzoek van de BBI met betrekking tot de boekjaren 1995 tot 1998 werd een proces-verbaal opgesteld, gedateerd op 29 november 1999. In dat proces-verbaal wordt namens verweerder, vooropgesteld dat eiseres voor die vier jaren, in strijd met de BTW-wetgeving, nagelaten heeft facturen uit te reiken aan particulieren, terwijl zij wel zou verkocht hebben aan particulieren en terwijl zij dat als groothandel verplicht was.
Afgaande op de verklaringen van de partijen op de openbare terechtzitting, maakte eiseres in de betrokken periode op gezette tijdstippen facturen waarin zij «verkopen aan particulieren» groepeerde. Op die facturen stonden geen identificatiegegevens van afnemers.
Er werd in het proces-verbaal berekend dat het ging om een BTW-bedrag over die vier jaren van 5.542.344 frank (137.391,12 euro). Daarop werd een boete van 200 % gerekend, zijnde (afgerond) voor een bedrag van 11.084.000 frank (274.765,18 euro).
Op basis van dat proces-verbaal en voor het bedrag van de daarin vermelde boete werd op 13 december 1999 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 16 december 1999 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard en aan eiseres werd ter kennis gebracht met een aangetekende brief van 20 december 1999.
Met een dagvaarding van 18 januari 2000 stelde eiseres haar huidige vordering in.
2. De vorderingen van de partijen
Eiseres vordert dat de rechtbank het dwangbevel van 13 december 1999 zou nietig, minstens onwettig of ongegrond verklaren en zou zeggen voor recht dat het dwangbevel geen enkel gevolg mag hebben.
Tevens vordert eiseres dat de rechtbank de teruggave zou bevelen van alle eventueel ingehouden sommen, verhoogd met de moratoire interest.
Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.
Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.
III. Beoordeling
1. De ontvankelijkheid van de vordering
Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
2. De grond van de vordering
2.1. Stelling van eiseres
Eiseres voert in eerste orde aan dat de Belgische wetgever de verplichting om te factureren aan particuliere afnemers niet kon opleggen aan groothandelaars zonder artikel 27 van de zesde richtlijn toe te passen. Volgens eiseres is die verplichting een algemene anti-fraudemaatregel zodat deze slechts kon ingevoerd worden na machtiging door de Raad van de E.G. op voorstel van de Europese Commissie.
In tweede orde brengt eiseres in dat het opleggen van een boete wegens het niet opmaken van facturen voor de verkopen aan particulieren, een schending van het vertrouwensbeginsel inhoudt. In het bijzonder stelt eiseres dat bij vorige BTW-controles nooit een opmerking werd gemaakt met betrekking tot de betwiste werkwijze. Daardoor zou bij haar het rechtmatig vertrouwen zijn gewekt dat zij, hoewel zij geen kleinhandel was en ook niet de gebruikelijke infrastructuur en werkwijze van een detaillist gebruikte, geen facturen aan particulieren moest uitreiken.
Tenslotte vraagt eiseres dat de omvang van de boete minstens in belangrijke mate zou gereduceerd worden. Daartoe verwijst zij naar de gevolgen van de betaling van een boete met dergelijke omvang, op het feit dat de BTW-administratie zelf in een brief slechts een boete van 60 % zou voorgestaan hebben, dat zij zelf steeds de BTW heeft voldaan, dat het bewijs van het opzet om belastingen te ontduiken niet is geleverd en dat de strafrechtelijke boete in geval van fraude gelegen is tussen 10.000 frank (247,89 euro) en 500.000 frank (12.394,68 euro).
2.2. Stelling van verweerder
Verweerder verwijst naar een arrest van het Hof van Justitie van 18 juli 1988 en stelt dat daarin reeds werd verduidelijkt dat de maatregelen die een Lidstaat neem in het kader van artikel 22.8 van de zesde richtlijn om fraude te bestrijden, niet onder artikel 27 van de zesde richtlijn vallen.
Volgens verweerder zijn er bij eiseres nooit BTW-controles gebeurd die van die aard waren om bij eiseres het vertrouwen te wekken dat zij haar verkopen aan particulieren kon doen zonder facturatie. De enige controle die door de BTW-administratie ter plaatse zou zijn uitgevoerd in de periode vóór de betwiste boekjaren zou slechts een vluchtige routinecontrole naar de inventarisplicht zijn geweest.
Met betrekking tot de omvang van de boete benadrukt verweerder vooral dat het systeem dat eiseres hanteert haar BTW-plichtige afnemers toelaat om in hun restaurants maaltijden aan te bieden zonder er BTW op aan te rekenen. Verweerder maakt een berekening waarin zij een brutowinstmarge van 100 % toepast op de aankoopkosten van een maaltijd. Op die 200 %-prijs is aldus (aan het tarief van 21 %) voor 42 eenheden BTW verschuldigd. Na aftrek van 6 eenheden BTW die door eiseres worden doorgestort aan het BTW-ontvangkantoor, leidt dat volgens verweerder tot een verlies van de Schatkist van (42 - 6 =) 36 eenheden per honderd eenheden omzet bij eiseres. Als op die BTW bij eiseres een boete van 200 % toegepast wordt, dan recupereert de Schatkist volgens verweerder nog altijd maar (6 × 2 =) 12 eenheden extra, waardoor er nog steeds een verlies is van (36 - 12 =) 24 eenheden.
Verder meent verweerder dat de bevoegdheid van de rechtbanken om een boete te beoordelen niet zover reikt dat zij zouden in de mogelijkheid zijn om de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, te bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid. Verweerder acht een boete van 200 % dan ook aangepast.
2.3. Beoordeling
2.3.1. Over de artikelen 22.3, 22.8 en 27 van de zesde E.G.-richtlijn
Er bestaat geen betwisting over dat artikel 22.3 van de zesde E.G.-richtlijn slechts de plicht tot het opstellen en uitreiken van een factuur oplegt ten aanzien van BTW-plichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen. Omgekeerd heeft dat voor gevolg dat aan particulieren geen factuur moet worden uitgereikt. In artikel 1, § 2, 1ste lid van het K.B. nr. 1 heeft de Belgische Wetgever dat principe overgenomen door een ontheffing van facturatieplicht jegens particulieren (natuurlijke personen die de leveringen of diensten bestemmen voor hun privé-gebruik) in te voeren. Evenwel werden in artikel 1, § 2, 2de lid K.B. nr. 1 enkele uitzonderingen voorzien, in het bijzonder de volgende, die in de sfeer komen van de groothandel. Aldus geldt naar positief Belgisch recht wel een facturatieplicht jegens particulieren voor :
6º de leveringen die betrekking hebben op goederen die, gelet op de aard ervan, de wijze waarop zij worden aangeboden, de verkochte hoeveelheden of de toegepaste prijzen, kennelijk bestemd zijn voor een economisch gebruik, alsook de leveringen van goederen van de soort waarin de verkrijger handel drijft of die hij normaal bestemt voor de uitoefening van zijn economische activiteit;
7º de leveringen verricht in inrichtingen of op plaatsen die normaal niet toegankelijk zijn voor particulieren;
8º de leveringen verricht door voortbrengers- of grossiersbedrijven;
Het is wegens schending van die bepalingen dat verweerder zijn proces-verbaal heeft opgesteld.
Deze wetsbepalingen houden een uitbreiding in van de facturatieverplichting zoals ze expliciet door de zesde E.G.-richtlijn is voorzien.
Eiseres is van oordeel dat die bepalingen een algemene anti-fraudemaatregel zijn en dat dit door de Belgische Wetgever niet kon ingevoerd worden zonder de weg van de E.G.-commissie te volgen overeenkomstig artikel 27 van de zesde E.G.-richtlijn.
Verweerder betwist niet dat de betwiste bepalingen van het K.B. nr. 1 ingevoerd zijn om fraude bij de afnemers te voorkomen.
Verweerder voert met reden aan dat Hof van Justitie al heeft verduidelijkt dat een Lid-Staat die artikel 22.8 van de zesde richtlijn toepast, niet de machtiging van artikel 27 moet bekomen (arrest van 18 juli 1988, R.W. 1988-89, 309).
De vraag is dan wat het onderscheid is tussen de bepalingen van enerzijds artikel 22.8 en artikel 27 van de zesde richtlijn. Hun teksten gaan als volgt.
Art. 22
(...)
8. De Lid-Staten kunnen, onder voorbehoud van gelijke behandeling van door belastingplichtigen verrichte binnenlandse handelingen en handelingen tussen de Lid-Staten, andere verrichtingen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude mits deze verplichtingen in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten geen aanleiding geven tot formaliteiten in verband met het overschrijden van een grens.
Art. 27
1. De Raad kan op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen elke Lid-Staat machtigen, bijzondere, van de bepalingen van deze richtlijn afwijkende maatregelen te treffen teneinde de belastingheffing te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of -ontwijking te voorkomen. De maatregelen tot vereenvoudiging van de belastingheffing mogen geen noemenswaardige invloed hebben op het belastingbedrag dat verschuldigd is in het stadium van het eindverbruik.
De maatregelen ter «fraudevoorkoming» die de Lid-Staten kunnen nemen zonder machtiging van de Raad (art. 22.8) zijn het «voorschrijven van andere verplichtingen».
De anti-fraudemaatregelen waarvoor wel machtiging van de Raad voorzien is, bestaan dan kennelijk uit het «treffen van bijzondere, van de bepalingen van deze richtlijn afwijkende maatregelen».
De rechtbank is van oordeel dat het uitbreiden van de facturatieplicht geen «bijzondere maatregel» is die «afwijkt» van de maatregelen in de richtlijn. Het uitbreiden van de facturatieverplichting is eerder een «opleggen van andere verplichtingen» zoals bedoeld in artikel 22.8 van de zesde richtlijn en in elk geval is de facturatieplicht een maatregel die essentieel door de zesde richtlijn voorzien is. Het is slechts de uitbreiding van de groep afnemers aan wie moet gefactureerd worden die een «andere verplichting» is dan in de richtlijn uitdrukkelijk voorgeschreven.
Hoe dan ook zijn de bepalingen van artikel 1, § 2, 2de lid, 6 tot 8 van K.B. nr. 1 geen «algemene» maatregelen om fraude te voorkomen. Zij zijn immers specifiek toepasselijk op de B.T.W.-plichtigen die normaal niet aan particulieren verkopen.
Voorts is de verplichting om te factureren aan particulieren op zich geen zware, omslachtige formaliteit waardoor de administratie van de groothandelaar danig zou verzwaard worden. Er moet immers verondersteld worden dat een groothandelaar die - zoals eiseres - geen speciale voorzieningen treft om de verkoop in detail en aan particulieren aantrekkelijk te maken, verhoudingsgewijs niet zoveel dergelijke verkopen zal boeken dat het noteren (en toevoegen aan de bestaande klantenlijst) van de identificatiegegevens van de particuliere klanten, een grote verzwaring van de administratie zal veroorzaken. Mocht het aantal particuliere klanten zo omvangrijk worden, dan zal het aan de betrokken belastingplichtige toekomen om zich te regulariseren door zich ook als kleinhandelaar bekend te maken bij de B.T.W.-administratie en zich als zodanig in te richten en te organiseren.
Ten slotte kan bezwaarlijk betwist worden dat het invoeren van een facturatieplicht jegens particulieren in hoofde van groothandelaars een probaat middel is om B.T.W.-fraude te voorkomen. De partijen zijn het daarover trouwens eens.
In die omstandigheden stelt de rechtbank vast dat door verweerder met reden de bepalingen van artikel 1, § 2, 2de lid, 6 tot 8 van K.B. nr. 1 toegepast moeten worden. Er kan geen schending van de artikelen 22.3 en 27 van de zesde richtlijn worden aangenomen.
2.3.2. Het vertrouwensbeginsel
Eiseres toont niet afdoende aan dat bij haar door de houding van de B.T.W.-administratie het vertrouwen was gewekt dat het niet-factureren aan particulieren was toegestaan.
Kennelijk heeft de B.T.W.-controle van Veurne aan eisers op 23 november 1993 een correctie-voorstel verstuurd. Op dat voorstel staat uitdrukkelijk dat de cijfers afkomstig zijn van de boekhouder van eiseres. Het gaat blijkbaar om een verhoging van de «voordelen van alle aard» (V.A.A.). Eén en ander kan het gevolg geweest zijn van een controle van de directe belastingen, maar in elk geval toont eiseres op die manier niet aan dat zij in dat verband een B.T.W.-controle ter plaatse onderging.
Verder bekent verweerder dat er op 14 januari 1993 een bezoek geweest is van B.T.W.-controleur G. Eiseres weerlegt evenwel niet de stelling van verweerder dat deze controle slechts een summier nazicht van de inventarisplicht tot voorwerp had.
In die omstandigheden blijkt niet dat eiseres ooit vóór 1995 een controle onderging waarbij haar manier van factureren (in het bijzonder jegens particulieren) onderzocht werd of moest zijn onderzocht. Verweerder kon dan ook zonder schending van het vertrouwensbeginsel voor de jaren 1995 tot 1998 inroepen dat eiseres in strijd handelde met de wettelijke verplichting om als groothandelaar facturen uit te reiken aan particulieren.
2.3.3. Omvang van de boete
Een boete van 200 % op het B.T.W.-bedrag en voor een bedrag van 274.765,18 euro (11.084.000 frank) heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke boete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhoudIng staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
Concreet is de rechtbank in elk geval van oordeel dat een administratieve boete gepast is.
Het systeem dat eiseres toepast, laat toe om leveringen zonder factuur uit te reiken aan B.T.W.-plichtigen die daarmee - vooral in de horeca waar de controle hoofdzakelijk op basis van de aankopen gebeurt - omzet in het zwart kunnen realiseren. Eiseres kan niet ontkennen dat minstens een deel van de verkopen die zij realiseerde en onder de kwalificatie «particuliere verkoop» boekte daadwerkelijk voor B.T.W.-plichtigen bestemd waren. Uit het proces-verbaal van 29 november 1999 blijkt immers dat eiseres in een brief aan verweerder van 27 oktober 1998 schreef : «waar de eisen van de kliënten dermate zijn dat zij, naast leveringen voor beroepsmatig gebruik, en waarvoor de facturatieplicht strikt toegepast wordt, ook leveringen voor privé doeleinden als voorwaarde stellen.». Deze vermelding in het P.V. geldt tot bewijs van het tegendeel. Er is geen tegenbewijs geleverd. Verweerder heeft met zijn theoretische berekening aangetoond welk verlies de Schatkist door deze werkwijze kan lijden.
Anderzijds houdt de rechtbank ermee rekening dat eiseres zelf alleen maar commercieel voordeel kan gehaald hebben uit haar onwettelijke werkwijze. De B.T.W. werd telkens voldaan.
Tevens brengt de rechtbank begrip op voor het onmiskenbaar feit dat eiseres om commerciële redenen weinig andere keuze had om mee te doen aan een kennelijk (ondertussen door de administratie blootgelegde) praktijk in de horeca-wereld. Het zo-even weergegeven citaat geeft er blijk van dat eiseres, mocht zij strikt de wet hebben gevolgd, het risico nam een belangrijk deel van haar clientèle te zien afhaken.
Bovendien kan de rechtbank eiseres volgen waar zij aan de hand van haar jaarrekening aantoont dat een boete van 274.765,18 euro (11.084.000 frank) buiten verhouding is tot de middelen van haar bedrijf. Toch moet eiseres er zich rekenschap van geven dat de boete betrekking heeft op een illegale praktijk gedurende vier volle boekjaren.
Eiseres beroept zich overigens terecht op het feit dat zij naar aanleiding van een controle op 23 juni 2000 vanwege de A.O.I.F. een brief gekregen heeft waarin voor diezelfde inbreuk slechts met een boete van 60 % gedreigd werd. Zij benadrukt ook met reden dat het in deze zaak om een eerste inbreuk ging.
Er moet nochtans mee rekening gehouden worden dat de boete een ontradend effect moet hebben.
Rekening houdend met deze elementen en de zwaarwichtigheid van de feiten acht de rechtbank een boete van 25.000 euro in gepaste verhouding tot vastgestelde feiten.
Voor het deel van de boete dat 25.000 euro overtreft, is het dwangbevel ongegrond.
3. De gerechtskosten
Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen moeten zij elk hun eigen gerechtskosten dragen.
4. Uitvoerbaarheid bij voorraad
Verweerder neemt hierover geen standpunt in. Hij stelt niet dat de rechtbank geen uitstel van tenuitvoerlegging zou kunnen verlenen zodat het principe van artikel 1333 Ger.Wb. geldt. De uitvoerbaarheid bij voorraad wordt daarom toegestaan.
De voorlopige tenuitvoerlegging kan niet afhankelijk gemaakt worden van het stellen van een zekerheid.
Voor de uitsluiting van het kantonnement - indien deze uitspraak daartoe al zou kunnen aanleiding geven - ziet de rechtbank nochtans geen reden.
Eiseres laat na te bewijzen dat zij een ernstig nadeel zou ondergaan wanneer, ingevolge het kantonnement, de regeling van een eventueel aan haar toekomende betaling zou vertraagd worden (art. 1406 Ger.Wb.).
Beschikkend gedeelte
IV. Uitspraak
De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.
Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.