Bijzondere rekening, Laattijdige betaling, Proportionele geldboete, proportionele fiscale geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 24/532/A 26 februari 2026

Zoeken

Bijzondere rekening, Laattijdige betaling, Proportionele geldboete, proportionele fiscale geldboete

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-rekening-laattijdige-betaling-proportionele-rechtbank-gent-2026-02-26-591f

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Rolnummer
24/532/A
Datum
26 februari 2026

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

127 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste Aanleg te Gent d.d. 26.02.2026 (24/532/A)

WF 710-15-24/000425 - Finaliti 55123538/01

[ Gemengd vonnis ]

Belasting over de toegevoegde waarde – Bijzondere rekening – Laattijdige betaling – Proportionele geldboete

Wettelijke bepalingen

Artikelen 51ter, 53, §1, eerste lid, 3° WBTW

Artikelen 5 en 8 van KB nr. 24 van 29 december 1992

Tabel G, eerste afdeling, I, 2°, a) van KB nr. 41 van 30 januari 1987

Samenvatting van het vonnis

1. Feiten

Eiseres vormde samen met een andere vennootschap een btw-eenheid. Op 1 augustus 2023 kwam er van rechtswege een einde aan deze btw-eenheid.

Voor juni 2023 werd een btw-aangifte ingediend met een te betalen btw-bedrag van 137.966,93 euro. Voor juli 2023 werd aanvankelijk een btw-aangifte ingediend met een te betalen btw-bedrag van 38.985,99 euro. Ingevolge de beëindiging van de btw-eenheid diende de btw op een onroerend goed te worden herzien, waardoor de ingediende btw-aangifte van juli 2023 niet juist bleek te zijn. Deze aangifte werd op 8 september 2023 vervangen door een verbeterende btw-aangifte met een te betalen btw-bedrag van 1.062.388,53 euro.

De verschuldigde btw uit de btw- aangiften van juni 2023 en juli 2023 werd niet tijdig betaald.

Op 9 september 2023 deelde de administratie mee dat er een bijzondere rekening voor de periode voorafgaand aan 31 augustus 2023 zal worden opgemaakt.

Op 13 september 2023 betaalde eiseres het bedrag van de herziening, d.i. 1.023.402,54 euro, op het rekeningnummer van btw-ontvangsten Brussel.

De btw-rekening-courant werd vervolgens op nul gesteld en er werd een bijzondere rekening opgemaakt die op 5 oktober 2023 aan de btw-eenheid ter kennis werd gebracht. Op het totale bedrag van de verschuldigde btw van 1.199.450,87 werd een proportionele boete van 15% of 179.910,00 euro opgelegd. Bij de opmaak van de bijzondere rekening werd geen rekening gehouden met de betaling van 1.023.402,54 euro d.d. 13 september 2023.

Op 17 oktober 2023 reageerde eiseres op de bijzondere rekening en lichtte zij toe waarom de betreffende btw nog niet volledig voldaan was.

Bij administratieve beslissing van 21 november 2023 verminderde de administratie de opgelegde gelboete met de helft.

Op 20 februari 2024 maakte eiseres de zaak aanhangig bij de rechtbank.

2. Het vonnis

De rechtbank stelt vast dat er geen betwisting bestaat dat eiseres, op grond van artikel 51ter WBTW, hoofdelijk aansprakelijk is en bijgevolg door de administratie kan worden aangesproken voor de betaling van de btw, intresten en boeten gedurende de periode van de btw-eenheid. De rechtbank verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Aangezien de btw-bedragen van 137.062,34 euro (juni 2023) en 38.985,99 euro (juli 2023) niet tijdig werden betaald, is de proportionele boete van 15%, die bij administratieve beslissing van 21 november 2023 werd verminderd tot 7,5%, gerechtvaardigd.

Verder oordeelt de rechtbank dat, waar toepassing werd gemaakt van het Regentsbesluit van 9 maart 1831, zij volle rechtsmacht heeft om te oordelen over de opgelegde en reeds verminderde proportionele boete. De rechter oordeelt dat de boete volledig moet worden kwijtgescholden voor zover deze betrekking heeft op de herziening van 1.023.402,54 euro, rekening houdend met de spontane rechtzetting voor enig optreden van de administratie. Volgens de rechtbank is er geen reden om uitstel te verlenen en om af te wijken van de aanrekeningsregels.

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG OOST-VLAANDEREN,

afdeling GENT

FISCAAL - ZESDE BURGERLIJKE KAMER

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 26 FEBRUARI 2026

In de zaak van:

cie1, KBO ..., met zetel te ..., in haar hoedanigheid van hoofdelijk aansprakelijke en algemeen rechtsopvolger van de stopgezette BTW-eenheid cie2, met zetel te ..., KBO ...,

eisende partij, hebbende als raadslieden mr. LAMOTE STIJN en mr. VANDORPE SARAH, beiden advocaat te 8501 Kortrijk, Waterhoennest 67;

TEGEN:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën — Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Gent — Expertise 2, met kantoor te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6 bus 761, KBO 0308.357,159,

verwerende partij, voor wie optreedt D..K., fiscaal bestuur bij een fiscaal bestuur;

beslist de rechtbank als volgt:

1. Rechtspleging

De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van donderdag 29 januari 2026 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad.

De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.

De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. Vorderingen van de partijen

2.1. Eiseres vordert in synthesebesluiten het volgende :

De vordering van verzoekster qualitate qua ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens:

De schuld zoals opgenomen in de kennisgeving van de bijzondere rekening over de periode van 31/05/2023 tot 31/08/2023 met schuldnummer 500279498705, nietig te verklaren in zoverre deze betrekking heeft op de opgelegde boete, minstens de boete te willen kwijtschelden of verder ondergeschikt minstens substantieel te willen milderen;

Ondergeschikt, minstens een wijziging van de aanrekeningsregels te bevelen zodat de hoofdsom en de tot dan aangerekende interesten dienen geacht betaald te zijn uiterlijk op 9/11/2024 en de sindsdien vervallen interest niet meer verschuldigd is;

Uiterst ondergeschikt, minstens te zeggen voor recht dat de boete met uitstel zou moeten worden opgelegd en deze om diezelfde reden te vernietigen;

Dienvolgens de terugbetaling te bevelen van alle sommen die op grond van de vernietigde dan wel ontheven taxatie werden geïnd, met inbegrip van ingehouden voorheffingen, verhoogd met de moratoire rente zoals voorzien in artikel 91 WBTW;

Gedaagde te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de bijdrage aan het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand ten bedrage van 24 EUR en de rechtsplegingsvergoeding ais van € 4.500,00 (onder voorbehoud van indexering).

2.2. Verweerder vordert in syntheseconclusie het volgende :

Het verzet van verzoekster ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

Verzoekster in al haar eisen af te wijzen;

Verzoekster te veroordelen tot alle kosten van het geding.

3. Relevante feiten en procedurevoorgaanden

3.1. Eiseres vormde samen met de cie3 een BTW-eenheid gekend onder de benaming cie2 met het BTW-nummer .... Als gevolg van een gerechtelijk akkoord in hoofde van de cie3 op 31 juli 2023 (stuk 1 eiseres), kwam er van rechtswege op 1 augustus 2023 een einde aan de BTW-eenheid (stuk 3 verweerder).

3.2. Namens de BTW-eenheid werd voor de maand juni 2023 een BTW-aangifte ingediend op 13 juli 2023 met een te betalen BTW van 137.966,93 EUR (stuk 4 verweerder). Dit bedrag diende tegen 20 juli 2023 te worden betaald, hetgeen niet gebeurde. Op 11 augustus 2023 wordt een laatste verwittiging voor de op-nul-zetting van de BTW-rekening-courant gericht aan de BTW-eenheid cie2 (stukken 5 en 6 verweerder).

Voor de maand juli 2023 werd namens de BTW-eenheid een aangifte ingediend op 11 augustus 2023 met een te betalen BTW van 38.985,99 EUR. Deze aangifte bleek achteraf evenwel foutief te zijn doordat, als gevolg van de beëindiging van de BTW-eenheid, de BTW met betrekking tot een onroerend goed herzien diende te worden. Op 8 september 2023 werd daarom de reeds ingediende aangifte doorgehaald en vervangen door een nieuwe aangifte met een te betalen BTW van 1.062.388,53 EUR (zie stuk 7 verweerder). Dit bedrag had betaald moeten worden tegen 20 augustus 2023, hetgeen eveneens niet gebeurde. Op 13 september 2023 werd door eiseres wel een bedrag overgeschreven aan de 'BTW Ontvangsten' van 1.023.402,54 EUR (het bedrag van de herziening).

3.3. Blijkbaar zou er reeds op zaterdag 9 september 2023 door verweerder een bijzondere rekening zijn opgesteld in verband met de, op dat moment, nog openstaande bedragen van 137.966,93 EUR (juni 2023) en 1.062.388,53 EUR (juli 2023) (stuk 4 verweerder). Uit het e-mailbericht van eiseres van 17 oktober 2023 (stuk 6 eiseres) blijkt dat er door verweerder een brief, gedateerd op zaterdag 9 september 2023, werd gericht aan eiseres met de melding van de op-nul-zetting van de rekening-courant en de opmaak van een bijzondere rekening. Van deze brief wordt door geen van de partijen een kopie voorgelegd. De brief werd door eiseres pas ontvangen op 13 september 2023, zijnde de dag dat de betaling van 1.023.402,54 EUR door eiseres werd verricht. De brief en de betaling zouden elkaar hebben gekruist. De betaling gebeurde op de normale rekening van de BTW, en niet op de rekening waarop de bedragen van de bijzondere rekening moeten worden gestort.

Op 5 oktober 2023 wordt vervolgens (opnieuw) een brief aan de BTW-eenheid cie2 gericht met de melding 'kennisgeving bijzondere rekening van 31/05/2023 - 31/08/2025, met in bijlage het exemplaar van de bijzondere rekening, eveneens gedateerd op 5 oktober 2023 (stukken 9 verweerder).

Uit deze bijzondere rekening blijkt dat er geen rekening wordt gehouden met de betaling van eiseres op 13 september 2023. Verder blijkt een 'boete voor niet-betaling' te worden opgelegd van 179.910,00 EUR.

3.4. Eiseres reageert in haar e-mailbericht van 17 oktober 2023 op de kennisgeving van verweerder van 5 oktober 2023 (zie ook hiervoor; stuk 6 eiseres). Daarbij verduidelijkt eiseres de redenen waarom de betrokken BTW nog niet (volledig) werd betaald. Gewezen wordt op de opening van het gerechtelijk akkoord van de cie3, de andere partij die deel uitmaakte van de BTW-eenheid, en het feit dat daardoor de BTW-eenheid beëindigd werd. Eiseres stelt dat zij niet onmiddellijk wist wat er aldus diende te gebeuren. In hoofde van de cie3 waren er geen middelen aanwezig, zodat eiseres, als hoofdelijk gehoudene, alle betalingen voor haar rekening diende te nemen. Gewezen wordt op de betaling die reeds op 13 september 2023 gebeurde, maar die blijkbaar nog niet aangerekend werd. Verder vraagt eiseres dat de uitzonderlijk zware boete niet moet worden betaald.

Na het bericht meldt verweerder dat het reeds op 13 september 2023 betaald bedrag zal worden verrekend (stuk 7 eiseres). Dit gebeurt met datum van inschrijving op 11 september 2O23 en datum van uitwerking 12 september 2O23 (stuk 10 verweerder). Verder zal het e-mailbericht van 17 oktober 2023 overgemaakt worden aan de bevoegde dienst om het als een verzoek tot kwijtschelding van de boete te behandelen.

3.5. Bij beslissing van 21 november 2O23 wijst verweerder op het feit dat in het verleden de indieningsverplichting van de periodieke aangiftes steeds werd nagekomen. Het gaat om een eerste inbreuk en verzoekschrift. Op grond van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 wordt beslist om de proportionele geldboete van 179.910,00 EUR in de bijzondere rekening 31/O5/2O23 tot 31/08/2023 met de helft te verminderen tot 89.955,00 EUR.

3.6. Bij verzoekschrift van 2O februari 2O24, neergelegd ter griffie op 20 februari 2O24, maakte eiseres de vordering aanhangig bij deze rechtbank.

4. Beoordeling

4.1. Ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Aangezien de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid vaststelt, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, is de vordering ontvankelijk.

4.2. Ten gronde

4.2.1. Evenredigheidsbeginsel

4.2.1.1. Eiseres is van oordeel dat de rechtbank een toetsingsrecht heeft om na te gaan of de 'straf' verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het intern recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Nagegaan moet worden of de 'straf niet onevenredig is met de inbreuk. De rechtbank heeft dienaangaande een volle rechtsmacht. Eiseres is van oordeel dat daarbij de inbreuk op zich moet worden beoordeeld en dat er ook moet gekeken worden of er verzachtende omstandigheden zijn. Rekening kan worden gehouden met de situatie van de persoon aan wie de boete is opgelegd en de omstandigheden die tot de overtreding hebben geleid. Ook de financiële toestand van de onderneming speelt daarbij, aldus nog eiseres, een belangrijke rol.

Volgens eiseres kan daarbij ook rekening worden gehouden met de hoogte van de boetes die voor andere overtredingen worden opgelegd. Daarbij verwijst eiseres naar de boetes die bijvoorbeeld worden opgelegd bij het niet opmaken van facturen. In casu is eiseres van oordeel dat zij te goeder trouw is en de betaling slechts enkele dagen te laat was zodat de opgelegde en verminderde boete van bijna 90.000,00 EUR buiten alle evenredigheid is. Daarbij maakt eiseres de vergelijking met de interest die normaal verschuldigd is bij een te late betaling. Rekening houdende met de boete zou het dan gaan om een interestpercentage van 120 %. Verder verwijst eiseres naar het feit dat voor een correctionele rechtbank doorgaans veel lagere straffen worden opgelegd.

Eiseres wijst op de aanwezigheid van verzachtende omstandigheden voor het 23 dagen te laat betalen van de BTW en geeft een chronologie van de feiten. Eiseres wijst op de gerechtelijke reorganisatie van de cie3 die zich voordeed midden in de vakantie, waardoor het bedrag van 137.062,34 EUR niet onmiddellijk werd betaald. De aangifte van de maand juli werd ingediend op 11 augustus 2023, zijnde voor de kennisgeving van de bijzondere rekening op 5 oktober 2023. De betaling werd bij vergissing uitgevoerd op de gewone en dus verkeerde rekening. Volgens eiseres werd de schuld evenwel vrijwillig voldaan, vó6r enige controle of aanmaning tot betaling. Door een opeenstapeling van onvoorziene omstandigheden kon de BTW niet op tijd worden betaald (opening gerechtelijke organisatie, einde BTW-eenheid, ontslag intern accountant, in volle verlofperiode). Daardoor was het niet onmiddellijk duidelijk welke stappen ondernomen moesten worden. Verder diende eiseres zelf de nodige middelen te verzamelen, gelet op het feit dat zij niet op de cie3 kon rekenen. Was het vonnis m.b.t. het gerechtelijk akkoord één dag later gevolgd (op 1 augustus), dan was er, aldus nog eiseres, geen sprake geweest van een laattijdige betaling. Daarbij merkt eiseres nog op dat op 1 december 2023 nog slechts een bedrag lager dan de boete openstond.

Tot slot wijst eiseres op de zware financiële gevolgen van de boete aangezien zij zelf, gelet op het latere faillissement van de cie3, zal moeten instaan voor de boete. Verder had eiseres ook nog een vordering van 414.530,12 EUR op de cie3 die niet zal worden betaald.

Verzocht wordt om de opgelegde boete volledig kwijt te schelden, minstens zeer substantieel te milderen op straffe van schending van het evenredigheidsbeginsel.

4.2.1.2. Verweerder geeft voorafgaandelijk een overzicht van de door eiseres geldende verplichtingen inzake de indiening van de BTW-aangiften en de betaling van de aldus verschuldigde bedragen. Daarbij herinnert verweerder eraan tegen welke datum de betalingen door eiseres hadden moeten gebeuren. En vergelijkt dit vervolgens met de data waarop de betalingen effectief door eiseres gebeurden. Volgens verweerder houdt eiseres daarbij ten onrechte voor als zouden de betalingen vrijwillig gebeurd zijn, voor enige controle of aanmaning tot betaling.

Verweerder stelt dat de boete werd opgelegd op grond van de wettelijk vastgelegde barema's voor vastgestelde overtredingen, namelijk laattijdig en onvolledig betalen van verschuldigde BTW uit twee BTW-aangiftes. Deze boeten zijn, aldus nog verweerder, van rechtswege verschuldigd door het enkele feit van de overtreding, ongeacht de goede trouw of de feitelijke vergissing van de overtreder. De boetes zijn volledig gemotiveerd door het wettelijk kader, de barema's voorzien in het BTW-wetboek en de KB's, dit om de gelijkberechtiging van de belastingplichtigen te garanderen. Het BTW-systeem is volgens verweerder gebaseerd op verplichtingen waaraan de belastingplichtigen zonder onderscheid moeten voldoen.

Verweerder is van oordeel dat de opgelegde geldboeten wel degelijk evenredig zijn met de begane overtredingen en conform de wet zijn opgelegd. Verder werd reeds de verminderde boete toegekend zoals voorzien in het KB nr. 41 en deze werd, na verzoek van eiseres, tot de helft verminderd. Indien de boete volledig zou zijn kwijtgescholden, zou verzoekster gelijkgesteld worden met belastingplichtigen die volledig in orde zijn met hun verplichtingen. Doordat de verplichtingen niet werden nagekomen, werd automatisch de rekening-courant op nul gezet en werd een bijzondere rekening opgemaakt, hetgeen een kost voor de administratie is, die, aldus nog verweerder, niet opweegt tegen de boetes die worden aangerekend.

Verder verwijst verweerder naar het boete-beleid zoals omschreven in de `instructie 2018/1/41' waarin er vier cumulatieve voorwaarden worden vermeld waaraan moet worden voldaan opdat een boete kan worden verminderd. Daarbij komen inbreuken met betrekking tot de niet-betaling of niet tijdige betaling niet in aanmerking voor vermindering. Niettemin werd de boete overeenkomstig het Regentsbesluit van 18 maart 1831 tot de helft verminderd.

4.2.1.3. Artikel 51ter BTW-Wb. bepaalt :

"De personen die bij toepassing van artikel 4, § 2, als één belastingplichtige worden aangemerkt, zijn ten opzichte van de Staat hoofdelijk gehouden tot de voldoening van de belasting, de nalatigheidsinteresten, de geldboeten en de kosten die opeisbaar zijn ingevolge de handelingen die betrekking hebben op de periode waarin deze personen als één belastingplichtige worden aangemerkt voor de toepassing van dit Wetboek."

In casu vormde eiseres samen met de cie3 een BTW-eenheid gekend onder de naam cie2. Als gevolg van het vonnis van 31 juli 2023 tot opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie inzake de cie3 (stuk 1 eiseres), kwam er een einde aan de BTW-eenheid (zie ook stuk 3 verweerder). Er bestaat geen discussie dat ingevolge artikel 51ter BTW-Wb., eiseres hoofdelijk gehouden was en derhalve door verweerder kon

worden aangesproken voor periode dat de BTW-eenheid nog bestond, voor de voldoening van de belasting, de nalatigheidsinteresten en de boeten. Daarbij dient opgemerkt dat ook nadat de BTW-eenheid al lang beëindigd werd, verweerder niettemin de BTW-eenheid zelf als dusdanig nog aanschreef voor de betrokken BTW-vorderingen (zie stukken 5, 6, 9, 10, 11, 12, 13, 14 en 15 verweerder). Ook in de interne stukken van verweerder werd blijkbaar de cie2 (BTW-eenheid), nadat deze niet meer bestond, bij voortduur als dusdanig aangemerkt (stukken 4, 7, 8, 16 en 17 verweerder). Gelet op het feit dat de BTW-eenheid cie2 evenwel geen afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft en enkel voor BTW-doeleinden bestaat en gelet op de hoofdelijke gehoudenheid van de leden van de BTW-eenheid, is de rechtbank van oordeel dat het feit dat de BTW-eenheid cie2 nog als dusdanig wordt aangesproken, nadat zij in feite niet meer bestond, niet tot gevolg heeft dat eiseres niet gehouden is tot de betrokken vordering. Dit wordt ten andere door eiseres niet betwist. Verder wordt verondersteld dat eiseres kennis heeft genomen van de briefwisseling gericht aan de BTW-eenheid cie2 doordat eiseres op dat moment op hetzelfde adres gevestigd was.

4.2.1.4. Voor wat de verschuldigdheid van de BTW betreft, stelt de rechtbank vast dat de verschuldigde BTW die volgde uit de (oorspronkelijke) maandaangiftes die werden ingediend voor de maanden juni en juli 2023, van respectievelijk 137.062,34 EUR en 38.985,99 EUR, niet tijdig werden betaald tegen uiterlijk 20 juli 2023 en 20 augustus 2023. Eiseres wijst hier op het feit dat het verzoek tot gerechtelijke reorganisatie namens de cie3 werd ingediend op 12 juli 2023 (stuk 6 eiseres), en het gevolg van een dergelijke gerechtelijke reorganisatie is dat de invordering van schulden van de schuldeisers, waaronder verweerder, wordt opgeschort. De rechtbank is evenwel van oordeel dat gelet op het bestaan van de BTW-eenheid, ook al hadden de betrokken BTW-schulden mogelijk betrekking op de activiteit van de cie3, dit niet wegneemt dat gelet op de hoofdelijke gehoudenheid, eiseres gehouden was de uit de aangiftes van de maanden juni en juli volgende BTW-vordering te voldoen. Het feit dat deze bedragen van 137.062,34 EUR en 38.985,99 EUR niet tijdig werden voldaan, rechtvaardigt dan ook de opgelegde BTW-boete van 15 % en herleid door de beslissing van 21 november 2023 tot 7,5 %. Waar er mogelijk onduidelijkheid was door de opstart van de procedure tot gerechtelijke reorganisatie in hoofde van de cie3 en de beëindiging van de BTW-eenheid, gaat het hierbij om BTW die verschuldigd was uit hoofde van de normale activiteit en werd door de herleiding van de boete tot 7,5 % op een evenredige wijze rekening gehouden met de concrete omstandigheden.

Daarbij werd eiseres (zij het gericht aan BTWE cie2) voor wat de BTW- vordering m.b.t. de aangifte van juni 2023 betreft (137.062,34 EUR), bij brieven van 11 en 13 augustus 2023 (stukken 5 en 6 verweerder) bericht van de op-nul­zetting van de rekening-courant en het feit dat een bijzondere rekening zal worden geopend. Voor het bedrag van de BTW-vordering m.b.t. de oorspronkelijke aangifte van juli 2023 is er, zoals af te leiden uit het e-maïlbericht van 17 oktober 2023 van eiseres (stuk 6 eiseres), op 9 september 2023 een bericht geweest van de op-nul-zetting van de rekening-courant en de opmaak van een bijzondere rekening (de betrokken stukken worden evenwel door geen van beide partijen voorgelegd).

De rechtbank beslist bijgevolg dat de proportionele boete zoals herleid tot 7,5 % terecht werd opgelegd in de mate dat ze betrekking heeft op de bedragen van 137.062,34 EUR en 38.985,99 EUR en dat er ter zake geen schending is van het evenredigheidsbeginsel.

4.2.1.5. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat de beëindiging van de BTW-eenheid door het vonnis tot opening van de gerechtelijke procedure op 31 juli 2023, tot gevolg had dat er een herziening van de BTW diende te gebeuren. Hetgeen tot gevolg had dat een bedrag van 1.023.402,54 EUR aan BTW diende te worden terugbetaald. Als dusdanig wordt dit niet betwist.

Voordat er in dit verband enige controle werd verricht door verweerder, werd de oorspronkelijke tijdig voor de maand juli 2023 namens de BTW-eenheid cie2 ingediende aangifte, doorgehaald en op 8 september 2023 vervangen met vermelding van het bedrag van de herziening (stukken 7 en 8 verweerder). Daarbij kwam de vervangende aangifte voor de maand juli in de plaats van de oorspronkelijke aangifte met een verschuldigde BTW van 1.062.388,53 EUR (38.985,99 EUR zoals oorspronkelijk aangegeven, te verhogen met het bedrag van de herziening van 1.023.402,54 EUR).

Het bedrag van 1.023.402,54 EUR werd op 13 september 2023 betaald door eiseres (stuk 2 eiseres) en werd uiteindelijk, na correctie en overboeking bij verweerder, aangerekend op het debet van de rekening-courant met datum van inschrijving op 11 september 2023 en datum van uitwerking op 12 september 2023 (stuk 10 verweerder).

Blijkbaar zou er met betrekking tot de vordering van de aangepaste maandaangifte van juli 2023 van 8 september 2023 reeds op 'zaterdag' 9 september 2023 een op-nul-zetting van de rekening-courant zijn gebeurd en een mogelijke opening van een bijzondere rekening voor de periode van 31/05 — 31/08/2023 (zie e-mailbericht van eiseres van 17 oktober 2023; stuk 6 eiseres). Dienaangaande worden door geen van beide partijen stukken voorgelegd. Daarbij merkt eiseres op dat de betrokken berichten (van de op- nul-zetting en de opening van de bijzondere rekening) en de betaling van het bedrag van 1.023.402,54 EUR, elkaar zouden hebben gekruist, waardoor het betrokken bedrag eerst op een foutieve rekening werd gestort, hetgeen nadien werd rechtgezet.

Bij brieven van 5 oktober 2023 (stukken 9 verweerder) is er vervolgens een kennisgeving gebeurd aan eiseres (onrechtstreeks omdat de brieven gericht zijn aan cie2) van de bijzondere rekening van 31/05/2023 tot 31/08/2023. Daarin is ook de proportionele boete wegens niet-betaling opgenomen voor een bedrag van 179.910,00 EUR (15 %). Na toepassing van het Regentsbesluit van 9 maart 1831, wordt deze proportionele boete bij beslissing van 21 november 2023 herleid tot 89.955,00 EUR (7,5 %)

4.2.1.6. Waar aldus toepassing werd gemaakt van het Regentsbesluit van 9 maart 1831, heeft de rechtbank de volle rechtsmacht om te oordelen over de aldus opgelegde en verminderde proportionele boete. De rechtbank is van oordeel dat in casu eiseres, voor wat de BTW met betrekking tot de herziening betreft, haar toestand spontaan heeft rechtgezet voor enige tussenkomst van de fiscale administratie. In dat geval moet volledige kwijtschelding worden verleend van de geldboete (art. 3 van K.B. nr. 41 van 30 januari 1987).

Als gevolg van de beëindiging van de BTW-eenheid door de opening van de procedure van de gerechtelijke organisatie van de cie3 bij vonnis van 31 juli 2023, werd eiseres geconfronteerd met een herziening van de BTW met betrekking tot het onroerend goed dat door eiseres werd verhuurd aan de cie3 en dat in hoofde van de BTW-eenheid als bedrijfsmiddel werd gebruikt. Daarbij geeft eiseres aan dat naar aanleiding van de stopzetting van de BTW-eenheid voor de bedrijfsmiddelen een herziening moest plaatsvinden zowel in hoofde van de BTW-eenheid als in hoofde van de uittredende leden. De herziening moet dan worden opgenomen in de laatste periodieke BTW-aangifte van de BTW-eenheid en in de eerstvolgende BTW-aangifte van de uittredende leden. Nog, volgens eiseres, aangezien de cie3 vervolgens haar BTW-activiteiten verderzette, kon bij de betrokken vennootschap een compensatie plaatsvinden van de door de BTW-eenheid in haar nadeel herziene BTW en de door de cie3 te recupereren BTW. Voor eiseres werd de verdere verhuur evenwel als een onroerende verhuur gekwalificeerd wegens gebrek aan BTW-activiteit, zodat eiseres geen BTW kon recupereren.

Uit het bovenstaande blijkt dat het gaat om een specifieke en uitzonderlijke situatie waarbij het begrijpelijk is dat het voor eiseres enige tijd vergde om uit te klaren hoe dit moest worden vertaald op het vlak van de BTW. Eiseres heeft evenwel het nodige gedaan om de BTW-aangifte van de BTW-eenheid cie2 van juli 2023 te laten doorhalen en op vrijdag 8 september 2023 te vervangen door een nieuwe aangifte waarin de herziening correct werd aangegeven. Dit gebeurde voor enige tussenkomst van de fiscale administratie. Verweerder toont het tegendeel niet aan. Vervolgens heeft eiseres op 13 september 2023 het bedrag van de BTW-herziening van 1.023.402,54 EUR overgemaakt. Ook dit gebeurde volgens de rechtbank v66r enige tussenkomst van de fiscale administratie. Verweerder toont ook hier niet aan dat zij eiseres reeds berichtte van het feit dat het betrokken bedrag diende te worden betaald en dat een bijzondere rekening hiervoor werd geopend. Het is integendeel enkel eiseres zelf die wel meldt dat zij bericht werd van een op-nul-zetting en opmaak van een bijzondere rekening, maar meldt dat deze brief pas werd ontvangen nadat het bedrag van 1.023.402,54 EUR was overgemaakt aan de administratie. Het feit dat dit op de normale rekening van 'BTW-ontvangsten' gebeurde en niet op de specifieke rekening voor de betaling van bedragen die opgenomen zijn in een bijzondere rekening, dragen bij tot de geloofwaardigheid van hetgeen eiseres meldt. Daarbij dient ten andere opgemerkt te worden dat de kennisgeving van de bijzondere rekening volgens de stukken van verweerder pas gebeurde op 5 oktober 2023 (stukken 9 verweerder) en derhalve nadat de spontane rechtzetting en betaling door eiseres al lang was gebeurd.

4.2.1.7. Gelet op de spontane rechtzetting, nog v6ôr enige tussenkomst door de fiscale administratie, samen met de overige aanwezige elementen en stukken, is de rechtbank van oordeel dat de proportionele boete volledig moet worden kwijtgescholden in de mate dat deze betrekking heeft op het bedrag van 1.023.402,54 EUR. Daarbij kunnen deze overige elementen worden aangehaald.

- het feit dat de opening van de gerechtelijke reorganisatie en het beëindigen van de BTW-eenheid zich voordeed in de vakantieperiode, waarbij dan ook nog eens de interne boekhouder midden juli 2023 ontslag nam (stuk 9 eiseres);

 het feit dat de betaling op basis van de spontane rechtzetting, ondanks het feit dat deze te laat gebeurde, gecompenseerd wordt door de verschuldigde nalatigheidsinteresten;

 het feit dat het niet gaat om BTW m.b.t. verrichtingen die door de BTW-eenheid gebeurden en die ten onrechte niet werd doorgestort, maar om een herziening van eerder in aftrek gebrachte BTW met betrekking tot een bedrijfsmiddel, waarbij het derhalve gaat om een specifieke situatie;

 het opleggen van de boete zou de financiële toestand van eiseres in het gedrang brengen, mede gelet op het feit dat zij ook nog een vordering heeft op de cie3, zijnde het andere lid van de vroegere BTW-eenheid van 414.530,12 EUR (stuk 3 eiseres).

4.2.2. Verzoek tot uitstel

4.2.2.1. Eiseres verwijst naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof in verband met artikel 70 § 1 BTW-Wb. waarin beslist werd dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met artikel 6 EVRM, worden geschonden in de mate dat geen uitstel kan worden verleend voor een geldboete (GwH 6 november 2008, nr. 157/2008 en GwH 20 februari 2020, nr. 32/2020).

Indien de rechtbank van oordeel is dat uitstel moet worden verleend, en vervolgens vaststelt dat dit niet voorzien is in de BTW-wetgeving, dan moet de opgelegde boete, aldus nog eiseres, worden vernietigd. Eiseres is van oordeel dat zij recht heeft op een uitstel omdat het handhaven van de boete de verdere werking van eiseres zou bruskeren.

4.2.2.2. Verweerder wijst op het feit dat volgens het Grondwettelijk Hof de boete wel kan worden opgelegd en behouden wanneer de rechtsinstanties vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in de maatregel had voorzien.

In casu staat de geldboete volgens verweerder vast en werd deze volledig gemotiveerd. De fiscale boeten zijn van rechtswege verschuldigd en werden opgelegd met de bedoeling de rechten van de Schatkist veilig te stellen en om een voldoende ontradend signaal te geven.

4.2.2.3. Hiervoor besliste de rechtbank reeds dat de opgelegde proportionele geldboete gerechtvaardigd is met betrekking tot de bedragen van 137.062,34 EUR en 38.985,99 EUR. Daarbij werd deze proportionele boete reeds met de helft verminderd, rekening houdende met de omstandigheden.

Het gaat om BTW die verschuldigd is met betrekking tot de normale verrichtingen van de BTW-eenheid en waarvan vaststaat dat deze niet tijdig werd voldaan. Bijgevolg is er geen reden om hiervoor een uitstel te verlenen zodat het feit dat het verlenen van een uitstel van de BTW-boete niet voorzien is in de BTW-wetgeving, niet kan leiden tot een vernietiging van deze boete.

4.2.3. Aanrekening van de betalingen

4.2.3.1. Eiseres verwijst naar de aanrekeningsregels van de betalingen, waarbij deze eerst worden aangerekend op de kosten, vervolgens op de nalatigheidsinteresten, de opgelegde geldboeten en uiteindelijk pas op de BTW-vordering in hoofdsom (art. 18 Invorderingswetboek). Daardoor blijft er tot op het einde een saldo in hoofdsom over waarop interesten verschuldigd zijn.

Eiseres verzoekt de rechtbank om de aanrekeningsregels te wijzigen, waarvoor de rechtbank bevoegd zou zijn zoals reeds beslist door het hof van beroep te Gent en de rechtbank te Bergen.

Eiseres wijst erop dat het oplopen van de interesten zware financiële gevolgen heeft voor concluante. Het behouden van de toerekening leidt voor eiseres tot een ongerechtvaardigde en onevenredige schade.

4.2.3.2. Verweerder wijst op het feit dat de schuld door eiseres volledig werd betaald op 3 juli 2024 (stuk 20 verweerder). De toerekeningen van de betalingen gebeurt overeenkomstig artikel 6 van het K.B. nr. 24 en dus eerst op de kosten, dan op de nalatigheidsinteresten, de fiscale geldboeten en ten slotte op de nog verschuldigde belasting. Verweerder heeft een berekening gemaakt, wat het verschil is indien de aanrekening gebeurt zoals door eiseres voorgesteld, en komt op een bedrag van 5.516,04 EUR.

Verweerder is van oordeel dat de rechtbank niet bevoegd is om de aanrekeningsregels te wijzigen. Het wijzigen van deze regels behoort enkel tot de bevoegdheid van de administratie en wordt in principe enkel toegekend aan een natuurlijk persoon. Verweerder verwijst dienaangaande naar een Parlementaire Vraag. nr. 146 van 1 februari 1984. Eiseres zou geen dergelijk verzoek hebben ingediend bij de dienst Inning en Invordering.

4.2.3.3. In het arrest van het hof van beroep te Gent van 15 maart 2005 wordt blijkbaar enkel geoordeeld dat de rechtbank bevoegd is om een uitstel van betaling te verlenen. In het vonnis van de rechtbank te Bergen van 5 juni 2000 gaat het om een situatie waarbij de aanrekeningsregels zeer zware gevolgen hadden voor de belastingplichtige.

Los van de vraag in welke mate de administratie, buiten het verlenen van een eventuele kwijtschelding van de nalatigheidsintresten (art. 70 Invorderingswetboek) nog de bevoegdheid heeft om de aanrekeningsregels te wijzigen en in welke mate de rechtbank dienaangaande mag tussenkomen, gelet op het feit dat het ter zake gaat om een discretionaire bevoegdheid van de administratie, is de rechtbank in casu van oordeel dat er geen reden is om een wijziging aan te brengen aan de aanrekeningsregels.

De bedragen waarop de interesten en de proportionele boetes van toepassing zijn, zijn de bedragen die eiseres verschuldigd was op basis van de BTW-aangiftes en meer bepaald voor de verrichtingen die tijdens de betrokken maanden gebeurden. Er is geen reden om voor deze verschuldigde bedragen een uitzondering op de aanrekeningsregels te voorzien, omdat deze er juist op gericht zijn om te bekomen dat de belastingplichtige zo spoedig mogelijk het door hem verschuldigde bedrag betaalt dat hij ten onrechte onder zich houdt.

5. Gerechtskosten

Verweerder wordt voor het grootste deel in het ongelijk gesteld en moet de gerechtskosten dragen.

Verweerder moet conform artikel 1022 juncto 1018, 6° en 8" van het Gerechtelijk Wetboek, naast zijn eigen kosten, de gerechtskosten dragen van eiseres die vertegenwoordigd wordt door een advocaat, bestaande uit de rechtsplegingsvergoeding en de bijdrage voor het begrotingsfonds tweedelijnsbijstand t.b.v. 24,00.

Indien geen procedureakkoord tot bepaling van de rechtsplegingsvergoeding, noch een aanvaardbare grond of verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dan moet de rechter het correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bepalen (Cass. 16 januari 2023, C.21.0193.F; Cass. 13 januari 2023, C.22.0158.N; Cass. 3 maart 2023, C.22.0258.N).

De vordering is in geld waardeerbaar en heeft betrekking op een bedrag van 89,955,00 EUR (bedrag van de bestreden proportionele boete) zodat het geïndexeerd basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding wordt vastgesteld op 4.709,30 EUR (schaal van 60.000,01 tot 100.000,00 EUR).

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

BESLIST DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,

met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:

- verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend;

verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

- beveelt de vernietiging van de proportionele boete opgenomen in de RCIV-schuld 500279498705 (Bijzondere rekening voor de periode van 31/05/2023 tot 31/08/2023), zoals verminderd door de beslissing van 21 december 2023 tot 7,5 %, in de mate dat deze betrekking heeft op een bedrag van 1.023.402,54 EUR;

 beveelt de terugbetaling van de aldus teveel betaalde of ingehouden bedragen, verhoogd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91 BTW-Wb.;

 veroordeelt verweerder tot betaling van de gerechtskosten, in hoofde van eiseres begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 4.709,30 EUR en van de bijdrage voor het begrotingsfonds tweedelijnsbijstand ten bedrage van 24,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op donderdag 26 februari 2026, waar aanwezig waren

Patrick Lauwers, rechter, voorzitter van deze kamer,

Twiggy De Zutter, griffier.

Aangehaalde teksten

7
WBTW art. 51ter3 voorkomens
KB nr. 24 art. 52 voorkomens
KB nr. 24 art. 82 voorkomens
WBTW art. 532 voorkomens
KB nr. 24 art. 61 voorkomen
KB nr. 41 art. 31 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8