Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 04.04.2001
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op vier april tweeduizend en één in openbare zitting van de tweede F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden :
P. W., enig rechter,
G. G., griffier.
Inzake : A.R. Nr. 99/6-459/A
1) M. I. Ltd.,
vennootschap naar Zwitsers recht, met maatschappelijke zetel te …, ….
EISENDE PARTIJ SUB 1
- verschijnende bij Meester V. D. B. in eigen naam en loco Meester J. V. S., advocaten, beiden kantoorhoudende te …, ….
2) N. S. & A. C. N.V.,
voorheen genaamd F. S. A. & C. N.V., met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….
EISENDE PARTIJ SUB 2
- verschijnende bij Meester J. V. V. loco Meester G. H., advocaat, kantoorhoudende te …, …,
tegen :
1) de Belgische Staat,
Ministerie van Financiën, Administratie der Douane en Accijnzen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur-dienstchef, ontvanger van het ontvangkantoor kantoor Antwerpen DE, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Kattendijkdok, Oostkaai 22,
2) de Belgische Staat,
Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën in de persoon van de Eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd van het eerste controlekantoor BTW te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4,
3) de Belgische Staat,
Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, waarvan de kantoren gevestigd zijn 1000 Brussel, Zaveltoren (24ste verdieping), Stevens straat 7.
VERWERENDE PARTIJEN
- verschijnende bij Meester P. D. loco Meester A. D., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder F. J. te … op 26 oktober 1999 en door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder P. D. S. in vervanging van gerechtsdeurwaarder W. C. te … op 21 oktober 1999,
- de beschikking gewezen conform artikel 74, § 2 Ger. W. dd. 16 mei 2000,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 14 maart 2001.
De vordering strekt ertoe verweerders te horen veroordelen tot de terugbetaling aan eerste eiseres of desgevallend aan tweede eiseres van het bedrag van … BEF dat gedetailleerd kan worden als volgt :
wat betreft de diefstallen in 1995-1996 :
- … BEF wegens onverschuldigd betaalde accijnzen ten bedrage van … BEF, bijzondere accijns op tabak ten bedrage van … BEF en nalatigheidsintresten ten bedrage van … BEF,
- … BEF wegens onder voorbehoud betaalde BTW ten bedrage van … BEF en nalatigheidsintresten ten bedrage van … BEF,
wat betreft de diefstal in 1998 :
- … BEF wegens onverschuldigd betaalde accijnzen ten bedrage van … BEF en bijzondere accijns op tabak ten bedrage van … BEF,
- … BEF wegens zonder enige nadelige schulderkentenis betaalde BTW, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf het moment van de onverschuldigde betaling en de kosten van het geding.
In ondergeschikte orde strekt de vordering ertoe de hierna volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie overeenkomstig artikel 177 van het E.G.-verdrag, namelijk :
1) "Kan een diefstal van goederen beschouwd worden als een levering van goederen in de zin van artikel 2 van de zesde BTW-richtlijn?”
2) "Is het antwoord op de eerste; vraag verschillend, indien het een diefstal betreft van in artikel 33, lid 2 van de zesde BTW-richtlijn beoogde accijnsproducten, meer in het bijzonder tabaksfabrikaten?"
3) "Is het met het geldende gemeenschapsrecht, in het bijzonder met artikel 27, lid 5 van de zesde BTW-richtlijn verenigbaar dat de interpretatie door een nationale administratie van een nationale wettelijke bepaling zoals het artikel 58, § 1 van het Belgische BTWwetboek, zoals het wordt geïnterpreteerd door de Belgische BTW-administratie, toelaat dat de vaststelling van een tekort in een belastingentrepot voor accijnzen ingevolge diefstal van goederen de BTW verschuldigd maakt en bijgevolg opeisbaar wordt?"
In nog ondergeschikte orde strekt de vordering ertoe de hierna volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof, namelijk :
"Houdt het artikel 39quater van het BTW-wetboek en het K.B. nummer 54 van 25 februari 1996 ter uitvoering ervan, gecombineerd met artikel 58, § 1 van het BTW-wetboek een discriminatie in die onverenigbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de mate dat deze artikelen zoals ze worden geïnterpreteerd door de administratie, zouden toelaten dat de BTW opeisbaar wordt in geval van diefstal in een belastingentrepot voor accijnzen en anderzijds dat geen BTW opeisbaar wordt in geval van diefstal in een BTWentrepot?"
Relevante feiten
Betreffende de diefstallen in 1995-1996
Bij proces-verbaal van opneming van 30 januari 1996 in het belastingentrepot van tweede eiseres werd een tekort van … sigaretten vastgesteld.
Dit tekort zou het gevolg geweest zijn van twee diefstallen in haar belastingentrepot waarvoor tweede eiseres respectievelijk op 8 december 1995 en 29 januari 1996 klacht heeft neergelegd bij de rijkswacht.
Op 23 april 1997 werd door de administratie der douane en accijnzen hiervoor de volgende minnelijke schikking voorgesteld, waarbij werd afgezien van het afleggen van een boete, namelijk :
- accijns tabak : … BEF
- bijzondere accijns tabak : … BEF
- BTW : … BEF
- TOTAAL : … BEF
Bij aangetekende brief van 12 juni 1997 aan de administratie der douane en accijnzen heeft de gevolmachtigde van tweede eiseres een bezwaar ingediend tegen dit voorstel van minnelijke schikking omdat volgens hem noch accijnzen noch BTW kunnen gevorderd worden.
Bij aangetekende brief van 8 juli 1997 heeft deze administratie aan tweede eiseres medegedeeld dat, aangezien de aangeboden transactie niet wordt aanvaard, een proces-verbaal zal worden opgesteld ter inleiding van de zaak bij de correctionele rechtbank.
Hierop heeft tweede eiseres op 15 juli 1997 een gecertificeerde cheque overgemaakt ten bedrage van … BEF voor betaling van de accijns en de bijzondere accijns tabak en heeft zij ook de nalatigheidsintresten ten bedrage van … BEF betaald.
Bij aangetekende brieven van 22 juli 1997 en 31 juli 1997 aan de BTW-administratie heeft de gevolmachtigde van tweede eiseres een bezwaar ingediend tegen het voorstel van minnelijke schikking inzake BTW.
Bij schrijven van 4 juni 1998 heeft de BTW-administratie aan de gevolmachtigde van tweede eiseres medegedeeld dat de BTW toch opeisbaar was, waarop de administratie der douane en accijnzen tweede eiseres op 19 augustus 1998 heeft uitgenodigd om de verschuldigde BTW ten bedrage van … BEF te betalen.
Hierop heeft tweede eiseres onder voorbehoud van alle rechten voor haarzelf en voor eerste eiseres, met de uitsluitende bedoeling om boetes en verdere nalatigheidsintresten te vermijden, de BTW ten bedrage van … BEF en de nalatigheidsintresten ten bedrage van … BEF betaald.
Na deze betaling werd tweede eiseres als entrepothouder volledig vergoed door de eigenares van de sigaretten, zijnde eerste eiseres.
Betreffende de diefstal in 1998
Tussen 14 en 16 juni 1998 werden opnieuw … sigaretten gestolen uit het belastingentrepot van tweede eiseres, waarvan proces-verbaal werd opgesteld door de rijkswacht.
Bij aangetekende brief van 17 maart 1999 werd tweede eiseres door de administratie der douane en accijnzen uitgenodigd tot betaling van de hierna vermelde bedragen binnen de 10 dagen, namelijk :
- BTW : … BEF
- accijnzen : … BEF
- bijzondere accijnzen : … BEF
- TOTAAL : … BEF
bij gebreke waaraan proces-verbaal zou opgesteld worden ter inleiding van het geschil voor de correctionele rechtbank.
Tweede eiseres betaalde de accijnzen ten bedrage van … BEF en de bijzondere accijnzen ten bedrage van … BEF, zijnde in totaal … BEF.
Verder betaalde tweede eiseres zonder enige nadelige erkentenis voor haarzelf en voor eerste eiseres de BTW ten bedrage van … BEF.
Tweede eiseres werd als entrepothouder volledig vergoed door de eigenares van de sigaretten, zijnde eerste eiseres.
Bij aangetekende brief van 9 juli 1999 heeft eerste eiseres de administratie formeel in gebreke gesteld tot terugbetaling van het bedrag van … BEF.
Beoordeling
A. Inzake de accijnzen
Betreffende de dading
De belastingwetten zijn van openbare orde zodat geen dading kan worden afgesloten over rechtskwesties.
Een dading, die strijdig is met de wet, mag immers geen uitwerking hebben.
De vraag of tweede eiseres accijnzen verschuldigd is indien sigaretten door onbekenden uit haar belastingentrepot werden gestolen, is ontegensprekelijk een rechtskwestie zodat hieromtrent geen dading kan worden gesloten.
Niettegenstaande tweede eiseres zonder enig voorbehoud de accijnzen heeft betaald, kunnen deze dan ook worden teruggevorderd.
Betreffende de onwettelijkheid van het K.B. van 29 december 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop wegens schending van artikel 11, § 2 A.W.D.A.
Voornoemd K.B. van 29 december 1992 was een maatregel ter uitvoering van de Richtlijn 92/12/EEG die de Raad van de Europese Gemeenschappen op 25 februari 1992 heeft aangenomen betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop.
Krachtens artikel 11, § 1 A.W.D.A. mag de Koning, bij wege van een besluit waarover door de Raad van de Europese Gemeenschappen vergaderde Ministers is beraadslaagd, alle maatregelen treffen inzake douane en accijnzen om de goede uitvoering te verzekeren van internationale akten, beslissingen, aanbevelingen en afspraken, hieronder begrepen zijnde het opheffen of het wijzigen van wetsbepalingen.
Bijgevolg mocht de Koning op grond van artikel 11, § 1 A.W.D.A. het K.B. van 29 december 1992 treffen.
Deze bevoegdheid van de Koning is echter beperkt door artikel 11, § 2 A.W.D.A. dat voorziet dat de besluiten, die door de Koning in de loop van een jaar zijn getroffen bij toepassing van § 1, tesamen het voorwerp uitmaken van een ontwerp van bekrachtigingswet dat, bij het begin van het volgende jaar, bij de wetgevende Kamers moet worden ingediend.
Artikel 11, § 2 A.W.D.A. beoogt enkel en alleen dat een parlementaire controle wordt uitgeoefend hetgeen is geschied door de bekrachtiging van het K.B. van 29 december 1992 door de wet van 3 april 1997 (B.S. 16 mei 1997) en voorziet verder geen enkele sanctie voor het laattijdig indienen van een ontwerp van bekrachtigingswet zodat het niet relevant is of het K.B. van 29 december 1992, tesamen met het ontwerp van bekrachtigingswet, al dan niet bij het begin van het volgend jaar bij de wetgevende Kamers werd ingediend.
Bijgevolg werd artikel 11, § 2 A.W.D.A. niet geschonden.
Betreffende de Onwettelijkheid van het K.B. van 29 december 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop wegens schending van artikel 170 G.W.
Artikel 18 van de bekrachtigingswet van 3 april 1997 voorziet dat het K.B. wordt bekrachtigd voor de periode dat het K.B. uitwerking had.
Bijgevolg verleent deze bekrachtigingswet met terugwerkende kracht aan het K.B. van 29 december 1992 normatieve kracht van een wet vanaf de inwerkingtreding van voornoemd K.B. (Cass. 28 februari 1986, Arr. Cass. 1985-86, 895 : “wet van 1 juli 1983 houdende bevestiging o.m. van het K.B. nummer 2 van 15 februari 1982, ter uitvoering van de volmachtwet van 2 februari 1982, met uitwerking op de dag van de inwerkingtreding van genoemd K.B., heeft dat besluit omgezet in een wet met uitwerking op voormelde datum; die omzetting heeft tot gevolg dat artikel 107 G.W. (oud), en de artikelen 67 en 78 G.W. (oud) geen toepassing meer kunnen vinden").
Niettegenstaande het K.B. van 29 december 1992, op het ogenblik van de eerste diefstallen in 1995-1996, nog niet was bekrachtigd, heeft de wet van 3 april 1997 het K.B. omgezet in een wet met uitwerking op de dag van de inwerkingtreding van het K.B. zodat artikel 170 G.W. geen toepassing meer kan vinden.
Bijgevolg werd evenmin artikel 170 G.W. geschonden.
B. Inzake de BTW
Krachtens artikel 58, § 1 van het wetboek van BTW en artikel 1 van het K.B. nummer 13 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor tabaksfabrikaten op het stuk van de BTW is de BTW op tabaksfabrikaten op hetzelfde tijdstip opeisbaar als de accijns.
Krachtens de artikelen 5 en 14 van voornoemd K.B. van 29 december 1992 werd tweede eiseres de accijns verschuldigd bij het louter constateren van de tekorten van de sigaretten in haar belastingentrepot ongeacht hoe deze tekorten zijn ontstaan.
Bijgevolg is de accijns ook verschuldigd wanneer de tekorten, zoals in casu, zijn ontstaan door diefstallen.
Krachtens artikel 27 van de zesde BTW richtlijn mogen de lidstaten bijzondere, van de bepalingen van deze richtlijn afwijkende maatregelen treffen, ten einde de belastingheffing te vereenvoudigen zonder dat deze maatregelen echter noemenswaardige invloed mogen hebben op het belastingbedrag dat verschuldigd is in het stadium van het eindverbruik.
Bijgevolg mogen de lidstaten maatregelen treffen om de BTW te heffen op een andere wijze dan bij levering, intracommunautaire verwerving of invoer.
In hoofdstuk IX van het wetboek van BTW, zijn deze bijzondere regelingen opgenomen en in artikel 58, § 1 van het wetboek van BTW is voorzien dat voor tabaksfabrikaten de BTW wordt geheven telkens wanneer voor die fabricaten accijns moet worden voldaan.
Conform artikel 27·van de zesde BTW richtlijn werd aldus in artikel 58, § 1 van het wetboek van BTW en in artikel 1 van voornoemd K.B. nummer 13 van 29 december 1992 een bijzondere regeling getroffen waarbij voor tabaksfabrikaten de BTW niet verschuldigd wordt bij levering, intracommunautaire verwerving of invoer, doch wel op het ogenblik dat voor die fabricaten de accijns opeisbaar wordt.
Bovendien is de regeling in artikel 58, § 1 van het Wetboek van BTW en in artikel 1 van voornoemd K.B. nummer 13 van 29 december 1992 in verhouding tot het nagestreefde doel namelijk het vereenvoudigen van de belastingheffing.
Aangezien het bewezen is dat de accijns opeisbaar is geworden door het louter constateren van de tekorten van de sigaretten, is het evenzeer bewezen dat ondanks de diefstallen ook de BTW verschuldigd en opeisbaar is geworden.
De bijzondere regeling voorzien in artikel 58, § 1 van het wetboek van BTW en in artikel 1 van voornoemd K.B. nummer 13 van 29 december 1992 is dan ook in overeenstemming met artikel 27 van de zesde BTW richtlijn zodat de rechtbank dan ook geen prejudiciële vragen dient te stellen aan het Europees Hof van Justitie.
Anderzijds wordt krachtens artikel 5 van voornoemd K.B. van 29 december 1992 de accijns verschuldigd bij het constateren van de tekorten, ongeacht of deze tekorten worden geconstateerd in een belastingentrepot of in een BTW entrepot.
Bijgevolg is, ingevolge artikel 58, § 1 van het wetboek van BTW en artikel 1 van voornoemd K.B. nummer 13 van 29 december 1992, de BTW eveneens verschuldigd en opeisbaar, ongeacht of deze tekorten worden geconstateerd in een belastingentrepot of in een BTW entrepot.
Zowel bij diefstal in een belastingentrepot als bij diefstal in een BTW entrepot, waardoor het tekort van de sigaretten ontstaat, is de BTW aldus verschuldigd en opeisbaar.
Er is dan ook geen discriminatie zodat de rechtbank geen prejudiciële vragen dient te stellen aan het Arbitragehof.
Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad
Conform artikel 92bis van het Wetboek van BTW schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,
Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.
Veroordeelt eerste eiseres en tweede eiseres in solidum tot de kosten van het geding tot op heden door verweerders begroot op … BEF rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op … BEF rechtsplegingsvergoeding voor eerste, tweede en derde verweerders gezamenlijk.
G. G. P. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.