Bijzondere regeling, kleine onderneming, bewijs, controlemaatregel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 8 april 2003

Zoeken

Bijzondere regeling, kleine onderneming, bewijs, controlemaatregelBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-regeling-kleine-onderneming-bewijs-rechtbank-brugge-2003-04-08-f835

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
8 april 2003

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

115 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 08.04.2003

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND

AR nr. 02/697/A Rep. nr. 2003/4728

In de zaak van :

mevrouw D. N., haarkapster, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Brugge onder nummer …, BTW nr. BE …,

eiseres,

vertegenwoordigd door meester B. C., advocaat te ….

tegen :

de BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur-rekenplichtige a.i. van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, wiens burelen gevestigd zijn te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat nr. 4,

verweerder,

vertegenwoordigd door meester L. D. S., advocaat te ….


I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 11 maart 2003, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1. de gedinginleidende dagvaarding van 26 februari 2002 waarin verzet gedaan wordt tegen een dwangbevel van 4 december 2001;

2. de conclusie voor verweerder van 18 juni 2002;

3. de conclusie voor eiseres van 14 oktober 2002;

4. de conclusie voor verweerder van 6 december 2002 en

5. de conclusie voor eiseres van 21 januari 2003.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiseres is zelfstandig kapster. In 1997, 1998 en 1999 kocht zij kappersproducten bij de NV F. uit ….

De BTW-administratie van Brussel heeft bij de NV F. voor de jaren 1997, 1998 en 1999 controle uitgevoerd. Zij kwam tot de vaststelling dat de NV F. aan haar klanten facturen uitreikte waarin de prijzen van de vermelde producten lager waren dan de normale prijzen om op die manier te verdoezelen dat er bij de gefactureerde levering kortingen werden toegestaan en zelfs gratis producten werden beschikbaar gesteld.

In een proces-verbaal van 25 oktober 2001 heeft de BTW-administratie van Brussel weergegeven voor welke bedragen in de drie betrokken jaren aan eiseres ontvangen kortingen en gratis artikelen werden verstrekt. In dat proces-verbaal staat uitdrukkelijk vermeld dat het enkel om producten gaat die voor verwerking bestemd zijn, met uitsluiting van artikelen voor doorverkoop.

Als gevolg daaraan werd ook bij eiseres een BTW-controle over 1997, 1998 en 1999 gevoerd. Op 16 november 2001 maakte verweerder van zijn bevindingen proces-verbaal op. Het proces-verbaal van de collega's in Brussel van 25 oktober 2001 werd als bijlage gevoegd om geacht te worden er integraal deel van uit te maken.

In dat proces-verbaal verwerpt verweerder de boekhouding. Hij acht ze niet bewijskrachtig.

Vervolgens maakt verweerder een berekening van de meeromzet. Daartoe berekent hij in eerste instantie wat de aankoopprijs is van de producten die eiseres volgens haar eigen inschrijvingen in haar dagontvangstenboek doorverkocht heeft. In tweede instantie berekent verweerder de producten die voor verwerking in het kapsalon gebruikt werden. Hij vertrekt daartoe van de werkelijke totale aankoopfacturatie, vermindert die met de cijfers van de eerste berekening (doorverkochte producten) en voegt er de cijfers bij die volgens het proces-verbaal van 25 oktober 2001 aan korting of gratis artikelen aan eiseres werden verstrekt.

In een derde bewerking past hij artikel 20 van het kappersforfait toe. Dat houdt in dat een berekening wordt gemaakt waarin vermoed wordt dat de totale omzet van de kappershandelingen voor 12 % uit aangekochte, verwerkte producten bestaat. Aan de hand van de aldus berekende 'tekort aangegeven omzet', wordt uiteindelijk tegen het tarief van 21 % de verschuldigde BTW berekend op (in het totaal voor de drie jaren) 10.941,25 euro.

Bovendien wordt een boete berekend die verminderd wordt tot 20 %, zijnde afgerond, 2.181,46 euro.

Op die bedragen worden interesten verschuldigd verklaard.

Op 10 december 2001 werd per aangetekende brief aan eiseres een dwangbevel betekend waarin de bedragen die in het proces-verbaal van 16 november 2001 verschuldigd worden verklaard, opgeëist worden.

Met de dagvaarding van 26 februari 2002 stelde eiseres haar huidige vordering in.

2. De standpunten en vorderingen van de partijen

Eiseres vordert dat de rechtbank het betreffende dwangbevel integraal zou vernietigen en zou zeggen voor recht dat eiseres de gevorderde bedragen niet verschuldigd is. Eiseres vordert ook dat de rechtbank verweerder zou veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte ingehouden of geïnde bedragen, meer de interest.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.

Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

IIl. BEOORDELING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

2. De grond van de vordering

2.1. Stelling van eiseres

Eiseres voert in eerste orde aan dat haar boekhouding wel bewijskrachtig zou zijn. In de eerste plaats argumenteert zij in dat verband dat verweerder het vertrouwensbeginsel schendt. Dat leidt zij af uit het feit dat tijdens controles in de voorgaande jaren door verweerder nooit aangevoerd werd dat haar boekhouding onvoldoende bewijskrachtig was.

In de tweede plaats benadrukt eiseres dat van haar niet kan verlangd worden dat zij een afsprakenboek of telband voorlegt. Dat is volgens haar wettelijk niet verplicht. Vermits zij 'zonder afspraak' werkt en dus geen afsprakenboek heeft, kan zij er geen voorleggen. Een kasregister heeft ze evenmin, waardoor ze geen telbanden kan voorleggen. Volgens eiseres is het voldoende dat zij per dag het totaal van de dagontvangsten, uitgesplitst tussen doorverkopen en diensten, inschrijft.

Ook dat zij geen klantenfiches voorlegt, is volgens eiseres niet relevant omdat ze nooit dergelijke fiches zou hebben voorgelegd. Er zou daar tijdens vorige controles ook nooit naar gevraagd zijn.

Verder argumenteert eiseres dat de BTW-wetgeving geen specifieke vereisten oplegt aan het voeren van een boekhouding. In het bijzonder wordt niet verduidelijkt welke verantwoordingsstukken moeten overgelegd worden. Eiseres verwijst naar rechtspraak waarin de controleerbaarheid van de boekhouding in het voordeel van de belastingplichtige werd uitgelegd. Ook in het kappersforfait, zo stelt eiseres, is alleen sprake van een dagontvangstenboek, maar niet van fiches of kasbladen of iets dergelijks.

De invloed van verbeteringen, overschrijvingen, doorhalingen en achteraf bijgeschreven vermeldingen in het dagontvangstenboek zouden volgens eiseres in het geheel geen wezenlijke invloed hebben op het resultaat, waardoor die vaststellingen niet zouden volstaan om de boekhouding te verwerpen.

Subsidiair voert eiseres aan dat de wijze waarop verweerder de meeromzet berekende, willekeurig is. Er zouden geen deugdelijke vermoedens zijn toegepast. Volgens eiseres bevat het proces-verbaal van 16 november 2001 geen vaststaande feiten waaruit met enige graad van zekerheid zou kunnen afgeleid worden dat eiseres een hogere omzet gerealiseerd heeft dan haar aangegeven omzet. Het feit dat de producten die zij gratis of met korting van F. ontving een meeromzet teweegbrachten, is volgens eiseres iets dat niet mag verondersteld worden, maar moet bewezen worden. Volgens eiseres wordt geen gebruik gemaakt van de gewone bewijsregel van artikel 59, § 1 W.BTW, maar wordt een bijzondere bewijswaarde toegekend aan het kappersforfait.

Eiseres vindt het voor BTW-doeleinden niet zo evident dat, wanneer geen gebruik gemaakt wordt van feitelijke vermoedens, beroep gedaan wordt op een forfaitaire regeling.

Bovendien werd het kappersforfait volgens eiseres oneigenlijk aangewend. In het bijzonder acht eiseres het niet aanvaardbaar dat de correctieberekening niet vergeleken wordt met de forfaitair vastgestelde aangegeven omzet (zoals dat door forfaitair belaste kappers gebeurt), maar met de werkelijke omzet die eiseres heeft aangegeven. De minimumomzet uit artikel 20 van het kappersforfait zou hoogstens een correctief kunnen vormen op de forfaitair vastgestelde omzet.

Eiseres stelt ook dat verweerder zich niet zo maar kon steunen op de eenzijdig door de NV F. opgestelde lijsten. Uit briefwisseling zou overigens blijken dat verweerder zelf twijfelt aan die lijsten.

Tenslotte stelt eiseres dat de berekening van de meeromzet behept zou zijn door willekeur. In de eerste plaats leidt eiseres dat af uit het feit dat verweerder er zonder meer van uitgaat dat alle gratis of met korting verkregen producten door eiseres gebruikt zouden zijn bij niet-aangegeven prestaties. Volgens eiseres is het meest waarschijnlijke dat die producten gewoon werden gebruikt tijdens de (reeds) aangegeven kappersactiviteit. De producten zouden ook kunnen doorverkocht zijn.

In de tweede plaats stelt eiseres dat verweerder ten onrechte de met korting verkregen producten gelijk zou stellen met gratis geleverde producten.

In de derde plaats voert eiseres aan dat de meeromzet die verweerder berekent, in de gegeven omstandigheden door haar nooit zou kunnen gerealiseerd worden, gelet op het aantal kappers uit de buurt, het aantal kappers in haar zaak, het aantal openingsdagen, de gemiddelde duurtijd van een kapbeurt enz. Bovendien beroept eiseres zich op doktersattesten die wijzen op medische problemen van haar zowel als van haar man.

De bovenstaande redenen doen eiseres concluderen dat er geen meeromzet kan aanvaard worden en dat ook geen geldboete verschuldigd is. Minstens zou de boete moeten verminderd worden.

2.2. Stelling van verweerder

Verweerder beroept zich in eerste instantie op de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal, waardoor het aan eiseres zou toekomen om de vaststellingen uit dat proces-verbaal met (tegen)bewijzen te weerleggen. Verweerder somt de feiten op die materieel zijn vastgesteld en waarop hij zich als vaststaande feiten beroept. Met betrekking tot eiseres specifiek vermeldt hij het feit dat de NV F. op naam van eiseres een bestand bijhield voor 1997, 1998 en 1999 met de gratis producten en de verleende kortingen, het feit dat eiseres op de hoogte was van het systeem van de NV F. en over de ontvangen gratis producten geen betwisting voert en het feit dat de afgesloten afsprakenboeken niet werden bewaard, de ontvangsten niet gedetailleerd waren en er geen verantwoordingsstukken waren.

Verweerder stelt dat het aan eiseres was om een controleerbare boekhouding bij te houden en dat dit veronderstelt dat zij alle boeken en bescheiden bijhield die noodzakelijk zijn om het bedrag van haar belastbare inkomsten te kunnen bepalen. Volgens verweerder zijn die bescheiden in het geval van eiseres het dagontvangstenboek en/of kasboek, het afsprakenboek, de inventaris en verantwoordingsstukken (ontvangstnota's, eventueel kasstukken en/of kasticketten, klantenfiches enz.).

Verweerder verwijst naar een cassatiearrest van 19 april 1990 waarin de boekhouding als niet bewijskrachtig werd beschouwd omdat de belastingplichtige de individuele fiches die per klant werden bijgehouden vernietigde naarmate ze de inkomsten - als totaal per dag - in het ontvangstenboek inschreef.

Om de boekhouding te verwerpen werd volgens verweerder ook rekening gehouden met het feit dat er correcties gebeurd zijn in het dagontvangstenboek die niet leesbaar zijn en dat daarover bij voorgaande controles al opmerkingen gemaakt werden. De boekhouder van eiseres zou aan de controleur hebben toegegeven dat eiseres ter zake slordig was. Ook werd rekening gehouden met het feit dat voor 1995 en 1996 in der minne een omzetverhoging aanvaard werd van respectievelijk 80.000 en 200.000 frank. Tevens werd een optelfout vastgesteld in het inventarisboek.

Verweerder roept in dat de onsplitsbaarheid van een boekhouding niet geldt ten aanzien van een niet-bewijskrachtige boekhouding.

Wat de bepaling van de omzet aangaat, stelt verweerder dat hij, nu de boekhouding onvoldoende bewijskrachtig zou zijn, een berekening kon maken om de omzet te bepalen. Volgens hem is hij gerechtigd daartoe het kapper forfait te gebruiken en als basis van de berekening de werkelijke aankopen van eiseres te hanteren. Dat veronderstelt volgens verweerder - verduidelijkt in het kappersforfait - dat ook rekening wordt gehouden met de gratis ontvangen producten en met de kortingen. Het is volgens verweerder niet nodig om eerst een berekening van de omzet te maken zoals forfaitaire belaste kappers doen, precies omdat de berekening volgens artikel 20 van het kappersforfait een minimumomzet geeft.

De berekening acht zij niet willekeurig omdat het gebaseerd is op een forfait dat in overleg met de beroepsorganisaties van de kappers werd uitgewerkt overeenkomstig de wet.

Het is volgens verweerder niet relevant zich af te vragen of de producten die gratis of met korting verkregen werden, daadwerkelijk tot een omzetverhoging aanleiding hebben gegeven. Volgens verweerder berekent hij niet zozeer een supplement maar wel de totale omzet.

Eiseres zou verder niet aantonen dat de betreffende producten (gedeeltelijk) zouden doorverkocht zijn (en dus niet verwerkt).

Verweerder stelt ook dat er geen sprake is van gelijkstelling van de producten waarop korting is verleend met de gratis producten. De bedragen die werden aangewend, zouden slaan op de kortingen en niet op de waarde van de totale producten.

De voorgelegde doktersattesten zijn volgens verweerder zeer vaag, lang na datum van de ziekte opgemaakt en zouden geen gegevens bevatten over het tijdstip, de duur en de aard van de arbeidsongeschiktheid. Arbeidsonbekwaamheid in de gecontroleerde periode zou niet bewezen zijn en dat zou ook in de boekhouding niet tot uiting komen.

2.3. Beoordeling

2.3.1. Vertrouwensbeginsel

In de concrete omstandigheden kan eiseres zich niet beroepen op het vertrouwensbeginsel.

Verweerder ontkent niet dat er bij eiseres in de voorgaande jaren controles zijn geweest. Hij geeft daarentegen zelf aan dat er voor 1995 en 1996 minnelijke akkoorden gesloten werden waarin respectievelijk 80.000 en 200.000 frank omzetverhoging werd aanvaard. Hoewel de specifieke stukken met betrekking tot die jaren niet voorliggen, moet verweerder gevolgd worden in zijn stelling dat deze verhogingen impliciet veronderstelden dat verweerder zich door de boekhoudkundige inschrijvingen van eiseres niet zonder meer gebonden achtte. Het was slechts het feit dat er een minnelijke regeling kwam dat er de oorzaak van geweest zal zijn dat verweerder niet verplicht was om de boekhouding 'formeel' te verwerpen en in officieel meegedeelde stukken nevenberekeningen te maken.

In dergelijke omstandigheden kon eiseres uit de gedragslijn van verweerder geenszins het gerechtvaardigd vertrouwen afleiden dat verweerder in de toekomst genoegen zou nemen met de wijze van boekhouden zoals zij in de vorige jaren was toegepast. Integendeel : de omzetverhogingen waren zelfs een uitdrukking van de opvatting van verweerder dat hij de boekhouding van eiseres niet zonder meer aanvaardde.

2.3.2. De bewijskracht van de boekhouding

Eiseres had als kapster de keuze tussen de toepassing van het forfait enerzijds en het bewijzen van inkomsten en kosten anderzijds. Vermits zij de keuze maakte om haar inkomsten en kosten te bewijzen, moest zij beseffen dat zij een 'bewijskrachtige boekhouding' moest bijhouden.

Zelfs al is de belastingwetgeving (net zomin als de boekhoudwetgeving) eerder vaag over de concrete invulling van het begrip 'bewijskrachtige boekhouding', toch staat vast dat de boekhouding 'controleerbaar' moet zijn. Dat volgt op zijn minst uit artikel 14, § 1 van het KB nr. 1 dat luidt : "De belastingplichtigen moeten een aan de omvang van hun activiteiten aangepaste boekhouding voeren om de belasting over de toegevoegde waarde te kunnen toepassen en controleren.”.

Om controleerbaar te zijn, moet een boekhouding op die manier zijn opgesteld dat zij een samenhangend, nauwkeurig geheel vormt en opgebouwd is rond voldoende elementen die toelaten na te gaan (te controleren) of de gegevens die de belastingplichtige zelf vermeldt, met de werkelijkheid overeenstemmen. De controle moet objectief “mogelijk” zijn. Het komt in dat verband aan de belastingplichtige toe om er voor te zorgen dat hij voldoende (en binnen de perken van het mogelijke en het redelijke) elementen inbouwt waarmee hij een kritische buitenstaander (de controleur) ervan kan overtuigen dat zijn boekhouding waarheidsgetrouw is zonder dat die buitenstaande verplicht kan worden de belastingplichtige op zijn woord te geloven. De louter eenzijdige vermeldingen van de hand van de belastingplichtige moeten in de mate van het mogelijke met behulp van andere elementen voldoende aannemelijk gemaakt worden.

Nu blijkt dat eiseres - behoudens haar facturatie en kennelijk een inventarisboek (in het proces-verbaal van 16 november 2001 is in elk geval sprake van de hertelling van de inventaris) - alleen een dagontvangstenboek bijhield waarin alleen het totaal van de ontvangen ingeschreven werd, heeft verweerder met reden de boekhouding van eiseres onvoldoende bewijskrachtig bevonden.

In de gegeven omstandigheden is een behoorlijke controle immers niet mogelijk.

Vermits de omzet van een kapper slechts in beperkte mate uit doorverkoop schreven dagtotalen op hun waarachtigheid te controleren.

Verweerder wijst terecht op het ontbreken van een afsprakenboek. Nu blijkt dat eiseres 'zonder afspraak' werkt en slechts uitzonderlijk afspraken vastlegt, kan nog worden aanvaard dat zij geen afsprakenboek heeft (had).

Toch maakt dat eiseres in belangrijke mate verschillend van de meeste kappers. Waar zij – om aanvaardbare redenen ­ geen afsprakenboek had, moest eiseres beseffen dat zij op een andere manier een inspanning moest dat licht is de verwijzing door verweerder naar het cassatiearrest van 19 april 1990 (Arr. Cass., 1989-90, p. 1076) niet zonder relevantie. Ten onrechte wil eiseres doen verstaan dat de feitelijke achtergrond van het cassatiearrest, vergeleken met haar situatie, fundamenteel verschillend zou zijn omdat de kapper in kwestie “individuele fiches” van de klantenbezoeken had bijgehouden. Zoals uit de motivering van de cassatievoorziening blijkt, ging het volgens eiser in cassatie zelf slechts om stukjes papier (…) waarop in alle haast iets was gekrabbeld (de simples bouts de papier griffonnés sur un coin de comptoir. Wanneer eiseres zich veroorlooft om slechts per dag - in het beste geval aan het eind van de werkdag – een eindtotaal van de ontvangsten in te schrijven, dan is dat materieel niet anders mogelijk – wil het correct gebeuren – dan aan de hand van de bijgehouden individuele bedragen. Nu zij geen kasregister had – een keuze die ze vrijwillig kon maken – moet dit allicht eigenhandig op papier zijn gebeurd. Eiseres heeft dergelijke eigenhandige notities (ongeacht of ze als ''individuele fiches' kunnen betiteld worden) in elk geval niet bijgehouden. Mocht eiseres bedoelen dat ze dergelijke notities nooit maakte, dan is er des te meer reden om aan de waarachtigheid van haar ingeschreven dagtotalen te twijfelen en haar boekhouding te verwerpen. Gelet op het feit dat de inkomsten per dag meestal niet onbeduidend waren en dat eiseres niet alleen werkte, kan immers niet verondersteld worden dat eiseres de dagontvangsten een dag lang uit het hoofd bijhield. Ook dan zou zij trouwens moeten beseft hebben dat dit systeem onvoldoende objectieve controle toelaat.

In het geheel van de concrete omstandigheden komt de rechtbank dan ook tot de vaststelling dat boekhouding van eiseres met reden door verweerder verworpen werd.

2.3.3. De berekening van de omzetverhoging

Het is niet langer relevant of uit het proces-verbaal van 16 november 2001 rechtstreeks blijkt dat eiseres een meeromzet gerealiseerd heeft. Nu verweerder terecht de boekhouding van eiseres als onvoldoende bewijskrachtig bevonden heeft, is het hem toegelaten een objectieve berekening te maken van wat volgens hem de totale omzet van eiseres in de betreffende jaren moet geweest zijn.

Verweerder heeft een berekening gemaakt waarbij hij vertrekt van de werkelijke (waarde van de) aankopen die eiseres gedaan heeft in de gecontroleerde periode. Aan de hand van het proces-verbaal van 16 november 2001 is het een vaststaand feit dat de waarde van de aankopen die eiseres gedaan heeft hoger was dan uit haar facturatie kon afgeleid worden.

Uit het proces-verbaal van 25 oktober 2001, dat een geïntegreerd deel is van het proces-verbaal van 16 november 2001, blijkt dat de bedragen die onder de titel 'korting' vermeld staan, niet slaan op de waarde van de producten waarop korting is verleend, maar op de effectief verleende kortingen.

De betreffende processen-verbaal leveren dan ook - tot bewijs van het tegendeel - het bewijs van de waarde van de door eiseres aangekochte goederen in 1997, 1998 en 1999. De lijsten van de NV F. zijn duidelijk op naam van eiseres en eiseres heeft volgens het proces-verbaal van 16 november 2001 niet alleen bekend dat zij gratis producten kreeg, maar ook dat aan haar kortingen werden verleend. Er is geen reden om aan de cijfers die door de NV F. verstrekt zijn, te twijfelen. Dat zijn bekende feiten.

Zelfs al werd de boekhouding verworpen, toch kon verweerder zich voor zijn berekening beroepen op delen van die boekhouding.

Verweerder kon voor zijn berekening gebruik maken van het kappersforfait. Het betreft immers een overeenkomst die tot stand gekomen is met medewerking van de beroepsorganisaties van de kappers. De criteria en parameters die er in werden opgenomen, moeten geacht worden te beantwoorden aan objectieve gemiddelden. Het forfait kan dus niet geacht worden willekeurig te zijn of gespeend van voldoende realisme. Het feit dat de berekening kan afwijken van de werkelijke resultaten van eiseres, is niet langer relevant. Zij kon een dergelijke fiscale behandeling zelf vermijden door een voldoende bewijskrachtige boekhouding te voeren, wat zij niet gedaan heeft.

De wijze waarop verweerder de aankoopprijs van de door eiseres rechtstreeks doorverkochte producten becijferd heeft en aldus vooraf genomen, is gebaseerd op de door eiseres genoteerde verkoopprijzen enerzijds en de parameter uit artikel 21 van het forfait (158 %).

Het is ook niet tegenstrijdig om meteen de berekening van artikel 20 van het kappersforfait toe te passen. Eiseres stelt ten onrechte dat dit slechts zou kunnen binnen het forfait en dat het dus veronderstelt dat eerst een omzetbepaling volgens de voorafgaande artikelen van het forfait wordt berekend. Zoals verweerder terecht laat gelden, gaat deze argumentatie voorbij aan het feit dat artikel 20 van het forfait een minimumomzet voorziet. Die berekening geeft inderdaad - op basis van aanvaarde gemiddelden - aan wat de omzet is die iemand die een welbepaalde hoeveel goederen met het oog op verwerking in een kapperssalon gebruikt, minstens moet behalen.

Hoewel de berekeningswijze die verweerder in zijn proces-verbaal (evenals in het forfait trouwens) gebruikt nogal ingewikkeld is en inderdaad de cijfers uit de aanvankelijk (volgens de artikelen 1 tot 19 van het forfait) berekende omzet in de berekening betrekt, volstaat het om de minimumomzet te becijferen door de aankoopprijs van de producten (die voor verwerking en niet voor doorverkoop bestemd zijn) exclusief BTW te vermenigvuldigen met 8,3334. Dat is het gevolg van het feit dat in het type kapsalon van eiseres, de verwerkte producten geacht worden 12 % van de totale (= 100 %) (buiten doorverkoop) gerealiseerde omzet uit te maken (100/12 = 8,3334).

Waar het forfait er blijk van geeft dat de beroepsorganisaties van de kappers het erover eens is dat de omzet minstens 8,3334 keer de aankoopprijs van te verwerken producten vertegenwoordigt, is dit een objectieve en betrouwbare manier om de normale omzet van eiseres te berekenen. Deze benaderingswijze is niet exclusief toepasselijk voor de kappers die voor de forfaitaire belasting kiezen.

Eenmaal op deze objectieve manier de minimumomzet berekend wordt, is het zinloos te zoeken naar het bewijs van de precieze aanwending van de gratis of met korting verkregen producten. Die producten worden geacht naar de verwerking in het kapsalon te zijn gegaan. De opmerking van eiseres dat het niet uitgesloten is dat de extra producten minstens gedeeltelijk ook naar doorverkoop kunnen gegaan zijn of zelf gratis kunnen zijn weggeschonken door eiseres, zou de berekening van verweerder inderdaad kunnen ondergraven. In het proces-verbaal van 25 oktober 2001 staat evenwel letterlijk vermeld : "Het gaat hier enkel om producten voor verwerking met uitsluiting van artikelen voor doorverkoop". Wellicht kon dat afgeleid worden uit de verpakking of minstens moet de NV F. dat in die zin verklaard hebben. In elk geval heeft die vermelding een bijzondere bewijswaarde. Het is aan eiseres van het tegendeel te bewijzen, wat niet gebeurt.

Tenslotte laat verweerder terecht gelden dat, nu hij bij gebrek aan bewijskrachtige boekhouding eiseres kon confronteren met een herberekening van de omzet, het aan eiseres toekomt om te bewijzen dat het resultaat van de berekening omwille van diverse factoren (omzetcijfers van de vorige jaren, het aantal kappers in haar kapsalon, het aantal openingsdagen, de gemiddelde duur van een kapbeurt, het aantal potentiële klanten, de concurrentie enz.) niet realiseerbaar zou zijn. Eiseres laat in elk geval na een dergelijk bewijs te leveren.

Hetzelfde geldt voor de invloed die zou uitgegaan zijn van de medische problemen van eiseres en haar echtgenoot. De opmerkingen van verweerder op dat vlak worden door de rechtbank bijgetreden.

2.3.4. De boete

De rechtbank acht in de gegeven omstandigheden een boete gepast. De boekhouding van eiseres was onvoldoende bewijskrachtig, terwijl zij had moeten beseffen dat een behoorlijke controle ervan niet mogelijk was. Kennelijk vond eiseres het niet abnormaal dat in de vorige jaren telkens voorgesteld werd om een meeromzet aan te rekenen. Iemand die erop uit is om zijn werkelijke belastbare winst te bewijzen, moet daarentegen - wanneer hij/zij toch een hoger bedrag wordt aangerekend - ernstig gaan nadenken over hoe hij/zij kan vermijden om in het vervolg niet opnieuw op meer dan zijn/haar werkelijke nettowinst belast te worden. Eiseres bleef evenwel even 'gemakkelijk' omgaan met haar boekhouding. Ook voor een mindering van de boete ziet de rechtbank in de gegeven omstandigheden geen reden.

3. De gerechtskosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet zij de gerechtskosten dragen.

Beschikkend gedeelte

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.

De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van verweerder :

- rechtsplegingsvergoeding : 334,66 euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op acht april tweeduizend en drie.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

D. V., alleenrechtsprekend rechter

A. V., griffier

A. V. D. V.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 1 art. 141 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8