Bewijs, Onderzoek door andere fiscale administratie, Rechtmatig verkregen inlichtingen · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie C.02.0631.N 17 november 2005

Zoeken

Bewijs, Onderzoek door andere fiscale administratie, Rechtmatig verkregen inlichtingen

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-onderzoek-andere-fiscale-administratie-cassatie-brussel-2005-11-17-6b42

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Rolnummer
C.02.0631.N
Datum
17 november 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

123 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 17.11.2005 (C.02.0631.N)

Bewijs - Onderzoek door andere fiscale administratie - Rechtmatig verkregen inlichtingen

Wettelijke bepalingen

Art. 87, W.BTW

Artt. 1319; 1320 en 1322, Burgerlijk Wetboek

Samenvatting

De inlichtingen en gegevens die tijdens een onderzoek door een fiscale administratie rechtmatig werden verkregen, kunnen gebruikt worden door een andere fiscale administratie met het oog op het vestigen van een andere belasting ten laste van de gecontroleerde persoon of ten laste van een andere belastingplichtige.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie

dd. 17.11.2005

(C.02.0631.N)

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, op benaarstiging van de gewestelijke directeur van de B.T.W. te Antwerpen, voor wie optreedt de rekenplichtige - ontvanger van het tweede B.T.W.-ontvangkantoor te Antwerpen, gevestigd te 2000 Antwerpen, Italielei 4, bus 4, eiser, vertegenwoordigd door Mr. I.C.B., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te …, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,

tegen

1. S.A. , 2. R.P. verweerders, beiden handelend in hun hoedanigheid van curator van het faillissement van M. BVBA, met zetel te …, vertegenwoordigd door Mr. H.G., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te …, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.

I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 september 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.

II. Rechtspleging voor het Hof

Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

III. Middel

Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet ;

- artikel 780, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek (Ger. Wb.) ;

- de artikelen 210, ,§1, ,§2 en ,§3, van de algemene wet inzake douane en accijnzen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1977 (A.W.D.A.) ;

- artikel 93quaterdecies, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Wb. B.T.W.) ;

- en in bijkomende orde, voor zoveel als nodig : de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, 186 en 189 A.W.D.A., 59 Wb. B.T.W., en 87 van de Wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoger beroep, door eiser ingesteld tegen het vonnis van 8 december 2000, ongegrond, en bevestigt het bestreden vonnis.

Tot motivering van deze beschikking overweegt het hof van beroep :

"De eerste rechter heeft op grond van terechte motieven die het hof (van beroep) beaamt en overneemt terecht geoordeeld dat het verzet gegrond is".

In het vonnis van de eerste rechter wordt vooreerst de vordering van verweerster, ertoe strekkende de conclusie neergelegd door eiser na heropening van de debatten uit de debatten te weren, afgewezen. Vervolgens verklaart de rechtbank "de vordering van (verweerster) ontvankelijk en gegrond, beveelt de nietigverklaring van het dwangbevel met refertenummer reg. 127/3295, uitgevaardigd op 30 maart 1995 en betekend op 19 april 1995. Ontslaat verwerende partij van alle in dit dwangbevel van haar gevorderde bedragen. Veroordeelt (eiser) tot terugbetaling van alle ingehouden bedragen en dit vermeerderd met de moratoire intresten.

Veroordeelt (eiser) tevens tot de kosten van huidig geding".

De overgenomen motivering luidt als volgt :

"- Betreffende de betrokkenheid van de B.B.I.-ambtenaren bij het onderzoek

Volgens (eiser) waren de B.B.I.-ambtenaren reeds van bij het begin betrokken bij het onderzoek, niet in het kader van douanebevoegdheden, doch wel in het kader van eigen bevoegdheden op het gebied van B.T.W.

en directe belastingen. De B.B.I.-ambtenaren mochten dan ook op het gebied van B.T.W. en directe belastingen de stukken in beslag nemen.

Dit blijkt echter uit geen enkel element van het dossier.

De machtiging tot huisvisitatie werd immers schriftelijk aangevraagd en verleend op grond van artikelen 188, 197 en 198 A.W.D.A. waarbij aan een B.B.I.-ambtenaar machtiging werd verleend om bijstand te verlenen aan de ambtenaren der douane en accijnzen om, binnen de perken van hun wettelijke bevoegdheid, opsporingen en huiszoekingen te verrichten in het pand gelegen te Berchem, Fruithoflaan 118, elfde verdieping.

Het is dan ook duidelijk dat deze B.B.I.-ambtenaar in het begin van het onderzoek slechts bijstand verleende in het kader van douanebevoegdheden.

Bovendien blijkt uit de inventaris van 17 oktober 1991 en uit het proces-verbaal van 24 januari 1995 van de vierde inspectie van de B.B.I. te Brugge duidelijk dat alle documenten door de ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen werden in beslag genomen.

Bijgevolg is het bewezen dat deze documenten niet op het gebied van B.T.W. en directe belastingen werden in beslag genomen, doch wel in het kader van douanebevoegdheden.

- Betreffende regelmatigheid van het door de douaneambtenaren ingesteld onderzoek

Conform artikel 210, ,§3, A.W.D.A. is elke ambtenaar van een belastingbestuur van de Staat, regelmatig belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van een bepaalde belasting bij een natuurlijke of een rechtspersoon, van rechtswege gemachtigd alle inlichtingen op te zoeken of in te zamelen welke de juiste heffing van alle door deze persoon verschuldigde andere rechten kunnen verzekeren.

De onderzoeksbevoegdheden van een belastingambtenaar zijn doelgebonden en enkel gericht op de controle van eventuele inbreuken op een specifieke belastingreglementering.

Bijgevolg mogen de onderzoeksbevoegdheden toegekend met het oog op de controle van een bepaalde belastingsreglementering niet aangewend worden om louter en alleen de inbreuken op een ander belastingreglementering vast te stellen.

Niettegenstaande de B.B.I. ambtenaren belast zijn met de controle van de diverse belastingwetgevingen, blijft ook voor hen de doelgebondenheid van de in het kader van elk onderzoek verleende bevoegdheden onverminderd gelden.

Aangezien zowel de douaneambtenaren als de B.B.I. ambtenaar gemachtigd waren tot een huisvisitatie op grond van de artikelen 188, 197 en 198 A.W.D.A. waren hun onderzoeksbevoegdheden dan ook enkel toegekend voor de controle inzake douane en accijnzen.

Slechts ingeval de huisvisitatie werd verricht binnen de normale bevoegdheden inzake douane en accijnzen, zijn zij gemachtigd om alle inlichtingen op te zoeken of in te zamelen welke de juiste heffing van alle verschuldigde andere rechten kunnen verzekeren.

Vooreerst dient dan ook te worden (onderzocht) of het onderzoek regelmatig werd ingesteld en of de huisvisitatie werd verricht voor de controle inzake douane en accijnzen.

(Eiser) stelt in zijn conclusies dat de huisvisitatie kaderde in een onderzoek betreffende het gebruik van een reeds geschrapt B.T.W.-nummer van de firma Vibrex voor (het) invoeren van kooktoestellen en grilleerapparaten vanuit Zwitserland ; doordat de invoerfacturen waren voorzien van een oorsprongsverklaring waaruit de Zwitserse oorsprong van de ingevoerde goederen moest blijken, waren geen invoerrechten verschuldigd (preferentieel tarief EVA landen) ; een verder onderzoek, na de huisvisitatie, bij de Zwitserse douanediensten bevestigde dat de ingevoerde (goederen) geheel en al in Zwitserland werd geproduceerd zodat dan ook effectief geen invoerrechten verschuldigd waren en bijgevolg geen douaneovertredingen konden weerhouden worden.

Op 15 oktober 1991 vroeg de Opsporingsinspectie Antwerpen, Controle III, der Douane en Accijnzen, een machtiging tot huisvisitatie aan teneinde er sluiks ingevoerde goederen vanuit Zwitserland op te zoeken, waarvan ze het bestaan vermoeden.

Bij deze aanvraag was een schriftelijke verklaring gevoegd waarin vermeld werd dat kooktoestellen (grilleerapparaten) vanuit Zwitserland werden ingevoerd op de firma Vibrex, waarvan het B.T.W.-nummer geschrapt was, en dat B., die zou verblijven te Berchem, Fruithoflaan 118, als geldschieter zou fungeren en de goederen op zijn verblijfplaats zou stockeren in verschillende garageboxen ; tevens werd vermeld dat de toestellen zouden aangekocht worden tegen de eenheidsprijs van 6.000 BEF, terwijl er bij de invoer facturen werden voorgelegd waarop een waarde is vermeld van 1.000 BEF.

Er kan dan ook geen betwisting bestaan omtrent de regelmatigheid van het door de douaneambtenaren ingestelde onderzoek.

- Betreffende de regelmatigheid van de uitwisseling van de tijdens het onderzoek bekomen inlichtingen aan de B.T.W.-administratie.

Het proces-verbaal van de hoofdcontroleur van de B.B.I. dd. 24 januari 1995 vermeldt : 'Tussen de tijdens de huisvisitatie ingeziene stukken, akten, registers en bescheiden, heb ik fotokopieën van gedateerde leveringsnota's, sommige ondertekend voor ontvangst en met vermelding van de prijs, het aantal goederen, een specificatie van het artikel en de prijs'.

Uit artikel 210, ,§3, A.W.D.A. volgt dat verwerende partij dient aan te tonen dat de persoon bij wie zij het onderzoek inzake douane en accijnzen voerden, en de persoon lastens wie zij inlichtingen met betrekking tot een andere belasting opzochten of inzamelden dezelfde is.

Het onderzoek inzake douane en accijnzen werd gevoerd bij de heer B. en/of mevrouw B. in het kader van mogelijke sluikinvoer van kookpannen en de inlichtingen terzake van een B.T.W.-fraude zouden opgezocht of ingezameld zijn in verband met eisende partij, die een andere rechtspersoon betreft.

Zoals uitdrukkelijk uit de tekst van de wet zelf blijkt, is het begrip van gemeenschappelijk navorsingsmiddel evenwel beperkt tot de belastingen verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon bij wie de controle of het onderzoek wordt gedaan.

Indien geen enkel recht tot mededeling bestaat met het oog op de heffing van een bepaalde belasting verschuldigd door een ander persoon dan die bij wie het onderzoeksrecht rechtmatig wordt uitgeoefend, kan de betrokken administratie, met het oog op de heffing van een ander belasting ervan geen mededeling doen aan de partner-administraties.

Cfr. Cass. 28 mei 1993, F.J.F. 93/222 :

'Een ambtenaar van douane en accijnzen die regelmatig belast is met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de douanewetgeving is gemachtigd om, naar aanleiding van een dergelijke controle, met de onderzoeksmiddelen eigen aan de douanewetgeving inlichtingen in te zamelen die dienstig zijn voor een juiste heffing van de door de gecontroleerde persoon verschuldigde directe belastingen'.

Inzake douane en accijnzen wordt dikwijls overgegaan tot inbeslagname van documenten die dan overgemaakt worden aan de partner-administraties. Voor zover deze documenten betrekking hebben op de persoon bij wie de huiszoeking wordt gedaan, wordt het recht tot mededeling rechtmatig uitgeoefend. Dit zou niet het geval zijn, mochten de inbeslaggenomen en medegedeelde documenten vreemd zijn aan de persoon bij wie de huiszoeking gebeurt.

De documenten, zijnde leveringsnota's van de BVBA Munosan, werden in beslag genomen tijdens de uitgevoerde huiszoeking door een ambtenaar van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie.

Deze ambtenaar kan overeenkomstig de machtiging tot visitatie alle bevoegdheden uitoefenen die door de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake belastingen, rechten en taksen worden verleend aan de fiscale administraties en aan de ambtenaren ervan (Wet van 8 augustus 1980 art. 87).

Het begrip van uitbreiding van het onderzoeksrecht is evenwel begrensd. Het slaat alleen op andere belastingen voor zover die verschuldigd zijn door degene bij wie de controle uitgeoefend wordt en niet op andere belastingen verschuldigd door derden.

De verkregen inlichtingen zijn onrechtmatig en kunnen geen rechtsgevolgen creëren.

De vordering van (verweerder) tot nietigverklaring van het dwangbevel dient ontvankelijk en gegrond te worden verklaard en de ingehouden bedragen dienen terugbetaald te worden".

De overgenomen motivering van de eerste rechter wordt door het hof van beroep aangevuld als volgt :

"De regelmatige aanwezigheid van de B.B.I.-ambtenaren bij de uitvoering van de huisvisitatie toegelaten door de politierechter te Antwerpen bij beschikking van 15 oktober 1991 verandert het karakter van het onderzoek niet. Zowel uit het verzoek tot machtiging tot visitatie (met de aangehechte bijlage) als uit de machtiging zelf blijkt onomstotelijk dat het onderzoek een louter douaneonderzoek betrof en enkel gericht was tegen een firma Vibrex en de bewoners van het huis dat de fiscus wenste te visiteren, de heer en mevr.

B.-B..

Van BVBA Munosam noch van B.T.W.-inbreuken is er sprake in het verzoek en in de machtiging.

Noch de algemene fiscale bevoegdheid van de B.B.I. noch de multidisciplinaire bevoegdheid van controleambtenaren lieten toe documenten in beslag te nemen tijdens de visitatie op basis waarvan een aanslag gevestigd werd tegen B.V.B.A. Munosan.

Dat de litigieuze aanslag wel degelijk gevestigd is geworden op basis van deze documenten blijkt uitdrukkelijk uit hetgeen vermeld is geworden in het PV d.d. 24 januari 1995 dat trouwens werd opgesteld door de B.B.I.-ambtenaar die de douane ambtenaren vergezelde bij de huisvisitatie".

Grieven

1. Eerste onderdeel

In regelmatig neergelegde conclusies heeft eiser een stelling ontwikkeld, volgens welke "de gegevensuitwisseling tussen de verschillende administraties is voorzien in artikel 210, ,§2 en ,§3, van de A.W.D.A." (cfr.

beroepsconclusies, blz. 11 tot 13).

Het geschil wordt door het arrest, en door de overgenomen motieven van de eerste rechter, beslecht alsof de administratiestelling enkel gesteund was op de toepassing van artikel 210, ,§3, A.W.D.A. Het ingeroepen artikel 210, ,§2, wordt in de bestreden uitspraak volledig voorbijgezien. Ten aanzien van deze stelling en van het erin opgenomen verweer, gesteund op artikel 210, ,§2, A.W.D.A., is het arrest niet gemotiveerd.

Minstens hebben de appèlrechters de juiste draagwijdte van eisers conclusie miskend.

Hieruit volgt dat wegens deze tekortkoming aan de motiveringsplicht de schending moet vastgesteld worden van de artikelen 149 van de gecoördineerde Grondwet, en 780, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, minstens van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Tweede onderdeel

Het behoort tot de functie van een ambtenaar, lid van de controlediensten van een fiscaal bestuur, handelend in de uitoefening van zijn ambt, dat hij de belastbare feiten vaststelt die onder zijn bevoegdheid vallen.

Deze werking wordt gepreciseerd en uitgebreid door de bepalingen, opgenomen in artikel 210 A.W.D.A., en eveneens in artikel 93quaterdecies, Wb. B.T.W. In het ,§1 van deze artikelen wordt aan alle openbare besturen een algemene mededelingsplicht van fiscaal nuttige inlichtingen opgelegd. In het ,§2 van dezelfde artikelen wordt onder meer gesteld dat alle inlichtingen en stukken, ontdekt door een ambtenaar van de vermelde administratie, (kunnen) ingeroepen worden voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.

Dezelfde werking wordt nog uitgebreid door ,§3 van deze wetsartikelen waarin gesteld wordt dat elke ambtenaar van de vermelde besturen, regelmatig belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van een bepaalde belasting, van rechtswege gemachtigd is alle inlichtingen op te zoeken en in te zamelen welke de juiste heffing van alle door deze persoon verschuldigde rechten kunnen verzekeren.

Aan de woorden "door deze persoon" mag geen restrictieve betekenis toegeschreven worden. De ,§3 van deze wetsartikelen is wel door de wetgever bedoeld als een uitbreiding van de ,§1 die voorafgaat. Met ,§2 wordt de bevoegdheid omschreven van elke ambtenaar in de uitoefening van zijn eigen functie, ongeacht de in de bekomen inlichtingen betrokken personen ; met het ,§3 wordt het geval beoogd waarin een ambtenaar inlichtingen bekomt die buiten zijn eigen functie dienen aangewend te worden, zodat hij ze aan de bevoegde administratie moet overmaken.

Deze bepalingen maken ten andere een verder toepassing van het principe dat in ,§1 van dezelfde wetsartikelen 210 A.W.D.A. en 93quaterdecies Wb. B.T.W., waarbij alle administratieve diensten aan de bevoegde fiscale diensten, op verzoek, alle nuttige inlichtingen moeten overmaken.

Uit dit stelsel betreffende de onderzoeksbevoegdheden van de ambtenaren van fiscale besturen moet afgeleid worden dat, wanneer een onderzoek wettelijk gebeurt, de administratie gemachtigd en tevens verplicht is, gebruik te maken van alle verkregen informatie om een correcte toepassing van de fiscale wet te verzekeren.

Dit geldt des te meer voor ambtenaren van de Bijzondere Belastinginspectie, gelet op de polyvalente functie van deze administratieve dienst. De doelgebondenheid, waarop in de motieven van het vonnis de nadruk wordt gelegd, betekent voor deze ambtenaren dat hun onderzoek wel moet gericht worden tot het opsporen van een fiscale schuld, maar dan zonder exclusief voor de ene of de andere fiscale wetgeving.

In het arrest wordt uitdrukkelijk vastgesteld dat het onderzoek van de douaneambtenaren regelmatig gebeurde.

Eveneens wordt de aanwezigheid van een B.B.I.-ambtenaar als regelmatig aangenomen, weze het om aan de ambtenaren van de douane en accijnzen bijstand te verlenen.

Met "bijstand" kan niet worden bedoeld dat de betrokken ambtenaar zijn toezicht moet beperken tot de douanewetgeving, in welk geval zulke bijstand geen concreet nut zou vertonen. Het betekent wel dat de bijstand, vooral in het geval van een B.B.I.-ambtenaar, ook de toepassing van andere fiscale wetgevingen in acht zal nemen.

De omstandigheid dat de vaststellingen van de optredende ambtenaar plaatsvinden tijdens een onderzoek waarin hij optreedt om ambtenaren van een andere dienst van het departement bij te staan, dan wel tijdens een door hem zelf geleid onderzoek, kan zijn bevoegdheid om deze vaststellingen te doen niet wijzigen.

De boven geciteerde voorschriften van artikel 210, ,§2 en 3, A.W.D.A., en 93quaterdecies, ,§2 en 3, Wb.

B.T.W. bevatten ter zake geen bepaling en laten niet toe enige beperking van zijn bevoegdheid uit te ratio legis af te leiden.

De in dit arrest besproken inbeslagneming van stukken levert aldus rechtmatige bewijsmiddelen op, die minstens in hoofde van de administratie van de douane en accijnzen op een rechtmatige wijze zijn verkregen.

Het feit dat op grond van die stukken geen douaneovertredingen werden vastgesteld, ontneemt niet de bewijskracht ervan ten aanzien van mogelijke andere fiscale schulden.

De overweging in het arrest, dat de onderzoeksbevoegdheden van een belastingambtenaar doelgebonden zijn, en "enkel gericht op de controle van eventuele inbreuken op een specifieke belastingreglementering", vindt geen steun in de wet en is onverenigbaar met de ratio legis van voornoemde wetsbepalingen, minstens wanneer het gaat over tussenkomsten van de Bijzondere Belastingsinspectie, die speciaal is ingericht met het oog op polyvalente controles.

Dat de optredende ambtenaren de besproken stukken hebben gezien in hun hoedanigheid van bijstandambtenaar of van douaneambtenaar doet ten andere op de ingeroepen specificiteit van de bewijsmiddelen geen afbreuk.

De vereniging van verschillende hoedanigheden in eenzelfde ambtenaar heeft geen machtsomzeiling of machtsuitbreiding tot gevolg.

Hieruit volgt dan verder dat de termen "alle door deze persoon verschuldigde rechten", in artikel 210, ,§3, wel overeenstemmen met het quod plerumque fit, maar geen exclusief betekenen ten opzichte van inlichtingen bekomen betreffende andere personen ; zulke exclusief zou ten andere onverenigbaar zijn met het bepaalde in artikel 210, ,§2.

Deze beperkte interpretatie is ten andere onverenigbaar met de regel van artikel 59 Wb. B.T.W., volgens welke de administratie het bestaan van belastbare feiten met alle rechtsmiddelen mag bewijzen, met uitzondering van de eed. Onwettelijk verkregen bewijsinstrumenten worden weliswaar uitgesloten. De tekst van artikel 210, ,§3, A.W.D.A. moet echter begrepen worden als een uitbreiding van 210, ,§2, A.W.D.A. niet als een beperking. Deze gehele materie wordt door de wetgever uitgewerkt in de artikelen 186, 189 en vooral 210, ,§1, A.W.D.A.

Hieruit volgt dat de ontleding van ter zake toepasselijke wetsbepalingen blijkt dat het arrest, met bevestiging van de uitspraak van de eerste rechter, slechts met miskenning van de bepalingen van de artikelen 210, ,§1, ,§2 en ,§3, heeft kunnen beslissen dat de inlichtingen waarop de berekening van de in het dwangbevel gevorderde belasting en boete is gesteund, onregelmatig werden verkregen en geen rechtsgevolgen creëren.

Deze uitspraak strekt tevens, voor zoveel als nodig, tot schending van de artikelen 186 en 189 A.W.D.A.

wat betreft de onderzoeksmachten van de administratie de douane en accijnzen, van artikel 87 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen, waarbij de polyvalente bevoegdheid van de B.B.I.-ambtenaren geregeld wordt, en van artikel 59, ,§1, Wb. B.T.W., betreffende de bewijskracht van het proces-verbaal.

IV. Beslissing van het Hof

1. Eerste onderdeel

Overwegende dat artikel 210, ,§2, van de Algemene Wet inzake Douane en Accijnzen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 18 juli 1977 - verder genoemd : AWDA - bepaalt dat elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte ontdekt of verkregen in het uitoefenen van zijn functies, door een ambtenaar van een fiscaal Rijksbestuur, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een van de in paragraaf 1 van deze wetsbepaling aangeduide diensten, door de Staat kan ingeroepen worden voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som ;

Overwegende dat, krachtens artikel 210, ,§3, AWDA, elke ambtenaar van een belastingbestuur van de Staat, regelmatig belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van een bepaalde belasting bij een natuurlijke of een rechtspersoon van rechtswege gemachtigd is alle inlichtingen op te zoeken of in te zamelen welke de juiste heffing van alle door deze persoon verschuldigde andere rechten kunnen verzekeren ;

Dat op grond van die wetsbepaling een ambtenaar van de administratie van douane en accijnzen die regelmatig belast is met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de douanewetgeving, gemachtigd is om naar aanleiding van een dergelijke controle of onderzoek met de onderzoeksmiddelen eigen aan de douanewetgeving inlichtingen in te zamelen die dienstig zijn voor de juiste heffing van de andere door de gecontroleerde persoon verschuldigde belastingen ;

Overwegende dat uit de samenhang van de voormelde wetsbepalingen volgt dat de inlichtingen en gegevens die tijdens een onderzoek door een fiscale administratie rechtmatig werden verkregen, kunnen gebruikt worden door een andere fiscale administratie met het oog op het vestigen van een andere belasting ten laste van de gecontroleerde persoon of ten laste van een andere belastingplichtige ;

Overwegende dat het arrest dat anders oordeelt artikel 210, ,§2 en ,§3, AWDA schendt ;

Dat het middel gegrond is ;

2. Overige grieven

Overwegende dat de overige grieven die niet tot ruimere cassatie kunnen leiden, geen antwoord behoeven ;

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Vernietigt het bestreden arrest ;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ;

Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter …

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

1

Rechtspraak

1

België

1

Bekijk het document

Vergelijkbare beslissingen

8