Bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 31 maart 2008

Zoeken

Bewijs, controlemaatregel, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-vervolging-geding-rechten-rechtbank-brugge-2008-03-31-2037

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
31 maart 2008

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

130 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 31.03.2008

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 02/201/A Rep.nr.2008/ 4'U5

mevrouw R. N., bejaardenhelpster, bijberoep haarkapster, wonende te …, …,

eiseres

voor wie optreedt Meester F. M., advocaat met kantoor te …, …,

TEGEN

De F.O.D. FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te OOSTENDE, met kantoren gevestigd te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1, 1e verdieping,

verweerder

voor wie is opgetreden Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,

EN

In de zaak 07/2528/A

mevrouw R. N., bejaardenhelpster, bijberoep haarkapster, wonende te …, …,

eiseres

voor wie optreedt Meester F. M., advocaat met kantoor te …, …,

TEGEN

De F.O.D. FINANCIËN, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te OOSTENDE, met kantoren gevestigd te 8400 OOSTENDE: Vrijhavenstraat 1, 1e verdieping,

verweerder

voor wie is opgetreden Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

1. in de zaak met AR. nr. 02/201/A

Gelet op het fiscaal verzoekschrift d.d. 25 januari 2002.

2. in de zaak met A.R. nr. 07/2528/A

Gelet op het proces-verbaal van vrijwillige verschijning d.d. 28 juni 2007.

De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 3 maart 2008.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer BE …, voor de activiteit van kapster. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 25 september 2001 werd door J. D., verificateur bij de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, verbonden aan het controlecentrum van Oostende, een controle gestart over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1998 tot en met 1999.

Op 17 november 2001 werden de overtredingen en vaststellingen voor de jaren 1998 en 1999 opgenomen in een próces-verbaal door voormelde ambtenaar. Volgens de administratie heeft eiseres geen bewijskrachtige boekhouding. Om deze reden wordt de omzet bepaald op basis van het forfait van de kappers. Hierbij wordt rekening gehouden met kortingen toegestaan en gratis producten geleverd door NV F., groothandelaar in benodigdheden voor kappers. Deze kortingen en gratis producten zijn niet terug te vinden in de boekhouding van eiseres maar blijken uit een controle bij NV F.. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is als BTW … EUR, als geldboete … EUR en intresten vanaf 21 juli 2000 op … EUR. Als bijlage bij het proces-verbaal is gevoegd het proces-verbaal d.d. 25 oktober 2001 betreffende de controle bij NV F. met de vermelding van de kortingen en gratis producten ten voordele van eiseres.

Op 28 november 2001 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Oostende een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 3 december 2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door Geert Huyghebaert, e.a. inspecteur a.i., aangewezen door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge. Dit dwangbevel werd op 5 december 2001 aangetekend verzonden aan eiseres en op 17 januari 2002 betekend aan eiseres.

Tegen het dwangbevel werd op 25 januari 2002 verzet aangetekend door eiseres.

2. Eiseres vraagt dat :

- de zaken met AR nrs. 021201A en 07/2528/A worden samengevoegd;

- het dwangbevel wordt teniet gedaan en voor recht wordt gezegd dat er geen reden is voor een omzetverhoging of een boete in hoofde van eiseres;

- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. … EUR;

- ondergeschikt en voor zover als nodig verweerder of de Procureur wordt bevolen of verzocht het strafbundel lastens NV F. neer te leggen.

3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. … EUR.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de samenvoeging

De partijen zijn dezelfde en de betwisting is gelijklopend. De zaken zijn samenhangend in de zin van artikel 30 Ger. W. en worden dan ook gevoegd.

B. Betreffende de toelaatbaarheid

1.AR nr. 02/201/A

1.1. De rechtbank stelt vast dat huidige vordering tegen de belastingadministratie werd ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak d.d. 25 januari 2002.

1.2. Artikel 89, 2° lid WBTW, in voege voor de wetten van 15 en 23 maart 1999 m.b.t. de beslechting en de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalde dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit bij een door de belastingschuldige gedaan en met reden omkleed verzet met dagvaarding.

1.3. Artikel 59 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (in werking getreden op 6 april 1999) bepaalt dat artikel 89, 2° lid WBTW wordt vervangen door de volgende bepaling : “de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte “.

Met betrekking tot de inwerkingtreding van de procedureregels stelt artikel 97 derde lid van voormelde wet van 15 maart 1999 dat voormeld artikel 59 van toepassing is op de belastingen, intresten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.

1.4. De wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (in werking getreden op 6 april 1999) stelt in artikel 9 het volgende: "in boek IV van het vierde deel van hetzelfde wetboek wordt een hoofdstuk XXIV met de artikelen 1385decies en 1385undecies ingevoegd, luidend als volgt : Hoofdstuk XXIV - geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Artikel 1385decies - Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak".

In voormelde wet van 23 maart 1999 wordt de overgangsbepaling van artikel 97 van de wet van 15 maart 1999 niet afgeschaft.

1.5. Het is duidelijk dat het gemeen fiscaal gerechtelijk recht (artikel 1385decies en artikel 1385undecies van het gerechtelijk wetboek, zoals ingevoerd door de wet van 23 maart 1999) maar van toepassing is in zoverre er hierop geen uitzonderingen zijn voorzien in het bijzonder fiscaal procesrecht.

In casu is het duidelijk dat artikel 89,tweede lid W.BTW en de artikelen 59 en 97 derde lid van de wet van 15 maart 1999 uitzonderingsbepalingen vormen op het gemeen fiscaal gerechtelijk recht (artikel 1385decies en undecies ger.w.)

1.6. Gelet op het voorgaande dient besloten te worden dat de nieuwe regels met betrekking tot de wijze waarop het fiscaal geding wordt ingeleid (verzoekschrift in plaats van dagvaarding) slechts van toepassing zijn op de geschillen inzake BTW die betrekking hebben op vorderingen of teruggaven waarvan de oorzaak van opeisbaarheid of teruggave zich vanaf 1 januari 1999 heeft voorgedaan.

De twaalfde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent kwam in haar vonnis d.d. 9 november 2000 in zaak C. C. vs. BELGISCHE STAAT tot dezelfde conclusie.

1.7. Uit de door verweerder voorgelegde stukken blijkt dat de oorzaak van opeisbaarheid van de hier betwist sommen zich heeft voorgedaan in de periode van 1 januari 1998 tot 31 december 1999, zodat het verzet ten onrechte werd ingeleid bij verzoekschrift. De wet voorziet in onderhavig geval dat de gedinginleiding dient te geschieden bij dagvaarding.

Aangezien voormelde regels met betrekking tot de rechtsingang ressorteren onder de rechterlijke organisatie, houdt de miskenning ervan zonder meer de ontoelaatbaarheid van de vordering in (Cass. 27 mei 1994, R.W 1994-95, p. 1017).

2. AR nr. 07/2528/A

2.1. Partijen zijn vrijwillig verschenen op de zitting d.d. 4 september 2007 van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge.

2.2. Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

C. Betreffende de grond

1. mededeling van het dossier door verweerder en schending van de rechten van verdediging

1.1. Eiseres vraagt de voorlegging van het fiscaal onderzoek tegen NV F.. Verweerder steunt zich op artikel 93bis W.BTW en op artikel 6 § 2, 2 van de Wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur om dit verzoek te weigeren.

1.2. Uit de stukken blijkt dat de raadsman van eiseres op 12 december 2001 inzage heeft genomen in het volledige controledossier BTW en het volledige controledossier directe belastingen (zie stuk 5 van verweerder). Volgens verweerder zijn alle documenten die betrekking hadden op eiseres ter inzage voorgelegd. Eiseres betwist ook niet dat alle documenten die tegen eiseres werden ingeroepen effectief werden voorgelegd.

Uit het proces-verbaal d.d. 25 oktober 2001 blijkt dat NV F. bestanden heeft gemaakt voor de jaren 1997, 1998 en 1999 met voor alle klanten, waaronder eiseres, de ontvangen kortingen en de gratis producten. Van deze bestanden werd door NV F. een afdruk onder de vorm van een listing. In zoverre de listings melding maken van eiseres werd een uittreksel gevoegd bij het proces-verbaal d.d. 25 oktober 2001. De gegevens van andere klanten dan eiseres werden weggelaten.

1.3. Ten onrechte stelt eiseres dat het volledige fiscaal onderzoek tegen NV F. zou moeten worden voorgelegd. Het volstaat dat de stukken (of voor eensluidend verklaarde afschriften ervan) welke betrekking hebben op de belastingplichtige zelf overgelegd worden. Uit niets blijkt dat verweerder nog stukken zou bezitten die nodig zijn voor het beoordelen van huidig geschil. Verweerder verplichten het volledige fiscaal dossier van NV F. met gegevens van alle klanten zou een schending uitmaken van artikel 93bis W.BTW en artikel 6 § 2, 2° van de Wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur.

Indien eiseres van mening is dat er bij haar leverancier NV F. stukken bevinden die op haar betrekking hebben en die mogelijk aantonen dat eiseres geen kortingen en gratis producten ontvangen heeft, dan is het eiseres perfect mogelijk zich rechtstreeks te wenden tot haar leverancier.

1.4. De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder alle stukken die nodig zijn en die hij moest neerleggen voor het beoordelen van het geschil heeft neergelegd. De rechten van verdediging van eiseres zijn dan ook geenszins geschonden.

2. bewijskracht van het proces-verbaal

2.1. Artikel 59 § 1 laatste alinea W.BTW bepaalt dat het proces-verbaal opgesteld door de bevoegde ambtenaar bewijskrachtig is tot het bewijs van het tegendeel. Deze bewijskracht is beperkt tot de materiële vaststellingen door deze ambtenaar gedaan in vervulling van zijn opdracht en strekt zich niet uit tot de deducties die de ambtenaar uit zijn vaststellingen doet.

2.2. Door de bevoegde ambtenaar werd in het proces-verbaal van 25 oktober 2001 vastgesteld dat :

- NV F. heeft als activiteit de groothandel in producten voor kapsalons;

- NV F. verleent kortingen en verstrekt gratis producten aan klanten;

- deze kortingen en gratis producten worden niet vermeld op de facturen bestemd voor de kapsalons;

- NV F. heeft bestanden waaruit blijkt hoeveel kortingen en gratis producten er worden verleend per klant;

- eiseres is in de bestanden opgenomen voor de jaren 1998 en 1999 met vermelding van de verleende kortingen en gratis producten;

- NV F. heeft bestanden waaruit per factuur een detail van de kortingen en gratis producten blijkt;

- de producten zijn bestemd voor verwerking, met uitsluiting van producten voor doorverkoop.

Door de bevoegde ambtenaar werd ·in het proces-verbaal van 17 november 2001 vastgesteld dat :

- eiseres op de hoogte is van het systeem van kortingen en gratis producten bij NV F., maar ontkent gratis producten of kortingen te hebben ontvangen;

- uit de boekhouding van eiseres blijkt nergens dat zij gratis producten of kortingen heeft ontvangen;

- het dagontvangstenboek van eiseres is niet gedetailleerd, er wordt telkens per dag een totaalbedrag ingeschreven;

- de contante ontvangsten worden niet gestaafd door verantwoordingsstukken;

- er is geen enkel detail (zelfs geen dagtotaal) met betrekking tot de dagontvangsten beschikbaar;

- de afgesloten afspraakboeken worden niet bijgehouden;

- in de aangegeven ontvangsten zijn de gratis producten of kortingen niet verwerkt;

- eiseres oefent de activiteit van kapster uit in bijberoep en is gestart op 1 juli 1998.

2.3. Al deze materiële vaststellingen gelden tot het bewijs van het tegendeel.

Er moet derhalve worden aangenomen dat in de bestanden van NV F. voorkomt dat eiseres kortingen en gratis producten verkregen heeft. Of deze bestanden ook juist zijn kan niet worden afgeleid uit het feit dat ze werden opgenomen in een proces-verbaal. De ambtenaar kan aan de bestanden van de leverancier geen bijzondere bewijskracht verlenen door ze op te nemen in een proces-verbaal. De gegevens betreffende de kortingen en gratis producten aan eiseres vormen ten overstaan van eiseres derhalve enkel een vermoeden.

Eiseres betwist gratis producten en kortingen te hebben verkregen van NV F. en heeft een strafrechtelijke klacht neergelegd tegen NV F.. Deze klacht werd zonder gevolg geklasseerd.

3. bewijskrachtige boekhouding

3.1. Volgens eiseres is haar boekhouding wel bewijskrachtig rekening houdend met de omvang van haar activiteiten en levert verweerder niet het bewijs dat de boekhouding niet bewijskrachtig is.

3.2. Artikel 14 § 1 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 bepaalt het volgende : "De belastingplichtigen moeten een aan de omvang van hun activiteiten aangepaste boekhouding voeren om de belasting over de toegevoegde waarde te kunnen toepassen en controleren".

Artikel 15 § 2 van datzelfde KB stelt dat de inschrijvingen met betrekking tot de boekhouding moeten gesteund zijn op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan, naargelang het geval, een origineel exemplaar of een dubbel dient te worden bewaard.

Voor iedere boeking in de boekhouding moet dus een verantwoordingsstuk bestaan. De wetgever laat de belastingplichtige echter vrij in het bepalen van de vorm en soort van de verantwoordingsstukken en laat haar zelf bepalen hoe zij de stukken aan haar beroepsactiviteit zal aanpassen.

Het Hof van Cassatie heeft in haar arrest van 19 april 1990 (F.J.F., 901133) gesteld dat het Hof van Beroep op rechtsgeldige wijze heeft kunnen besluiten dat de boekhouding van een belastingplichtige kapper niet bewijskrachtig was omdat de individuele fiches die op naam van elke cliënt werden gehouden, vernietigd werden naargelang hun inschrijvingen in het ontvangstenboek en omdat het kasboek, dat het enig boekhoudkundig document uitmaakte, slechts het globale bedrag van de dagelijkse ontvangst vermeldde, zonder dat het minste bewijskrachtige gegeven aanwezig was m.b.t. de aard en de belangrijkheid van de geleverde dienst.

De boekhouding moet derhalve een geheel vormen van samenhangende, nauwkeurige en controleerbare gegevens. De boekhouding die niet de nodige verantwoordingsstukken bevat om een precieze, objectieve en controleerbare boekhouding te zijn, heeft zodoende ook geen enkele bewijskracht.

3.3. M.b.t. de boekhouding van eiseres is vastgesteld dat in het dagontvangstenboek per dag een totaalbedrag is vermeld zonder detail en de contante ontvangsten niet zijn gestaafd door verantwoordingsstukken. De afsprakenboeken worden niet bijgehouden.

Het mag wel toegelaten zijn om de boekhouding aan te passen aan de omvang van de activiteit maar de boekhouding moet wel controleerbaar blijven. De omvang van haar activiteit ontslaat eiseres niet van de verplichting om verantwoordingsstukken bij te houden. Gezien eiseres geen enkel stavingsstuk of detail kan voorleggen van de door haar gedane boekingen in het dagontvangstenboek, kan de rechtbank alleen maar besluiten dat de boekhouding van eiseres niet bewijskrachtig is.

4. omzetberekening

4.1. Gezien het gebrek aan bewijskracht van de boekhouding van eiseres, heeft de administratie aan de hand van het forfait voor kappers de omzet van eiseres herberekend voor de jaren 1998 en 1999. Conform de forfaitaire regeling heeft de administratie de berekening gemaakt op basis van de aankopen, rekening houdende met de kortingen en gratis producten die eiseres volgens de administratie verkregen heeft van NV F.. Volgens eiseres heeft verweerder hier gebruik gemaakt van een opeenstapeling van vermoedens, wat verboden is.

4.2. Uit het proces-verbaal van 17 november 2001 blijkt dat verweerder zich steunt op de artikelen 59 en 64 § 1 W.BTW.

Artikel 64 § 1 W.BTW vestigt een wettelijk vermoeden in de zin van de artikelen 1349 tot 1352 B.W. In het algemeen en dus ook voor wettelijke vermoedens, stelt artikel 1349 B.W.: "Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit”. Dat brengt mee dat een opeenstapeling van vermoedens geen deugdelijk bewijs oplevert.

4.3. Bekende feiten zijn dat er een fraudecircuit bestond in hoofde van NV F. waarbij kortingen en gratis producten niet werden vermeld op de facturen, dat eiseres klant was bij NV F. en dat de boekhouding van eiseres niet bewijskrachtig is.

Een ander bekend feit is dat eiseres voorkomt in de bestanden van NV F. met vermelding van kortingen en gratis producten voor verwerking aan haar toegekend. De juistheid van dit bestand is slechts een vermoeden t.o.v. eiseres (zie hoger onder punt 2).

De rechtbank vindt het opmerkelijk dat eiseres op 17 december 2004 verklaard heeft aan de verbalisanten dat zij in de periode van 1 juli 1998 tot 30 december 2002 nooit iets besteld heeft bij NV F. (lndola) en alleen op 1 juli 1998 een startpakket gekregen heeft van NV F. (zie stuk 25 van eiseres), terwijl uit de boekhoudstukken blijkt dat eiseres in 1998 en 1999 wel degelijk producten heeft aangekocht bij NV F. (zie stuk 4 van eiseres). Eiseres kan dan ook niet ernstig betwisten dat zij klant was bij NV F..

4.4. leder gekend feit mag als grondslag dienen van een feitelijk vermoeden. Dit is ondermeer het geval voor een geschrift dat niet ondertekend is of eenzijdig is opgesteld en betwiste documenten (Cass. 25 maart 1982, F.J.F., 1982, 229).

Uit de bekende feiten of elementen dient het onbekend feit te worden afgeleid. Die redenering moet logisch zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de gegevens betreffende eiseres op bestanden aangetroffen bij NV F., gecombineerd met de andere gegevens en elementen, een geldig vermoeden vormen om te besluiten dat eiseres de vermelde kortingen en gratis producten ontvangen heeft.

Uit niets blijkt dat de gratis producten mogelijk voor privé-gebruik hebben gediend. De facturen van water- en elektriciteitsverbruik bewijzen geenszins dat eiseres de kortingen of gratis producten niet ontvangen heeft.

4.5. De administratie heeft zodoende op een wijze die voldoet aan artikel 59 § 1 W.BTW bewezen dat de kortingen en gratis producten effectief door eiseres werden ontvangen. De administratie kon zich vervolgens steunen op artikel 64 § 1 W.BTW om aan te tonen dat deze kortingen en leveringen aanleiding hebben gegeven tot een additionele omzet. Bijgevolg was de administratie ertoe gerechtigd op grond van artikel 59 § 1 en 64 § 1 W.BTW de belaste omzet exclusief BTW te berekenen.

De rechtbank is verder van oordeel dat het bedrag van de verschuldigde BTW en van de boete correct is berekend. Terecht werd toepassing gemaakt van de forfaitaire regeling voor kappers en dit op basis van de aankopen rekeninghoudend met de ontvangen kortingen en gratis producten.

D. Betreffende de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.

Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt … EUR, zoals gevorderd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Voegt de zaken met AR nrs. 02/201/A en 07/2528/A samen.

Verklaart de eis onder AR nr. 02/201/A ontoelaatbaar.

Verklaart de eis onder AR nr. 07/2528/A toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde begroot op … EUR en aan de zijde van verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag éénendertig maart tweeduizend en acht.

Aanwezig zijn :

D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N.L. L. D. P.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 1 art. 141 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8