Bewijs, controlemaatregel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 26 februari 2007

Zoeken

Bewijs, controlemaatregelBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-rechtbank-brugge-2007-02-26-82f9

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
26 februari 2007

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

43 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 26.02.2007

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 06/3880/A Rep. nr. 2007/2965

de heer V. M., (Ondernemingsnr. …, doch opgeheven op 22.09.2006), wonende te …, …,

eiser,

die niet is verschenen noch iemand voor hem

tegen :

De FOD FINANCIËN, Belastingen en Invordering, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW van het BTW-controlekantoor van Brugge, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verweerder,

voor wie optreedt Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie op 28.12.2006.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging.

Verweerder werd gehoord in zijn middelen bij monde van zijn raadsman in de openbare terechtzitting van 29.01.2007. Hij vorderde verstek tegen de niet-verschijnende eiser.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiser was ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, ingevolge de door hem opgegeven hoofdactiviteit van zelfstandig werkend sportbeoefenaar en nevenactiviteit als handelaar in kleding en kledingtoebehoren. Hij was derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 22.09.2006 heeft hij deze activiteiten als handelaar stopgezet.

Een vraag om inlichtingen werd verstuurd door de BTW-administratie op grond van artikel 62, § 1 van het BTW-wetboek.

Op 30.05.2006 heeft eiser zich aangemeld op het belastingskantoor en kreeg hij tot uiterlijk 1 september 2006 de tijd om de volledige boekhouding binnen te brengen. Doordat eiser dit naliet werd op 18 september 2006, door K. S., e.a. inspecteur a.i. een proces-verbaal opgesteld waarin de begane overtredingen werden vastgesteld en waarbij eiser bestraft wordt tot het betalen van een geldboete ten bedrage van … €.

2.2. Eiser vraagt de opgelegde boete van de fiscale administratie kwijt te schelden, in ondergeschikte orde te herleiden tot een minimum.

2.3. Verweerder heeft bij beslissing van 11.01.2007 de boete herleid tot een principieel bedrag van … € krachtens art. 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kan leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

In casu stelt de rechtbank vast dat verweerder ingegaan is op de vraag van eiser, nl. de herleiding van de boete tot een principieel bedrag van … €. De vordering van eiser is dan ook gegrond.

3.3. nopens de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld en overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en bij verstek ten aanzien van eiser.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond.

Herleidt de boete tot het principieel bedrag van … EUR.

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van eiser begroot op … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag zesentwintig februari tweeduizend en zeven.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. N. H.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 621 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8