Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 12.12.2003 (C.02.0130.F)
Belastingschuldige – Belastingplichtige - Verhuur van onroerende goederen - Economische activiteit
Wettelijke bepalingen
Artt. 2, 1° lid, 4, § 1, 9, 2° lid, 2°, 18, ,§ 1er, 2° lid, 4°, 19, § 2, 1° lid, 1°, 32, 2° lid, 33, 3°, en 44, ,§ 3, 2°, W.BTW
Samenvatting
Het arrest dat beslist dat degene die een gebouwencomplex heeft opgetrokken dat hij wil verhuren niet aan B.T.W. onderworpen is omdat de verhuur van onroerende goederen met het oog waarop hij diensten heeft geleverd op zich, ingevolge art. 44, ,§ 3, 2°, W.B.T.W., van de belasting is vrijgesteld, verwart de hoedanigheid van degene die aan de B.T.W. onderworpen is met degene die B.T.W. verschuldigd is.
Degene die het gebouwencomplex dat hij heeft laten optrekken, wil exploiteren en die investering wil laten opbrengen door geregeld en regelmatig huur te innen, oefent een economische activiteit uit.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie
dd. 12.12.2003
(C.02.0130.F)
BELGISCHE STAAT, minister van Financiën, Mr. François Kindt, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
P. C., Mr. J.K. , advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 8 november 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Luik.
II. Rechtspleging voor het Hof
Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.
III. Middel
(…)
IV. Beslissing van het Hof
Wat het tweede onderdeel betreft
Overwegende dat artikel 4, ,§ 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt dat belastingplichtige eenieder is die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of van diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend ;
Overwegende dat ingevolge artikel 4, 2, van de zesde richtlijn 77/388/EG van de Raad van 17 mei 1977, betreffende de harmonisatie van de wetgeving der Lidstaten inzake omzetbelasting Gemeenschappelijk stelstel van belasting over de toegevoegde waarde, als economische activiteit onder andere wordt beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen ;
Dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij het arrest C-230/94 van 26 september 1996 beslist heeft dat de verhuring van een lichamelijke zaak een exploitatie van die zaak vormt die wordt aangemerkt als economische activiteit in de zin van artikel 4, ,§ 2, van de zesde richtlijn, aangezien zij wordt uitgeoefend om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen ;
Overwegende dat het bestreden arrest, met verwijzing naar de redenen van de eerste rechter, vaststelt dat verweerder "eigenaar is van percelen in Petit-Rechain en zelf en in het raam van het beheer van zijn privé-vermogen, beslist heeft die percelen te gelde te maken door er eengezinswoningen en flatgebouwen op te trekken om ze te verhuren" en dat hij zelf bouwwerken heeft uitgevoerd met betrekking waartoe de administratie van hem B.T.W. vordert ;
Dat het aanneemt dat de verweerder die goederen "geregeld en zelfstandig" te huur aanbood ;
Dat het aldus oordeelt dat verweerder het gebouwencomplex dat hij heeft laten optrekken, wil exploiteren en die investering wil laten opbrengen door geregeld en regelmatig huur te innen ;
Dat het door evenwel te beslissen dat verweerder, door aldus te handelen, geen economische activiteit uitoefent, artikel 4 van het Wetboek op de belasting over de toegevoegde waarde schendt ;
Dat, in zoverre, het middel gegrond is ;
Wat het eerste onderdeel betreft
Over de door verweerder tegen dat onderdeel ingestelde grond van niet&§64979;ontvankelijkheid: het onderdeel vertoont geen belang:
Overwegende dat uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat de reden dat verweerder geen economische activiteit uitoefent het arrest niet naar recht verantwoordt ;
Dat de grond van niet&§64979;ontvankelijkheid niet aangenomen kan worden ;
Overwegende dat artikel 19, ,§ 2, eerste lid, 1°, van het Wetboek op de belasting over de toegevoegde waarde de uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat voor de doeleinden van zijn economische activiteit gelijkstelt met een dienst verricht onder bezwarende titel ;
Dat artikel 44, ,§ 3, 2°, van dat wetboek de verhuur van uit hun aard onroerende goederen van de belasting vrijstelt ;
Overwegende dat het bestreden arrest, dat beslist dat verweerder geen belastingplichtige is op grond dat de verhuur van onroerende goederen met het oog waarop hij diensten heeft verricht, op zich, ingevolge voornoemd artikel 44 van de belasting is vrijgesteld, de hoedanigheid verwart van degene die aan de B.T.W.
onderworpen is met degene die B.T.W. verschuldigd is, de in het middel aangewezen bepalingen van het Wetboek op de belasting over de toegevoegde waarde schendt ;
Dat het onderdeel gegrond is ;
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN
HET HOF,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart ;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter …
Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter …
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
4Rechtspraak
1België
1Hof van beroep te Luik17.01.2018