Belastingplichtige, btw-controle, dwangbevel, afgifte ter post van dwangbevel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brussel 23 oktober 2018

Zoeken

Belastingplichtige, btw-controle, dwangbevel, afgifte ter post van dwangbevel

https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplichtige-btw-controle-dwangbevel-afgifte-rechtbank-brussel-2018-10-23-65da

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brussel
Datum
23 oktober 2018

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
ongunstig voor de Belgische Staat

Tekst

154 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 23.10.2018

WF 712-15-17/000888

[Ongunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde - Belastingplichtige - btw-controle - dwangbevel - afgifte ter post van dwangbevel - valse facturen - verlenging verjaringstermijn - voorafgaande kennisgeving van vermoedens van fraude

Wettelijke bepalingen

Art. 45, § 1 WBTW; Art. 81bis, § 1, tweede lid, 3° en 4° WBTW, art. 84ter en 85, § 1 WBTW

Art. 3, § 1, van het Koninklijk Besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

Samenvatting

1.Feiten en voorgaande procedure

Eiseres is een belastingplichtige uit de telecommunicatie en multimediasector. Na controle van de boekhouding werd vastgesteld dat van een bepaalde leverancier de echtheid van de facturen niet bewezen kon worden. Dat bleek ook na controle bij de leverancier zelf. De inbreuken voor de periode 2008 tot en met 2011 werden opgenomen in een proces-verbaal van 28 oktober 2015. De daaropvolgende kennisgeving van dwangbevel is echter niet toegekomen door een fout van de post. Het dwangbevel werd op 18 oktober 2016 nogmaals met uitvoerend beslag betekend aan eiseres. Eiseres vordert voor de rechtbank, de terugbetaling van de volgens haar ten onrechte betaalde bedragen.

2.Procedure voor de rechtbank van eerste aanleg

De administratie stelde dat het ontvangen van het dwangbevel niet relevant is, daar art. 85, §1, tweede lid WBTW enkel de afgifte ter post vereist als kennisgeving. Dat de post de zending verloren liet gaan, doet geen afbreuk aan het feit dat er een regelmatige betekening is.

De rechter stelt vast dat in het proces-verbaal aangehaald werd dat de uitbreiding van de verjaringstermijn gebaseerd was op het vermoeden van belastingontduiking (art. 81bis, § 1, 4° WBTW) en dat er kennelijk op 04/08/2015 een voorafgaande kennisgeving werd gedaan van deze uitbreiding van de verjaringstermijn. Thans betwist de administratie klaarblijkelijk niet dat een dergelijke kennisgeving nooit werd gedaan en hiervan ook geen bewijs voorligt.

Plots veranderde de administratie het geweer van schouder en stelde, compleet in strijd met het proces-verbaal, dat de verlengde verjaringstermijn gebaseerd is op art. 81bis, § 1, 3° WBTW (nieuwe bewijskrachtige gegevens). Hiervoor is geen voorafgaande kennisgeving nodig.

Er dient evenwel vastgesteld te worden dat het bijkomende stuk dat de administratie bijbrengt op geen enkel moment ook maar de minste verwijzing maakt naar eiseres. Er ligt dus geen enkel stuk voor dat er sprake was van kennisname van nieuwe gegevens die betrekking hadden op eiseres. Verweerder bewijst dus niet dat er sprake is van een regelmatige verlenging van de verjaringstermijn.

Bovendien werd de leverancier voor de rechtbank van Leuven vrijgesproken van de tenlasteleggingen die betrekking hadden op aan eiseres uitgeschreven facturen.

Bijgevolg is de btw-vordering hoe dan ook, zelfs indien er sprake zou zijn van een regelmatige betekening van het dwangbevel, verjaard bij gebrek aan bewijs door de administratie van een regelmatige verlenging van de verjaringstermijn.

De rechter veroordeelt de administratie tot terugbetaling van de desgevallend ten onrechte geïnde

bedragen, meer de wettelijke interesten.

Tussenvonnis - Eindvonnis

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

EINDVONNIS na heropening der debatten

Vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 8ste Kamer d.d. 23.10.2018

Rol: 2017/66/A

Federale belastingen - BTW

op tegenspraak

Eindvonnis na heropening der debatten

In zake van:

De Comm.V. S., met maatschappelijke zetel te … en met KSO-nummer 0889…., Eisende partij, Vertegenwoordigd door mr … , in eigen naam en loco mrs … en … , advocaten te …

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, F.O.D. Financiën, in persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12 voor wie optreedt de adviseur, dhr. … , met kantoor te … , Verwerende partij, Voor wie verschijnt de heer … , adviseur

In deze z aak, in beraad genomen op 25/09/2018, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:

Gelet op:

•het exploot van dagvaarding houdende verzet, betekend aan verweerder op 24/11/2016;

•de beschikking overeenkomstig artikel 747 Ger.W. van 07/04/2017;

•de conclusies en de synthesebesluiten voor verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 28/03/2017 en 30/01/2018;

•de conclusie en de synthesecondusie voor eiseres, neergelegd ter griffie op respectievelijk 29/06/2017 (per fax, in origineel op 30/06/2017) en 01/02/2018 (per fax en in origineel);

•het tussenvonnis houdende heropening der debatten van de 35ste kamer van deze rechtbank van 24/04/2018;

•de besluiten voor verweerder, neergelegd ter griffie op 13/06/2018;

•de conclusie voor eiseres, neergelegd ter griffie op 17/07/2018;

•de stukken van eiseres, zoals neergelegd ter zitting op 21/03/2018 en ter griffie op 17/07/2018;en

•de stukken van verweerder, zoals gehecht aan zijn conclusies.

Gehoord de advocaat van eiseres en de vertegenwoordiger van verweerder in de openbare terechtzitting van 25/09/2018, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1.FEITEN

1.De voor huidig geding relevante feiten kunnen als volgt samengevat worden.

Eiseres is actief op het vlak van dienstverlening in de telecommunicatie en multimediasector.

Op 28/10/2015 werd een proces-verbaal opgesteld over de jaren 2008 tot 2011. Uit de vaststellingen bleken er een aantal aankoopfacturen uitgaande van de firma !-Services (zie oplijsting en bespreking op p. 2-10) voorhanden te zijn die cash werden betaald. Het voorwerp van de facturen was rudimentair omschreven en er kon geen onderliggende overeenkomst voorgelegd worden. De echtheid hiervan zou niet zeker zijn. Ook bij een controle bij !-Services kon de echtheid van deze facturen niet nagegaan worden. De facturen zijn dus niet in overeenstemming met het K.B. nr. 1. Aldus werd vastgesteld dat nog verschuldigd was:

•BTW:€ 20.964,30;

•Administratieve geldboete:€ 41.920,00;

•Interesten op de BTW vanaf 21/01/2012.

Voor deze bedragen werd op 21/12/2015 een dwangbevel opgesteld met referentie 500/1567/41262, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 22/12/2015.

Op 22/12/2016 werd hiervan bij aangetekende brief kennisgeving gedaan aan eiseres.

Deze zending werd effectief afgegeven aan de postdiensten, doch werd door de post verloren gedaan bij de sorteringte Brussel X op 23/12/2015. Deze zending heefteiseres dus nooit bereikt.

Eiseres kreeg slechts kennis hiervan in het kader van een uitvoerend derdenbeslag aan eiseres betekend op 14/09/2016. Op 26/10/2016 werd de aanzegging aan eiseres betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot.

ll.VOORWERP VAN DE VORDERING

2.De vordering van eiseres strekt er toe te zeggen dat het dwangbevel 'on-rechtsgeldig' is en de onderliggende BTW-schuld verjaard is. Zij vordert de terugbetaling van de ten onrechte geïnde bedragen, meer interesten. Zij vorderthet vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren.

Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering van eiseres.

III.BEOORDELING

De ontvankelijkheid

3. Bij tussenvonnis van de 35ste kamer (thans is dit de 8ste kamer) van deze rechtbank van 24/04/2018 werd de vordering reeds ontvankelijk verklaard.

Ten gronde

4. 4.1.Eiseres meent dat het dwangbevel van 21/12/2015 haar niet rechtsgeldig ter kennis werd gebracht. De betreffende aangetekende brief ging verloren bij de Post en bereikte haar dus nooit. Ondergeschikt stelt eiseres dat de BTW-schuld hoe dan ook verjaard Is, daar er geen bedrieglijk opzet voorhanden is en dus geen reden om de verjaringstermijn uit te breiden. Dit volgt uit het feit dat de zaakvoerder van 1-Services werd vrijgesproken van valsheid wat betreft de aan eiseres uitgeschreven facturen. Ook was de kennisgeving in toepassing van art. 84ter W.BTW, waarin deze vermoedens van fraude moeten aangehaald worden, onvoldoende/onnauwkeurig gemotiveerd. De onregelmatige facturen in kwestie gingen niet uit van eiseres.

Na tussenvonnis stelteiseres dat van nieuwe bewijskrachtige gegevens evenmin sprake kan zijn.

4.2.Verweerder stelde voor de heropening der debatten dat het niet ontvangen van het dwangbevel niet relevant is, daar art. 85, §1, al. 2 W.BTW enkel de afgifte ter post vereist als kennisgeving. Dat de Post de zending verloren liet gaan, doet geen afbreuk aan het feit dat er een regelmatige betekening is. Na een uiteenzetting (p. 4-9 laatste besluiten} over het feit dat in BTW aangelegenheden geen onderzoek.termijn moet toegepast worden en de kennisgeving van art. 84ter W.BTW niet de onderzoeksdaden moet voorafgaan, stelt verweerder (p. 9) dat het feit dat geen strafbaar feit werd gepleegd niet wegneemt dat er inbreuken zijn op de BTW­ wetgeving (regelmatigheid van de facturen). Volgens verweerder was de kennisgeving van de verjaringstermijn voldoende nauwkeurig.

Na heropening stelde verweerder dat voor de uitbreiding van de verjaringstermijn lastens eiseres gebruik werd gemaakt van art. 81bis, §1, 3° W.BTW (kennisname bewijskrachtige gegevens). Bijgevolg diende ook geen voorafgaande kennisgeving te gebeuren. Deze kennisname zou gebeurd zijn naar aanleiding van een onderzoek in 2012 en 2013 door de 881 (op 12/06/2015 werd door de BBI Hasselt de algemene nota lastens dhr W•••••• op het interne netwerk gezet (bijkomend stuk 1 verweerder)).

5.Inzake de verjaring voorziet artikel 81bis W.BTW:

n§ 1. Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

In afwijking van het eerste lid is er evenwel verjaring na het verstrQken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer:

[...]

3° bewijskracht/ge gegevens, waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn; 4° de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan Is met bedrieg/ijk opzet of met het oogmerk te schaden."

Het proces-verbaal van 28/10/2015 heeft betrekking op facturen uit de jaren 2007 tot en met (begin} 2010. Dit betekent dat op het moment van het opstellen van het proces-verbaal (en dan wordt nog niet gesproken over de betekening van het dwangbevel), de gewone verjaringstermijn inzake BTW verstreken was. Het is dan aan verweerder om het bewijs te leveren dat voldaan is aan de voorwaarden om de verjaringstermijn te verlengen.

6.In het proces-verbaal wordt meermaals (p. 1 voorlaatste alinea, p. 15 bovenaan) aangehaald dat de uitbreiding van de verjaringstermijn gebaseerd was op het vermoeden van belastingontduiking (art. 81bis, §1, al. 2, 4° W.BTW) en dat er op 04/08/2015 een kennisgeving werd gedaan van deze uitbreiding van verjaringstermijn. Ook in de besluiten voor de heropening der debatten concludeert verweerder in deze zin.

Bij tussenvonnis van 24/04/2018 werd vastgesteld dat een dergelijke kennisgeving niet voorlag, hoewel partijen er over concluderen (p. 5, punt 2 van dit vonnis).

Thans betwist verweerder klaarblijkelijk niet {meer) dat nooit een dergelijke kennisgeving werd gedaan en hiervan ook geen bewijs voorligt (ook al staat dit In het proces-verbaal). Plotsklaps wordt het geweer van schouder veranderd en, compleet in strijd met het proces-verbaal, gesteld dat de verlengde verjaringstermijn gebaseerd ls op art. 81bis, §1, al. 2, 3° W.BTW {nieuwe bewijskrachtige gegevens}. Hiervoor is een dergelijke kennisgeving niet nodig.

Er dient evenwel vastgesteld te worden dat het bijkomende stuk dat verweerder thans bijbrengt (nieuw stuk 1) op geen enkel moment ook maar de minste verwijzing maakt naar eiseres. Er ligt dus geen enkel stuk voor dat er sprake was van kennisname van nieuwe gegevens die betrekking hadden op eiseres. Verweerder bewijst dus niet dat er sprake is van een regelmatige verlenging van de verjaringstermijn.

Bovendien en ten overvloede merkt eiseres terecht op dat de heer W•••••• (!-Services) werd vrijgesproken van de tenlasteleggingen die betrekking hadden op {o.m. de ten aanzien van eiseres) uitgeschreven facturen (stuk 11 eiseres, Rb.Leuven 25/10/2016).

Bijgevolg werpt eiseres terecht op dat de BTW-vordering hoe dan ook, zelfs indien er zou sprake zijn van een regelmatige betekening van het dwangbevel, verjaard is bij gebrek aan bewijs door verweerder van een regelmatige verlenging van de verjaringstermijn.

De vordering van eiseres is op deze basis alleen al gegrond en de overige discussiepunten tussen partijen dienen niet verder onderzocht te worden.

De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad wordt niet betwist.

IV.DE KOSTEN

6. De vordering van eiseres is gegrond, zodat verweerder veroordeeld wordt tot de kosten van het geding.

Verweerder vordert het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, zonder dat verweerder een verlaging vraagt. Dit bedrag wordt bijgevolg begroot.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 3, 4, 30, 34, 36, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Het tussenvonnis van 24/04/2018 verder uitwerkende, verklaart de vordering van eiseres als volgt gegrond,

Stelt vast dat de BTW-schuld zoals opgenomen in het proces-verbaal van 28/10/2015 en het dwangbevel van 21/12/2015, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 22/12/2015, met referentie 500/1567/41262, verjaard is,

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van de desgevallend ten onrechte geïnde bedragen, meer de wettelijke interesten,

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder niet verder te begroten en inhoofdevaneiseresbegrootop€ 259,06 (dagvaarding en rolstelling) en€ 3.600,00 (rechtsplegingsvergoeding),

Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het recht tot kantonnement,

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 8ste kamer (voorheen 3Sste kamer) van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 23 oktober 2018.

Waar aanwezig waren en zitting namen:

Ondertekeningen

Door de FOD bijgevoegd stuk


TUSSENVONNIS

Vonnis van de 35ste kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 24 april 2018

Rol: 2017/66/A

Op tegenspraak

Tussenvonnis - ambtshalve heropening der debatten op 25 september 2018

In zake van:

De Comm.V. S. met maatschappelijke zetel te … en met KSO-nummer 0889…., Eisende partij, Vertegenwoordigd door Mr. … , advocaat te … ;

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, F.O.D. Financiën, in persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12 voor wie optreedt de Adviseur dhr. … , met kantoor te … , Verwerende partij, Voor wie verschijnt de heer TANGHE Frank, attaché,

In deze zaak, in beraad genomen op 21/03/2018, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:

Gelet op:

•het exploot van dagvaarding houdende verzet tegen een dwangbevel, betekend op 24/11/2016;

•de beschikking overeenkomstig artikel 747 Ger.W. van 07/04/2017;

•de conclusies en de synthesebesluiten voor verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 28/03/2017 en 30/01/2018;

•de conclusie en de syntheseconclusie . voor eiseres, neergelegd ter griffie op respectievelijk 29/06/2017 (per fax, in origineel op 30/06/2017) en 01/02/2018 (per fax en in origineel);

•de stukken van eiseres, zoals neergelegd ter zitting op 21/03/2018; en

•de stukken van verweerder, zoals gehecht aan zijn conclusies.

Gehoord de advocaat van eiseres en de vertegenwoordiger van verweerder in de openbare terechtzitting van 21/03/2018, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Partijen verklaren ter zitting dat alle conclusies in de debatten kunnen behouden blijven.

1.FEITEN

1.De voor huidig geding relevante feiten kunnen als volgt samengevat worden.

Eiseres is actief op het vlak van dienstverlening in de telecommunicatie en multimediasector.

Op 28/10/2015 werd een proces-verbaal opgesteld (stuk 1 verweerder) over de jaren 2008 tot 2011. Uit de vaststellingen bleken er een aantal aankoopfacturen uitgaande van de firma !­ Services (zie oplijsting en bespreking op p. 2-10) voorhanden te zijn die cash werden betaald. Het voorwerp van de facturen was rudimentair omschreven en er kon geen onderliggende overeenkomst voorgelegd worden. De echtheid hiervan zou niet zeker zijn. Ook bij een controle bij !-Services kon de echtheid van deze facturen niet nagegaan worden. De facturen zijn dus niet in overeenstemming met het K.B. nr. 1. Aldus werd vastgesteld dat nog verschuldigd was:

•BTW:€ 20.964,30;

•Administratieve geldboete:€ 41.920,00;

•Interesten op de BTW vanaf 21/01/2012.

Voor deze bedragen werd op 21/12/2015 een dwangbevel opgesteld met referentie 500/1567/41262, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 22/12/2015 (stuk 2 verweerder; stuk 1 eiseres)

Op 22/12/2016 werd hiervan bij aangetekende brief kennisgeving gedaan aan eiseres (stuk 3 verweerder).

Deze zending werd effectief afgegeven aan de postdiensten, doch werd door de post verloren gedaan bij de sortering te Brussel X op 23/12/2015 (stuk 2 eiseres). Deze zending heeft eiseres dus nooit bereikt.

Eiseres kreeg slechts kennis hiervan in het kader van een uitvoerend derdenbeslag aan eiseres betekend op 14/09/2016 (stuk 3 en 7 eiseres). Op 26/10/2016 werd de aanzegging aan eiseres betekend bij·gerechtsdeurwaardersexploot (stuk 10 eiseres).

ll.VOORWERP VAN DE VORDERING

2.De vordering van eiseres strekt er toe te zeggen dat het dwangbevel 'on-rechtsgeldig' is en de onderliggende BTW-schuld verjaard is. Zij vordert de terugbetaling van de ten onrechte geïnde bedragen, meer interesten. Zij vordert het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren.

Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering van eiseres.

III.BEOORDELING

De ontvankelijkheid

3. Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering niet. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. De vordering is ontvankelijk.

Ten gronde

4. 4.1.Eiseres meent dat het dwangbevel van 21/12/2015 haar niet rechtsgeldig ter kennis werd gebracht. De betreffende aangetekende brief ging verloren bij de Post en bereikte haar dus nooit. Ondergeschikt stelt eiseres dat de BTW-schuld hoe dan ook verjaard is, daar er geen bedrieglijk opzet voorhanden is en dus geen reden om de verjaringstermijn uit te breiden. Dit volgt uit het feit dat de zaakvoerder van 1-Services werd vrijgesproken van valsheid wat betreft de aan eiseres uitgeschreven facturen. Ook was de kennisgeving in toepassing van art. 84ter W.BTW, waarin deze vermoedens van fraude moeten aangehaald worden, onvoldoende/onnauwkeurg gemotiveerd. De onregelmatige facturen in kwestie gingen niet uit van eiseres.

Verweerder stelt dat het niet ontvangen van het dwangbevel niet relevant is, daar art. 85, §1, al. 2 W.BTW enkel de afgifte ter post vereist als kennisgeving. Dat de Post de zending verloren liet gaan, doet geen afbreuk aan het feit dat er een regelmatige betekening is. Na een uiteenzetting (p. 4-9 laatste besluiten) over het feit dat in BTW aangelegenheden geen onderzoektermijn moet toegepast worden en de kennisgeving van art. 84ter W.BTW niet de onderzoeksdaden moet voorafgaan, stelt verweerder (p. 9) dat het feit dat geen strafbaar feit werd gepleegd niet wegneemt dat er inbreuken zijn op de BTW-wetgeving (regelmatigheid van de facturen). Volgens verweerder was de kennisgeving van de verjaringstermijn voldoende nauwkeurig.

4.2.De zaak is op heden niet in staat van wijzen, daar partijen over diverse punten geen of dubbelzinnige standpunten innemen en het administratief dossier onvolledig is.

1.Ten eerste wordt vastgesteld dat het bestreden dwangbevel, met als bijlage het onderliggend proces-verbaal, eiseres (mede) werden betekend bij het deurwaardersexploot tot aanzegging van een uitvoerend beslag onder derden van 26/10/2016 (stuk 10 eiseres). De betreffende stukken waren immers bij dit exploot gevoegd. Partijen dienen standpunt in te nemen omtrent het feit of deze betekening kan gelden als geldige betekening van het dwangbevel, in de hypothese dat de oorspronkelijke kennisgeving bij aangetekende brief van 22/12/2015 niet regelmatig zou zijn.

2.Uit het proces-verbaal van 28/10/2015 blijkt dat eiseres op 04/08/2015 een kennisgeving van uitbreiding van verjaringstermijn op grond van vermoedens van belastingontduiking werd betekend in toepassing van art. 84ter W.BTW. Hoewel partijen over en weer uitgebreid discussiëren over deze kennisgeving en de motivering hiervan, legt geen der partijen dit stuk voor. De rechtbank kan dit dus onmogelijk controleren. Het is aan verweerder om een volledig administratief dossier bij te brengen.

Verweerder dient duidelijk standpunt in te nemen over het feit of deze zich nog beroept op de fraude als grond van uitbreiding van de verjaringstermijn (art. 81bis, §1, al. 2, 4° W.BTW) en welke deze elementen van fraude thans dan wel zijn (met name of het loutere voorhanden zijn van gebrekkige facturen of het voeren van een gebrekkige boekhouding, een bedrieglijk opzet of het oogmerk te schaden bewijzen), dan wel of deze zich beroept op nieuwe stukken (art. 81bis, §1, al. 2, 3° W.BTW). In dat laatste geval dienen partijen standpunt in te nemen omtrent het moment van de kennisname van deze nieuwe stukken door de administratie in het licht van de rechtspraak van het Hof van Cassatie {Cass. 27/04/2012, rolnr. F.11.0069.F).

Om deze redenen wordt de ambtshalve heropening der debatten bevolen en worden thans ook de hierna volgende conclusietermijnen voorzien.

IV.DE KOSTEN

5. De uitspraak over de kosten wordt aangehouden.

OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 3, 4, 30, 34, 36, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch alvorens over de grond uitspraak te doen,

Beveelt ambtshalve de heropening der debatten en stelt hiertoe zitting op dinsdag 25 september 2018 om 14 uur voor 60 min. pleitduur,

Zeggen dat partijen op volgende data conclusies kunnen neerleggen

Conclusies:

Verweerderten laatste op 19 juni 2018

Houdt de uitspraak over de kosten aan,

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 24 april 2018.

Ondertekeningen

De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De tekst is nergens anders gewijzigd.

Aangehaalde teksten

5
WBTW art. 81bis4 voorkomens
WBTW art. 853 voorkomens
KB nr. 3 art. 32 voorkomens
WBTW art. 452 voorkomens
WBTW art. 84ter2 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8