Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 27.02.2013
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 10/4093/A Rep. nr. 2013/2407
de NV V. B., (Ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,
eiseres,
voor wie is opgetreden Meester A. D. loco Meester M. M., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
De FOD FINANCIËN, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van de rekenplichtige van het 1e BTWontvangkantoor te Kortrijk, met kantoren gevestigd te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,
verweerder,
voor wie is opgetreden de heer B. A., fiscaal deskundige bij een fiscaal bestuur,
1. RECHTSPLEGING
Gelet op het fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie de dato 23 december 2010.
De rechtbank nam kennis van het dossier der rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen ter openbare terechtzitting de dato 30 januari 2013.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK
2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTWregistratienummer BE … voor de geregelde activiteit van boomkwekerij, landschapsverzorging en groothandel in bloemen en planten.
Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoerging ervan genomen besluiten.
Op 21 oktober 2009 werd een toezicht uitgevoerd door A. B. fiscaal deskundige bij de algemene administratie van de fiscaliteit, in die hoedanigheid verbonden aan het controlecentrum te Kortrijk bij eiseres over de toepassing van de wetgeving en reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2004 tot 31 december 2006.
Door B. A., voornoemd werd op 6 december 2010 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.
Op 9 december 2010 werd door A.-S. N., waarnemen eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor van Kortrijk een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 14 december 2010 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door M. C., gewestelijk directeur over de belasting over de toegevoegde waarde en op 20 december 2010 op grond van artikel 85, § 1 W.BTW ter kennis gebracht aan eiseres.
Op 23 december 2010 deponeerde eiseres een fiscaal verzoekschrift ter griffie dezer rechtbank.
2.2. Eiseres vraagt dat : de voorziening ontvankelijk en gegrond verklaard wordt, dienvolgens te zeggen voor recht dat het bestreden dwangbevel nietig is en geen enkel rechtsgevolg kan ressorteren, minstens vast te stellen dat het bestaan van de vermeende belastingschuld niet bewezen is, minstens volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof : "Schenden de bepalingen van artikel 51, § 4 W.BTW, gelezen in samenhang met artikel 20 van het Koninklijk Besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, de artikelen 10, 11 en 170 G.W., in zoverre artikel 51, § 4, 1° W.BTW en aldus medecontractant van een leverancier van goederen of van een dienstverrichter tot voldoening van de belasting te verplichten daar waar deze bevoegdheid overeenkomstig het fiscaal legaliteitsbeginsel voorzien in artikel 170 G.W. enkel toekomt aan de federale wetgever ?", de opgelegde sanctie te vernietigen, kwijt te schelden of te verminderen, minstens het uitstel van de opgelegde sanctie uit te spreken, dienvolgens verweerder te veroordelen tot terugbetaling van alle ingevorderde bedragen lastens eiseres meer intresten en verweerder te veroordelen tot de kosten begroot op 5.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding.
2.3. Verweerder vraagt dat: de eis ongegrond verklaard wordt en eiseres veroordeeld wordt tot de gedingkosten.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerster werpt geen middelen op die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden.
Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou dienen op te werpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. nopens de verleggingsregel wegens werken in onroerende staat
a. Eiseres stelt in conclusie dat in zoverre artikel 51, § 4 W.BTW aan de Koning de bevoegdheid verleent om af te wijken van artikel 51, § 1, 1° W.BTW en aldus de medecontractant van een leverancier van goederen of van een dienstverrichter tot voldoening van de belasting verplichten daar waar deze bevoegdheid overeenkomstig het fiscaal legaliteitsbeginsel voorzien in artikel 170 G.W. enkel toekomt aan de federale wetgever mogelijks de bepalingen van artikel 51, § 4 W.BTW gelezen in samenhang met artikel 20 van het Koninklijk Besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW en de artikelen 10, 11 en 170 G.W. schenden en verzocht desaangaande een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijke Hof te stellen.
b. Ter terechtzitting stelt eiseres desaangaande niet langer aan te dringen op het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijke Hof gelet op het arrest van 10 oktober 2012 uitgesproken door het Grondwettelijk Hof waarin omtrent voormelde prejudiciële vraag gestatueerd werd dat de bepalingen van artikel 51, § 4 W.BTW gelezen in samenhang met artikel 20 van het Koninklijk Besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, niet ongrondwettelijk zijn.
c. De rechtbank neemt hiervan akte.
3.2.2. nopens artikel 20 BTW-KB nr. 1
a. Eiseres stelt dat artikel 20 van het BTW-BK nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW in casu geen toepassing vindt, nu er geen sprake is van "werken in onroerende staat".
b. Luidens artikel 20, § 2 BTW-KB nr. 1 wordt bedoeld alle werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2 van het Wetboek.
Artikel 19, § 2, 2°, lid 2 W.BTW luidt : "Voor de toepassing van dit wetboek wordt verstaan onder werk in onroerende staat, het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt."
c. Blijkens de kwestieuze facturen uitgereikt door V. bestaat de economische activiteit in aanleg en onderhoud van tuinen, groenzones, grasvelden, opkuis van gebouwen, alsook handel in diversen.
Het werken aan gronden en het planten en onderhouden van moederplanten ressorteren onder werken in onroerende staat zoals bepaald in artikel 19, § 2 W.BTW (P. Wille, M. Govers, F. Borgez, De factuur en de BTW, uitg. lntersentia 2008, p. 193).
De kwestieuze facturen vallen aldus onder het toepassingsgebied van artikel 20 van het BTW-KB nr. 1 van 29 december 1992.
Het middel mist grondslag.
3.2.3. nopens artikel 5 van het BTW-KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde
a. Eiseres stelt dat de Koning door de aftrek van BTW afhankelijk te maken van de vermeldingen zoals opgenomen in artikel 5 BTW-KB nr. 1 van 29 december 1992 zijn bevoegdheid heeft overschreden.
b. Luidens artikel 49 W.BTW wordt aan de Koning de bevoegdheid verleend om de uitoefening van het recht op aftrek te regelen.
De Koning heeft van die bevoegdheid gebruik gemaakt in het KB nr. 3 van 10 december 1969, waarvan artikel 3, § 1, 1° bepaalt dat om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen men in het bezit moet zijn van een factuur waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, § 1 KB nr. 1 met betrekking tot de regeling voor voldoening van de BTW.
De nationale wetgever mag de uitoefening van het recht op aftrek afhankelijk stellen van het bezig van een factuur met een aantal verplichte vermeldingen die nodig zijn om de inning van de BTW en de controle daarvan door de belastingadministratie te verzekeren (H.v.J. nr. C – 123/87 en 330/87, 14 juli 1988 (Jeune-homme en S.A. EGI) Jur. H.v.J. 1988, I - 4517; Gent 17 november 1997, F.J.F. 1997/293);
Nu luidens artikel 49 W.BTW aan de Koning de bevoegdheid wordt gegeven om de uitoefening van het recht op aftrek te regelen, dient dit begrepen te worden in de zin van de uitvoering mogelijk maken, zijnde de wijze te bepalen waarop de aftrek moet worden uitgeoefend.
Door de aftrek van BTW afhankelijk te maken van de vermeldingen zoals opgenomen in artikel 5 BTW-KB nr. 1 van 29 december 1992 heeft de Koning zijn bevoegdheid niet overschreden.
Het middel mist grondslag.
3.2.4. nopens de kosten
a. Om zijn recht op aftrek van de BTW te kunnen uitoefenen dient de belastingplichtige in het bezig te zijn van een regelmatige factuur die werd opgesteld conform de bepalingen van artikel 5 BTW-KB nr. 1 van 29 december 1992.
Inzake de verplichte vermeldingen op de factuur moeten de uitgereikte factuur en het dubbel op nauwkeurige wijze de nodige vermeldingen bevatten, inzonderheid om te kunnen nagaan of de handelingen werk in onroerende staat zijn of ermee gelijkgesteld worden.
Uit de omschrijving van de aard van de handeling moet duidelijk blijken of het een onroerende handeling betreft dan wel een levering die onderworpen blijft aan het BTW-tarief dat van toepassing is op het goed dat er het voorwerp van uitmaakt.
b. In casu wordt op de kwestieuze facturen als omschrijving van de aard van de handeling louter vermeld : "Geleverde prestaties", soms aangevuld met de woorden "met eigen materieel" en een bijlage met algemene vermeldingen.
Deze gegevens zijn onvoldoende om de handeling te determineren.
De kwestieuze facturen voldoen niet aan de bepalingen van artikel 5 BTW-KB nr. 1 de dato 29 december 1992 zodat het recht op aftrek niet kan uitgeoefend worden.
c. Eiseres stelt dat verweerder geen kwade trouw heeft aangetoond, en zij de verschuldigde BTW zoals vermeld geworden op de facturen steeds betaald heeft.
In casu heeft de administratie geoordeeld, na zorgvuldige controle, dat de betrokken facturen geen wettige titel uitmaken voor het recht op aftrek.
In het proces-verbaal wordt dienaangaande benadrukt dat de gegevens op de kwestieuze facturen die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen ontbreken, de betalingen contant gebeurden of op een andere rekening dan deze op de facturen vermeld wat de werkelijkheid van de prestaties in vraag stelt zodat het bedrieglijk opzet aanwezig was.
Het middel mist grondslag.
3.2.5. nopens de boete
Een boete van 200 % op het verschuldigde BTW-bedrag en voor een totaal bedrag van 65.340,00 euro heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
Nu de betwisting wordt gevoerd op principiële gronden welke niet van meet af aan als ongegrond konden worden aanzien, zijn er geen gronden om een boete op te leggen.
3.3. nopens de kosten
Eiseres wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en dient conform artikel 1017, 1° lid Ger. W de gerechtskosten te dragen.
Nu verweerder niet bijgestaan is door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in zijn hoofde onbestaande.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en gegrond in volgende mate.
Zegt voor recht dat de door verweerder opgelegde boete ten bedrage van 65.340,00 euro ongegrond is.
Beveelt dienvolgens verweerder om over te gaan tot terugbetaling aan eiseres van elk bedrag dat werd geïnd op de vermelde boete te vermeerderen met de verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de inning of inhouding.
Wijst voor het overige de eis af als ongegrond.
Veroordeelt eiseres in de gedingkosten aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste gelegd worden en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 euro.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag zevenentwintig februari tweeduizend en dertien.
Aanwezig zijn :
H. A., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. A. H.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.