Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 23.02.2009
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 07/1511/A Rep. nr. 2009/2540
I., vereniging voor ziekenhuisinformatica (ondernemingsnr. …), die de vorm heeft aangenomen van een openbare instelling en die wordt beheerst door de Organieke Wet van 8 juli 1976, betreffende de OCMW, met zetel te …, …,
eiseres,
voor wie optreedt Meester F. S., advocaat met kantoor te …, …,
tegen :
De FOD FINANCIËN, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van :
- de Gewestelijk Directeur van het Controlecentrum van de AOIF te Brugge, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,
- de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te BRUGGE, met kantoren gevestigd te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder,
voor wie optreedt Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 22 mei 2007.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 12 januari en 26 januari 2009.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eiseres is een vereniging voor ziekenhuisinformatica, opgericht bij akte verleden voor notaris F. B. op 21 februari 1986, door de OCMW's van de gemeenten Aalst, Blankenberge, Brugge, Gent, Kortrijk, Oostende en Ronse.
De vereniging heeft tot doel : “te zorgen voor het beheer, de studie, de organisatie en de bedrijfsvoering van de informatieverwerking als hulpmiddel bij de organisatie van de ziekenhuizen van haar leden, alsook voor die activiteiten van haar leden die omwille van eenvormigheid of bedrijfseconomische redenen samen met de ziekenhuisinformatisering uitgevoerd worden. De vereniging mag alle verrichtingen stellen welke rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op haar doel” (artikel 3 van de oprichtingsakte).
Eiseres heeft een samenwerkingsakkoord gesloten met NV I.-Group op 5 september 2000. De doelstelling is om gezamenlijk, doch op bestelling van eiseres, nieuwe of vernieuwende softwaretoepassingen te ontwikkelen ten behoeve van als lid aangesloten ziekenhuizen. Daarnaast worden ook softwaretoepassingen, die hetzij uitsluitend toebehoren aan eiseres dan wel in onverdeeldheid toebehoren aan eiseres en NV I.-group, gecommercialiseerd voor ziekhuizen die geen lid zijn van eiseres.
Eiseres heeft zich niet laten registreren als BTW-belastingplichtige, aangezien zij van mening is niet als belastingplichtige te kunnen worden beschouwd overeenkomstig artikel 6 W.BTW, of minstens te kunnen genieten van de bij artikel 44, § 2, 1°bis W.BTW voorziene vrijstelling.
Bij een controle op 20 april 2005 stelt de administratie dat de wederzijdse diensten tussen eiseres en NV I.-Group aan BTW moeten worden onderworpen. Daarenboven heeft het verrichten van belastbare handelingen voor niet-leden van eiseres tot gevolg dat de handelingen ten aanzien van de leden van eiseres ook aan BTW moeten worden onderworpen.
Op 13 december 2005 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal. Eiseres is verschuldigd voor de jaren 2002, 2003 en 2004 in totaal 4.122.841,80 EUR als BTW, 824.560,00 EUR als boete, en intresten vanaf 21 januari 2005 op het BTW-bedrag.
Op 15 december 2005 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 19 december 2005 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door W. K., eerstaanwezend inspecteur diensthoofd bij BTW-directie te Brugge, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Brugge.
Een formulier 604 A 'aanvraag tot identificatie voor BTW-doeleinden bij aanvang van een activiteit' wordt door eiseres ingevuld onder alle voorbehoud. Onder alle voorbehoud vraagt eiseres aan de administratie om te worden gemachtigd het integrale bedrag, of minstens een deel ervan, van de door haar gedragen aftrekbare BTW waarvan het recht op aftrek is ontstaan in de jaren 2002, 2003 en 2004, op te nemen in het vak herzieningen van de BTW-aangifte. Onder alle voorbehoud maakt eiseres op 30 november 2006 nieuwe facturen op met BTW betreffende diensten die zij in de jaren 2002, 2003 en 2004 heeft verricht voor NV I.-group. De aldus gefactureerde en betaalde BTW t.b.v. 198.009,84 EUR wordt door eiseres betaald aan verweerder.
Op 20 maart 2007 zijn volgende bedragen nog verschuldigd door eiseres ingevolge het proces-verbaal van 19 december 2005 : 1.767.221,12 EUR als BTW, 824.560,00 EUR als boete en 251.048,74 EUR als intresten.
Op 22 mei 2007 heeft eiseres een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie.
2. Eiseres vraagt dat :
- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- de tenuitvoerlegging van het dwangbevel wordt gestuit;
- voor recht gezegd wordt dat de in het dwangbevel gevorderde sommen, zoals gedeeltelijk weerhouden, niet verschuldigd zijn;
- verweerder veroordeeld wordt tot terugbetaling aan eiseres van de som van 121.042,29 EUR, te vermeerderen met de moratoriumintresten vanaf 18 december 2006;
- ondergeschikt de boete wordt kwijtgescholden, minstens substantieel wordt verminderd, en de intresten worden kwijtgescholden;
- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle sommen die op grond van het dwangbevel zouden zijn geïnd, te verhogen met de moratoriumintresten;
- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 15.000,00 EUR.
3. Verweerder vraagt dat de vordering ongegrond wordt verklaard met uitzondering van de boete en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 15.000,00 EUR.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. artikel 6 W.BTW en artikel 4, lid 5 van de Zesde Richtlijn
1.1. Artikel 6 W.BTW stelt : “De Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten van de Belgische Staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en de openbare instellingen worden niet als belastingplichtige aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen.
De Koning merkt ze evenwel als belastingplichtige aan voor deze werkzaamheden of handelingen voor zover een behandeling als niet-belastingplichtige tot concurrentieverstoring van enige betekenis zou leiden.”.
Artikel 4, lid 5 van de Zesde Richtlijn stelt : “De Staat, de regio's, de gewesten, de provincies, de gemeenten en de andere publiekrechtelijke lichamen worden niet als belastingplichtigen aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen. Wanneer deze lichamen evenwel zodanige werkzaamheden of handelingen verrichten, moeten zij daarvoor als belastingplichtige worden aangemerkt, indien een behandeling als niet-belastingplichtige tot concurrentievervalsing van enige betekenis zou leiden.
Genoemde lichamen worden in elk geval beschouwd als belastingplichtig met name van de in bijlage D genoemde werkzaamheden, voor zover deze niet van onbeduidende omvang zijn.
De Lid-Staten kunnen werkzaamheden van genoemde lichamen die zijn vrijgesteld uit hoofde van de artikelen 13 of 28, beschouwen als werkzaamheden van de overheid.”.
1.2. De vraag die zich stelt is of eiseres kan beschouwd worden als een openbare instelling of een publiekrechtelijk lichaam.
In de BTW-wetgeving is niet opgenomen wat onder openbare instelling dient verstaan te worden. Evenmin is in de Zesde Richtlijn opgenomen wat dient verstaan te worden onder 'ander publiekrechtelijke lichamen'. De beide termen werden, bij wijzigingen aan de betreffende bepalingen, zelf niet gewijzigd.
Er is evenwel geen betwisting dat elk OCMW een openbare instelling of een publiekrechtelijk lichaam is. Evenmin wordt betwist dat een OCMW de mogelijkheid heeft om voor het uitvoeren van één van haar opdrachten een vereniging op te richten (artikel 118 van de Organieke Wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn).
1.3. Een openbare instelling oefent in het algemeen belang de taak van een specifieke openbare dienstverlening uit die haar door de wetgever is toevertrouwd, m.a.w. die is opgericht bij wijze van stichting (wet, decreet, besluit, verordening). Enkel de openbare instelling die bij wijze van stichting werd opgericht valt onder toepassing van artikel 6 W.BTW.
Eiseres is niet opgericht bij wijze van stichting, maar wel bij wijze van vereniging. Het is niet omdat eiseres een opdracht van een OCMW uitvoert, dat zij zelf een openbare instelling wordt.
Uit de memorie van toelichting van het wetsontwerp tot invoering van het wetboek over de BTW (wet van 3 juli 1969) blijkt duidelijk dat het niet de bedoeling was om de publiekrechtelijke verenigingen die bij wijze van vereniging zijn opgericht onder de toepassing van artikel 6 W.BTW te laten vallen (zie stuk 1 van verweerder). Uit niets blijkt dat dit in strijd zou zijn met artikel 4, lid 5 van de Zesde Richtlijn.
1.4. Eiseres is dus geen openbare instelling en valt zodoende niet onder de toepassing van artikel 6 W.BTW.
2. samenwerking tussen eiseres en NV I.-Group
2.1. De samenwerking tussen eiseres en NV I.-Group behelst in hoofdzaak de ontwikkeling van softwaretoepassingen in opdracht van eiseres en ten behoeve van haar leden. Daarnaast worden door NV I.-Group diezelfde toepassingen gecommercialiseerd naar ander ziekenhuizen niet-leden.
2.2. Er is geen betwisting dat het verlenen van toestemming om tegen vergoeding bestaande softwaretoepassingen die exclusief eigendom zijn van eiseres, te commercialiseren, valt onder de toepassing van artikel 18, § 1, tweede lid, 7° W.BTW.
2.3. Wanneer de softwaretoepassingen in onverdeeldheid (elk de helft) eigendom zijn van eiseres en NV I.-group, heeft eiseres het recht verleend aan NV I.-group om haar aandeel in de eigendomsrechten te commercialiseren. Wanneer eiseres dit recht niet zou verleend hebben, kon NV I.-Group de softwaretoepassingen niet commercialiseren. Het verlenen van dergelijke rechten valt eveneens onder het toepassingsgebied van artikel 18, § 1, tweede lid, 7° W.BTW.
3. vrijstelling voorzien in artikel 44, § 2, 1°bis W.BTW
3.1. Artikel 44, § 2, 1°bis W.BTW stelt dat vrijgesteld zijn : "de diensten verleend aan hun leden door zelfstandige groeperingen van personen die een werkzaamheid uitoefenen welke krachtens dit artikel is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn, wanneer die diensten direct nodig zijn voor de uitoefening van die werkzaamheid, deze groeperingen van hun leden enkel terugbetaling vorderen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, en mits deze vrijstelling niet tot concurrentieverstoring kan leiden; de Koning regelt de toepassingsvoorwaarden van deze vrijstelling”.
De toepassingsvoorwaarden zijn opgenomen in het KB nr. 43 van 5 juli 1991.
3.2. Ten onrechte stelt eiseres dat de toepassingsvoorwaarden opgenomen in het KB nr. 43 als niet geschreven moeten gehouden worden gezien de delegatie aan de Koning ongrondwettelijk zou zijn. De artikelen 170, § 1 en 172, tweede lid van de Grondwet gaan niet zover dat de wetgever verplicht zou zijn elk aspect van de belasting of van een vrijstelling zelf te regelen. De machtiging moet wel voldoende nauwkeurig omschreven zijn en betrekking hebben op de ten uitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgelegd (zie ook Grondwettelijk Hof 21 februari 2007, arrest nr. 32/2007). Het KB nr. 43 betreft enkel de uitvoering van de vrijstelling waarvan de essentiële elementen zijn vastgelegd in artikel 44, § 2, 1°bis W.BTW.
3.3. In artikel 2, 1° van het KB nr. 43 is bepaald dat : "de werkzaamheden van de groepering uitsluitend bestaan in het verrichten van diensten rechtstreeks in het belang van de leden zelf en alle leden werkzaamheden uitoefenen welke krachtens artikel 44 van het Wetboek is vrijgesteld of waarvoor ze niet belastingplichtig zijn;".
Eiseres beperkt zich evenwel niet tot het verrichten van diensten rechtstreeks aan haar leden, maar via de samenwerkingsovereenkomst met NV I.-group, verricht zij ook diensten aan niet-leden (namelijk het commercialiseren van haar softwaretoepassingen of in haar opdracht ontwikkelde softwaretoepassingen). Het feit dat door deze commercialisering de totale kostprijs van de softwaretoepassingen wordt geminimaliseerd is geen dienst rechtstreeks in het belang van de leden zelf in de zin van artikel 2, 1° van het KB nr. 43. Het commercialiseren van de softwaretoepassingen is met andere woorden geen dienst direct nodig voor de uitoefening van de werkzaamheid van de leden, zoals vereist in artikel 44, § 2, 1°bis W.BTW.
3.4. De voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling voorzien in artikel 44, § 2, 1°bis W.BTW zijn dan ook niet vervuld en eiseres is voor al de diensten door haar verricht aan leden en een niet-leden BTW verschuldigd.
4. boete
4.1. Een boete van 20 % op het verschuldigde BTW-bedrag en voor een totaal bedrag van 824.560,00 EUR heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
4.2. Nu de betwisting wordt gevoerd op principiële gronden welke niet van meet af aan als ongegrond konden worden aanzien, zijn er geen gronden om een boete op te leggen.
5. intresten
5.1. De wettelijke intresten zijn een normale vergoeding voor het gebruik van geld dat aan de schuldeiser van de hoofdsom al had moeten betaald zijn. Intresten op een BTW-schuld is een schuld die de belastingschuldige moet dragen.
5.2. Er is geen aparte rechtsgrond die de rechtbank toestaat om rechtstreeks deze schuld kwijt te schelden.
C. Betreffende de kosten
Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van elk van de partijen moeten zij elk hun eigen gerechtskosten dragen.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar en gegrond in volgende mate.
Zegt voor recht dat de door verweerder opgelegde boete t.b.v. 824.560,00 EUR ongegrond is.
Beveelt dienvolgens verweerder om over te gaan tot terugbetaling aan eiseres van elk bedrag dat werd geïnd op de vermelde boete, te vermeerderen met de verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de inning of de inhouding, daarin begrepen zijnde de gerechtelijke rente vanaf datum van het verzoekschrift tot de datum van volledige betaling.
Wijst voor het overige de eis van eiseres af als ongegrond.
Verwijst elk van de partijen in hun eigen gerechtskosten, in welk geval het overbodig is die kosten vast te stellen.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag drieëntwintig februari tweeduizend en negen.
Aanwezig zijn :
D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. L. D. P.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.