Horeca, Aangifte niet correct, BTW-boete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Brussel 13 januari 2026

Zoeken

Horeca, Aangifte niet correct, BTW-boete

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bbi-horeca-aangifte-correct-btw-hof-van-beroep-brussel-2026-01-13-8feb

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Brussel
Datum
13 januari 2026

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

74 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 13.01.2026 - 2020/AF/445

FIN 54421372-01

[ Gunstig arrest ]

BTW – BBI - Horeca – Aangifte niet correct – BTW-boete

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 13.01.2026 - 2020/AF/445

M.A.W., ON ..., RRN ..., wonende te ... ..., ..., ...,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. DE FEYTER Maarten (VILVOORDE) loco Mr. VAN EECKHAUT Livia, advocaat te 9000 GENT, Begijnhoflaan 456,

tegen

DE BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de adviseur van het Team invordering natuurlijke personen Etterbeek/..., vertegenwoordigd door de adviseur-generaal van de Bijzondere Belastinginspectie, gewestelijke directie Gent, met kantoren gevestigd te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan, 6 bus 803,

geïntimeerde,

die in persoon verschijnt door tussenkomst van een ambtenaar, de heer J.D.B., attaché,

Het hof, na beraad, spreekt in openbare zitting volgend arrest uit.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder :

 het vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 4 september 2020, waarvan geen betekeningsakte voorligt;

 het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 3 november 2020;

 de enige conclusie van appellante, neergelegd ter griffie op 2 december 2021;

 de conclusies en syntheseconclusies van geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 26 februari 2021, 26 augustus 2021 en 25 februari 2022;

 de stukken van appellante, neergelegd ter griffie op 3 november 2020 en elektronisch neergelegd op 2 december 2021;

 de stukken van geïntimeerde, elektronisch neergelegd op 25 februari 2022 en ter terechtzitting op 16 december 2025.

1. Relevante feiten en voorgaanden

Appellante was geregistreerd als btw-belastingplichtige voor de activiteit van cafés en bars. Op 3 november 2016 werd door het parket Oost-Vlaanderen toelating gegeven aan de bijzondere belastinginspectie (hierna: BBI) tot inzage en kopiename van het gerechtsdossier aangelegd ten laste van appellante. Volgens de BBI bleek dat appellante in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2016 niet alle gerealiseerde omzet op correcte wijze heeft aangegeven en een totaal bedrag van 745.959,90 euro heeft omgeleid naar haar privérekeningen. Op 19 november 2018 werd een proces-verbaal opgesteld waarin de volgende bedragen van appellante werden gevorderd (stuk 1 van geïntimeerde):

- 86.551,23 euro BTW;

- 173.100,00 euro proportionele geldboete (200%);

- te vermeerderen met interesten te rekenen vanaf 21 januari 2017.

Op 22 november 2018 vaardigde geïntimeerde een btw-dwangbevel (nr. 500/2038/21729) uit dat uitvoerbaar werd verklaard op 27 november 2018 en aan appellante ter kennis werd gebracht op 3 december 2018 (stukken 2-4 van geïntimeerde).

2. Procedure in eerste aanleg

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 20 december 2018 betwistte appellante de btw-vordering. In haar laatste conclusie neergelegd ter griffie betwistte appellante nog enkel de btw-boete en verzocht zij de rechtbank om haar het uitstel van tenuitvoerlegging toe te staan m.b.t. de geldboete van 173.100,00 euro en om geïntimeerde te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten.

Geïntimeerde verzocht de rechtbank om de vorderingen van appellante ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en om appellante te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten.

In het bestreden vonnis verklaarde de rechtbank de vorderingen van appellante ontvankelijk maar ongegrond. De rechtbank oordeelde dat er geen gronden voorhanden zijn om een uitstel van tenuitvoerlegging toe te staan van de opgelegde geldboete zelfs indien dit mogelijk zou zijn geweest.

Tegen dit vonnis tekende appellante hoger beroep aan bij het voormelde verzoekschrift tot hoger beroep.

3. Procedure voor het hof van beroep

Appellante verzoekt het hof om haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te vernietigen en vervolgens luidt de vordering van appellante als volgt:

- dat, gezien het strijdig karakter met het gelijkheidsbeginsel, de geldboete niet op een legitieme wijze kan worden uitgesproken noch vervolgd,

voor zover het bovenstaande argument niet wordt gevolgd, aan concludente uitstel van tenuitvoerlegging toe te staan met betrekking tot de opgelegde geldboete, ten bedrage van € 173.100, met een te bepalen proeftermijn,

tevens de verweerster in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van de procedure, daarin begrepen de rechtsplegingsvergoeding ad € 480 bij schatting.

Aanvullend ter motivering: de stelling van eiseres in hoger beroep is overigens eigenlijk juridisch correct, maar wordt gewoon niet uitgevoerd door de Belgische Staat en betreft een gebrek dat al lang diende te worden weggewerkt."

Appellante voert hiertoe de volgende middelen aan:

de rechtbank erkent dat er een schending van het gelijkheidsbeginsel is, er dient aldus toepassing gemaakt te worden van artikel 159 Grondwet en er moet vastgesteld worden dat de vordering tot veroordeling en toepassing van de (zeer aanzienlijke) geldboete niet mogelijk is;

de afwezigheid van veroordelingen of zware veroordelingen in hoofde van appellante, en gelet op haar leeftijd, is een schoolvoorbeeld van mogelijkheid om de wet van 21 juni 1964 tot opschorting, uitstel en probatie toe te passen; er is een lacune in de wet waaraan niets wordt gedaan.

Geïntimeerde verzoekt het hof om het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en om appellante te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten.

Geïntimeerde voert hiertoe de volgende middelen aan:

de rechter moet de fiscale bepaling van artikel 70 WBTW toepassen en kan deze niet buiten toepassing laten overeenkomstig artikel 159 Grondwet, geïntimeerde verwijst naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, het komt wel aan het hof toe na te gaan of er redenen zouden zijn geweest om uitstel te verlenen van betaling mocht dit wettelijk voorzien zijn, in casu zijn deze redenen er niet, appellante heeft nog niets betaald van de verschuldigde btw noch van de boete, appellante werkt niet mee aan het fiscaal onderzoek en ondertussen werd er in hoofde van appellante al een tweede, derde en vierde btw-schuld gecreëerd, tot slot verwijst geïntimeerde naar het feit dat het parket heeft gesteld dat er geen strafrechtelijke vervolging zou worden ingesteld zodat de enige manier om deze frauduleuze handelingen te beteugelen zuiver fiscaal van aard is;

de verwijzingen door appellante naar de toegepaste praktijk in de strafrechtbanken is niet pertinent.

De zaak werd behandeld in openbare terechtzitting van 16 december 2025, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

4. Beoordeling

4.1. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist door geïntimeerde. Nu er ook geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn, is het tijdig en regelmatig ingesteld hoger beroep ontvankelijk.

4.2. Betreffende de geldboete van 200%

De BBI heeft een btw-boete van 200% opgelegd en verwijst in het proces-verbaal dienaangaande naar het gerechtsdossier, het onderzoek inzake directe belastingen en de stukken beschikbaar in de fiscale dossiers van appellante op basis waarvan de BBI vaststelt dat appellante systematisch belastbare omzet niet heeft opgenomen in een officiële boekhouding, niet heeft aangegeven in de btw-aangiften en de daarop verschuldigde btw niet heeft voldaan. In het kader van het strafonderzoek gaf appellante toe dat zij geen dagdagelijkse boekhouding bijhoudt en dat zij in overleg met haar boekhouder maandelijks ongeveer 8.000,00 euro aangaf. Appellante erkende dat zij niet de correcte inkomsten aangaf en dat de inkomsten die zij officieel aangaf voor diverse jaren niet volledig overeenstemmen met de werkelijkheid. Geïntimeerde besluit in het proces-verbaal dat door doelbewust belastbare handelingen niet aan te geven en door niet te voldoen aan de fiscale verplichtingen appellante in de betreffende jaren belastingen heeft ontdoken, hetgeen verder tot uiting komt door de omvang en het aantal van deze inbreuken.

Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt in toepassing van artikel 70, §1 WBTW een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Deze geldboete komt niet in aanmerking voor vermindering wanneer blijkt dat de overtredingen werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking mogelijk te maken (artikel 1, 2de lid KB nr. 41).

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Hij mag dus onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een sanctie met de betrokken omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder rekening houden met de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vgl. Cass. 24 maart 2023, F.21.0056.N en Cass. 23 september 2022, F.20.0112.N).

Gelet op het herhaaldelijk karakter van de inbreuken gedurende vele jaren en gelet op de omvang ervan oordeelt het hof dat op basis van het geheel van deze bijzondere omstandigheden de administratie terecht een geldboete van 200% heeft toegepast. De geldboete van 200% staat in redelijke verhouding met de gepleegde inbreuken, de ernst en de omvang ervan en zulks rekening houdende met het KB nr. 41. Het hof oordeelt dat deze geldboete bovendien afdoende werd gemotiveerd in het proces-verbaal.

In zoverre artikel 70 WBTW aan de rechtbanken en hoven niet toelaat om een uitstel te verlenen, is het in strijd met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Deze ongrondwettigheid belet een rechter niet om artikel 70 WBTW toch toe te passen wanneer de rechter vaststelt dat de inbreuken vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de inbreuk en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (vgl. GwH 20 februari 2020, nr. 32/2020 en Cass. 12 januari 2018, F.16.0127.F). Geïntimeerde voert dan ook terecht aan dat het hof artikel 70 WBTW niet zonder meer buiten toepassing kan verklaren.

Gelet op de bijzondere omstandigheden van het dossier, oordeelt het hof dat een effectieve sanctie nodig is, er is geen reden om uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien. Noch de leeftijd van appellante noch de afwezigheid van strafrechtelijke veroordelingen kunnen het hof anders doen beslissen. Bovendien blijkt uit de stukken voorgelegd door geïntimeerde dat het vaststaat dat appellante volhardt in het niet voldoen aan haar fiscale verplichtingen.

Het hoger beroep is ongegrond.

4.3. Gerechtskosten

Appellante, de in het ongelijk gestelde partij, dient veroordeeld te worden tot betaling van de gerechtskosten in hoger beroep. De bijzondere bijdrage voor het Begrotingsfonds betaald door appellante, blijft ten laste van appellante.

Het rolrecht is vrijgesteld (art. 162, 4° en 2791 Wb.Reg.).

Aangezien geïntimeerde voor het hof niet werd vertegenwoordigd door een advocaat, dient geen rechtsplegingsvergoeding bepaald te worden.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk maar ongegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis,

Veroordeelt appellante tot de betaling van de gerechtskosten van het hoger beroep, door het hof vereffend op 0,00 euro,

Laat de bijzondere bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de procedure in graad van beroep ten laste van appellante.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel op 13 JANUARI 2026

waar aanwezig waren

Aag Bellens, raadsheer

Jan Van den Bossche, griffier

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 705 voorkomens

Vergelijkbare beslissingen

8