Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd
Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd. 29.06.2005, Zaak 99/5574/A – Zaak 99/5836/A
De Fiscale Koerier 2005/671
Aftrek van voorbelasting.
Bedrijfsmiddel.
Belastbare handelingen.
Samenvatting
De voorwaarde die de Administratie stelt voor de aftrek van voorbelasting, namelijk de vereiste van strikte noodzaak van de uitgaven voor de behoeften van de onderneming, neigt naar een strakke en aldus ongeoorloofde opportuniteitsbeoordeling.
Dit belet niet dat belastingplichtigen die recht willen hebben op aftrek van voorbelasting, moeten aantonen dat de goederen en diensten waarvoor aftrek van voorbelasting wordt gevraagd, dienstig zijn voor het stellen van belastbare handelingen.
In het voorliggende geval leveren de belastingplichtigen niet het bewijs dat de conciërgewoning die naast een benzinestation wordt gebouwd 'in haar bestemming strikt verantwoord is voor de behoeften van de onderneming'. Daarom kan de woongelegenheid voor BTW-doeleinden niet als een bedrijfsmiddel worden aanzien. Dit volstaat om de aftrek van de voorbelasting te verwerpen.
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
V O N N I S gewezen en uigesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op negenentwintig juni tweeduizend en vijf
in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden:
L. B., enig rechter,
N. D., adjunct-griffier.
In zake: A.R.Nr.99/5574/A
N.V. V. R. B.,
ingeschreven in het handelsregister te Turnhout onder het nummer …, met BTW-nummer BE …, met maatschappelijke zetel gevestigd te ... .
EISENDE PARTIJ
- verschijnende bij meester L. D.V. loco meester W. H., advocaat, kantoorhoudende te ... .
t e g e n:
DE BELGISCHE STAAT,
Federale Overheidsdienst Financiën, (voorheen Ministerie van Financiën) Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van Turnhout, waarvan de kantoren gevestigd zijn te ... .
VERWERENDE PARTIJ
- verschijnende bij meester P. B. loco meester P. V.D.S., advocaat, kantoorhoudende te ... .
En in zake: A.R.Nr.99/5836/A
N.V. V. R. B,
ingeschreven in het handelsregister te Turnhout onder het nummer …, met BTW-nummer BE …, met maatschappelijke zetel gevestigd te ... .
EISENDE PARTIJ
- verschijnende bij meester L D.V. loco meester W. H., advocaat, kantoorhoudende te ... .
t e g e n :
DE BELGISCHE STAAT?
Federale Overheidsdienst Financiën, (voorheen Ministerie van Financiën) Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van Turnhout, waarvan de kantoren gevestigd zijn te ... .
VERWERENDE PARTIJ
- verschijnende bij meester P. B. loco meester P. V.D.S., advocaat, kantoorhoudende te ... .
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:
In zake: A.R.Nr.99/5574/A
· het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 29 september 1999,
·
· de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §2 van het Gerechtelijk Wetboek op 10 december 2004,
·
· de besluiten van partijen.
·
En in zake: A.R.Nr.99/5836/A
· het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder P. B. te Turnhout op 6 oktober 1999,
·
· de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §2 van het Gerechtelijk Wetboek op 10 december 2004,
·
· de besluiten van partijen.
·
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 8 juni 2005.
Eiseres heeft voorliggend BTW-geschil eenmaal ingeleid met verzoekschrift en eenmaal met exploot van dagvaarding, wat heeft geleid tot A.R. 99/5574/A respectievelijk A.R. 99/5836/A.
Uit oorzaak van samenhang dient er alvast tot samenvoeging te worden overgegaan.
Verweerder stelt hierover onterecht dat het geschil niet meermaals tegelijk voor de rechtbank kon worden gebracht, nu ter opvang van dat probleem precies de regels van aanhangigheid en samenhang bestaan.
Verweerder stelt wel terecht dat de vordering te dezen niet kon worden ingeleid middels een verzoekschrift op tegenspraak, zodat de vordering onder A.R. 99/5574/A niet toelaatbaar is.
De daarnaast wel toelaatbare vordering onder A.R. 99/5836/A - er ligt geen van ambtswege aan te voeren oorzaak tot ontoelaatbaarheid voor - is gericht tegen de fiscale vordering van verweerder die is vastgelegd in dwangbevel van 19 mei 1999 dat op 27 mei 1999 uitvoerbaar werd verklaard en dat met aangetekende brief van 28 mei 1999 aan eiseres werd aangezegd.
Aan vermeld dwangbevel is een proces-verbaal van 20 april 1999 gehecht tot verwerping van aftrek van voorbelasting, en het doet uit die oorzaak navordering van BTW, meer een tot 10% herleide boete, meer wettelijke intrest, en meer vervolgingskosten.
Bij BTW-controle over 1994-95-96 op 3 juni 1997 heeft de controleambtenaar vastgesteld dat bij het benzinestation van eiseres te Wechelderzande een woongelegenheid is opgericht tussen begin 1994 en eind 1995, en dat eiseres de op de oprichtingsfacturen betaalde voorbelasting in verrekening had gebracht.
Vermelde ambtenaar noteerde dat de woongelegenheid vanaf 1 maart 1995 ter beschikking is gesteld aan ene L. T. en diens echtgenote I. D. B., als "pompisten" middels arbeidscontract, hij in voltijdse baan, zij in deeltijdse baan.
De ambtenaar oordeelde uit zijn vaststellingen dat het gebruik van deze woongelegenheid niet strikt verantwoord was voor de behoeften van de onderneming, maar alleen maar wenselijk.
Indien en in de mate de woongelegenheid een bedrijsmiddel vormde, was de door eiseres op de oprichtingsfacturen aan haar medecontractanten betaalde voorbelasting dadelijk en in haar geheel verrekenbaar in toepassing van artikel 45 §1 Wetboek BTW.
Om te bepalen of de woongelegenheid een bedrijfsmiddel vormde, hanteert de belastingdienst zoals uiteengezet de norm dat het 'gebruik' strikt verantwoord moet zijn voor de behoeften der onderneming zonder dat het kader van die behoeften mag worden overschreden.
Hoewel bestemming en het latere effectieve gebruik onderscheiden zaken dekken, nu het ene aftrek van voorbelasting bepaalt en het andere verband houdt met belastbaarheid bij wijze van uitgaande handeling dan wel met herziening van de voorheen verrichte aftrek, maken partijen hier blijkbaar dat onderscheid niet (vgl. HvJ inzake Seeling, 8 mei 2003, zaak C-269/00).
Binnen hun kader zijn partijen het eens over de norm, maar niet over de concrete invulling ervan te dezen.
In elk geval stelt de rechtbank vast dat de ombuiging door de controleambtenaar (en nu in het geding ook door verweerder) van deze norm naar ook strikte "noodzaak" tot de behoeften van de onderneming neigt naar te strakke en aldus ongeoorloofde opportuniteitsbeoordeling.
Eiseres wijst er op dat de werknemers krachtens artikel 8 der arbeidsovereenkomst de plicht hebben tot continue bewaking van het eigendom en tot zorg voor de voorraden, en dat alleen met dat doel gebruik mag worden gemaakt van de privé-vertrekken die in het benzinestation daarvoor zijn voorzien, en tenslotte dat bij einde der arbeidsovereenkomst het gebruiksrecht automatisch vervalt (beide arbeidsovereenkomsten onder de stukken van partijen).
Eiseres kleedt deze plicht aldus in als conciërgetaak, die zij ondersteunt onder verwijzing naar nabijheid van een oprit tot een autosnelweg met verhoogd overval- dan wel inbraak- gevaar. Zij legt alvast geen elementen voor die dit laatste waarschijnlijker maken dan voor een gemiddeld ander tankstation.
Hetzelfde geldt voor behoefte aan het afweren van of optreden tegen vandalisme.
Eiseres kleedt deze plicht verder in met verwijzing naar toezichttaak ter zake de werking der installaties en ter zake brand- en ontploffingsgevaar, waartegen verweerder opwerpt dat vele benzinestations functioneren op loutere elektronische dan wel biljettenbetaling, zonder dat er daarbij ook maar iemand ter plaatse continu toezicht houdt, aldus terecht.
Hoewel de werknemers werden aangenomen als 'arbeiders-pompisten', werd hun arbeidstaak niet omschreven in de arbeidsovereenkomst, buiten wat hogerop over artikel 8 is uiteengezet.
Eiseres weet te zeggen dat het station 24/24u open dient te zijn, maar kan niet preciseren op welke uren het station met of zonder bediening of loketaanwezigheid moet functioneren.
Blijkbaar is het niet voorzien dat de werknemers er gedomicilieerd moesten zijn, en of er een vakantieregeling bepaald was, en hoe in dat geval de voorziene regeling ter zake toezicht was kon, op vraag daarover van de rechtbank, niet worden gepreciseerd.
Wettelijk ligt de bewijslast ter zake recht op aftrek en mogelijkheid van uitoefening ervan bij de belastingplichtige die er aanspraak op maakt, te dezen eiseres.
Zij heeft de bewijslast niet ten genoegen van recht ingevuld, meer concreet niet bewezen dat de woongelegenheid in haar bestemming strikt verantwoord was voor de behoeften van haar onderneming, zodat de belastingdienst terecht is overgegaan tot verwerping en tot de daaruit voortvloeiende navordering.
Waar eiseres zelf ten Kadaster de woongelegenheid had opgegeven met waarde 2.380.000,-BEF, nu te lezen als 58.998,66 EUR (stuk van verweerder dat hij wel heeft gehecht aan zijn aanvullende conclusie maar niet in zijn dossier heeft neergelegd), en nu de controleambtenaar de woongelegenheid bij de verwerping slechts schatte op 2.000.000,-BEF, dit nu te lezen als 49.578,70 EUR, ligt er uit dit oogpunt geen willekeur voor binnen de verwerping.
Nu eiseres als belastingplichtige inzake BTW ervoor mocht kiezen de woongelegenheid te bestemmen als ondernemingsgoed (lees bedrijfsmiddel; vgl. HvJ inzake Seeling, geciteerd), maar te dezen deze bestemming niet is aangetoond, is haar vordering tot betwisting van de verwerping van de door haar geschiede verrekening van voorbelasting niet gegrond.
Daarnaast staan de fiscale gevolgen van het latere effectieve gebruik te dezen niet ter sprake.
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Voegt de zaken onder A.R. 99/5574/A en A.R. 99/5836/A samen en beoordeelt ze in een en hetzelfde vonnis,
Verklaart de vordering onder A.R. 99/5574/A ontoelaatbaar en de vordering onder A.R. 99/5836/A toelaatbaar,
Verklaart de vordering onder A.R. 99/5836/A ongegrond,
Veroordeelt de eiseres in beide zaken tot de kosten, deze aan elke zijde begroot in de respectieve conclusies, en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op ambtshalve 178,48 EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingvergoeding.
N. D. L. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.