Arrest
Bij beschikkingen van 4 september 1990, ingekomen bij het Hof op 22 oktober daaraanvolgend, heeft de Vice Pretore di Frascati (Italie) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de verdragsbepalingen inzake mededinging, om te kunnen beoordelen of bepaalde aspecten van een nationaal stelsel voor de verdeling van frequenties voor de televisieomroepdienst met het gemeenschapsrecht verenigbaar zijn.
Die vragen zijn gerezen in het kader van geschillen tussen enerzijds de vennootschappen Telemarsicabruzzo, Telaltitalia en Telelazio, eigenaars van televisiezenders, en anderzijds Circostel (Circolo Costruzioni Telegrafiche e Telefoniche di Roma, dienst aanleg telegrafie- en telefoonnetwerken van Rome), het Ministerie van Posterijen en Telecommunicaties en het Ministerie van Defensie.
Ter toelichting van die vragen beperkt de Vice Pretore di Frascati zich in de zaken C-320/90 en C-322/90 ertoe, na de inhoud van artikel 86 EEG-Verdrag te hebben weergegeven, te stellen dat deze bepaling iedere vorm van monopolie verbiedt. In zaak C-321/90 voegt hij daaraan toe, dat voor hem een bevoegdheidsprobleem is gerezen. Hij is niettemin van mening, dat wegens de voorrang van het gemeenschapsrecht die exceptie niet kan worden onderzocht alvorens aan het Hof prejudiciële vragen zijn gesteld. Hij preciseert voorts, dat zelfs indien hij onbevoegd is, deze vragen gerechtvaardigd zijn om redenen van proceseconomie.
De door de Vice Pretore di Frascati gestelde prejudiciële vragen luiden als volgt:
1)„ Vormt de omstandigheid dat de Italiaanse regering zich het gebruik van een aantal kanalen voor televisieuitzendingen heeft voorbehouden en aldus het particuliere gebruik van de UHF-kanalen 67 tot 99 en inzonderheid van de kanalen 67, 68 en 69 onmogelijk maakt, een schending van de artikelen 85, lid 3, en 86 EEG-Verdrag, nu zij geen regeling heeft vastgesteld inzake de coördinatie van het gebruik van die kanalen?
2)Is deze handelwijze verenigbaar met het EEG-Verdrag en met de daarin neergelegde mededingingsregels?”
De Commissie wijst er vooraf op, dat de verwijzingsbeschikkingen laconiek zijn en zeer zuinig met feitelijke en juridische gegevens op grond waarvan het voorwerp van de gestelde vragen zou kunnen worden bepaald en de inhoud en strekking ervan zouden kunnen worden begrepen.
Er zij aan herinnerd, dat wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, het noodzakelijk is dat deze rechter een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd.
Deze eisen gelden in het bijzonder op het gebied van de mededinging, dat door complexe feitelijke en juridische situaties wordt gekenmerkt.
De verwijzingsbeschikldngen bevatten dienaangaande echter geen enkele aanwijzing.
Het door de nationale rechter overgelegde dossier en de schriftelijke opmerkingen hebben het Hof weliswaar, zoals blijkt uit het rapport ter terechtzitting, enige informatie verschaft —evenals overigens de door partijen ter terechtzitting gemaakte opmerkingen —, doch deze informatie is zo fragmentarisch, dat het Hof, bij gebreke van voldoende kennis van de feiten die aan het hoofdgeding ten grondslag liggen, niet in staat is om, overeenkomstig het verzoek van de verwijzende rechter, de communautaire mededingingsregels uit te leggen in verband met de situatie die voorwerp is van dat geding.
Onder deze omstandigheden behoeven de door de Vice Pretore di Frascati gestelde vragen niet te worden beantwoord.
Kosten
De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
gelet op de door de Vice Pretore di Frascati bij beschikkingen van 4 september 1990 gestelde vragen, verklaart:
De gestelde vragen behoeven niet te worden beantwoord.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
3Rechtspraak
27België
1Hof van beroep te Antwerpen01.03.2011
Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, werkingssfeer, dienst
Europese Unie
26Hof van JustitieC-211/2229.06.2023
Mededingingsregelingen, verticale overeenkomsten
Hof van JustitieC-603/1901.10.2020
Bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie
Hof van JustitieBeschikkingC-102/1725.04.2018