Arrest van het Hof van 3 juni 1992, C-287/91 · Europese rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting C-287/91 ECLI:EU:C:1992:242 3 juni 1992

Zoeken

Arrest van het Hof van 3 juni 1992, C-287/91Achtste richtlijn 79/1072 art. 7, EEG-Verdrag art. 169

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-287-91-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
C-287/91
ECLI
ECLI:EU:C:1992:242
Datum
3 juni 1992

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Beroep wegens niet-nakoming gegrond
Zaak ingediend op
15 november 1991
Advocaat-generaal
Gulmann conclusie van 6 mei 1992

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Italiaans
Jurisprudentie
Jurispr. 1992, blz. I-3515
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Díez de Velasco
Repertorium van het Hof

Tekst

13 paragrafen

Arrest

1.

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het Hof op 15 november 1991, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag verzocht, vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door te dulden dat het Ministerie van Financiën de termijnen voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen stelselmatig overschrijdt, en door niet in te grijpen om de met het gemeenschapsrecht strijdige gevolgen daarvan ab origine weg te werken, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 7, lid 4, van de Achtste richtlijn 79/1072/EEG van de Raad van 6 december 1979 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting— Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen (PB 1979, L 331, biz. 11).

2.

Artikel 7, lid 4, luidt als volgt:

„Van de beslissingen over verzoeken om teruggaaf moet mededeling worden gedaan binnen zes maanden nadat de betreffende verzoeken, vergezeld van alle documenten die volgens deze richtlijn voor het onderzoek van de verzoeken nodig zijn, bij de in lid 3 bedoelde bevoegde dienst zijn ingediend. De teruggaaf moet plaatsvinden vóór het verstrijken van voornoemde termijn, op verzoek van de aanvrager hetzij in de Lid-Staat waar de teruggaaf wordt verleend, hetzij in de Staat waar hij is gevestigd. In het laatstgenoemde geval komen de bankkosten voor het overmaken ten laste van de aanvrager.”

3.

De Commissie, die van marktdeelnemers uit andere Lid-Staten tal van klachten over vertraging bij de teruggaaf van BTW door de Italiaanse administratie had ontvangen, besloot een niet-nakomingsprocedure in te stellen, en heeft de Italiaanse regering in het kader daarvan bij brief van 7 februari 1990 verzocht, haar opmerkingen ter zake mee te delen. Daar die brief onbeantwoord bleef, bracht zij op 2 juli 1990 een met redenen omkleed advies uit. Toen ook hierop geen reactie kwam, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.

4.

Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport van de rechterrapporteur. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

5.

De Commissie merkt op, dat volgens genoemde richtlijn de teruggaaf van BTW moet plaatsvinden binnen zes maanden nadat het desbetreffende verzoek, vergezeld van alle documenten die voor het onderzoek ervan nodig zijn, is ingediend. Zij stelt evenwel vast, dat, niettegenstaande de omzetting van de richtlijn in het Italiaanse recht, de termijn voor teruggaaf van BTW aan niet in de Italiaanse Republiek gevestigde belastingplichtigen in de praktijk 36 maanden bedraagt en nog langer dreigt te worden. Haars inziens is dit een duidelijke inbreuk op artikel 7, lid 4, van genoemde richtlijn.

6.

De Italiaanse regering betwist de niet-nakoming niet en verklaart, dat de vertraging bij de teruggaaf van BTW aan niet ingezeten belastingplichtigen organisatorische oorzaken heeft, en dat daarbij geen discriminatoire bedoelingen voorliggen. Zij wijst erop, dat de nationale administratie zoekt naar oplossingen om de in de richtlijn gestelde termijn van zes maanden te eerbiedigen.

7.

Opgemerkt zij, dat volgens vaste rechtspraak de Lid-Staten hebben zorg te dragen voor een volledige en nauwkeurige toepassing van de bepalingen van iedere richtlijn (zie inzonderheid het arrest van 18 maart 1980, gevoegde zaken 91/79 en 92/79, Commissie/Italië, Jurispr. 1980, blz. 1099, r. o. 6).

8.

Mitsdien moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek, door te dulden dat het Ministerie van Financiën de termijnen voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen stelselmatig overschrijdt, en door niet in te grijpen om de met het gemeenschapsrecht strijdige gevolgen daarvan ab origine weg te werken, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 7, lid 4, van de Achtste richtlijn (79/1072/EEG) van de Raad van 6 december 1979 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen.

Kosten

9.

Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE

rechtdoende, verstaat:

1) Door te dulden dat het Ministerie van Financiën de termijnen voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen stelselmatig overschrijdt, en door niet in te grijpen om de met het gemeenschapsrecht strijdige gevolgen daarvan ab origine weg te werken, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 7, lid 4, van de Achtste richtlijn (79/1072/EEG) van de Raad van 6 december 1979 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen.

2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

4
Achtste richtlijn 79/1072 art. 74 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1691 voorkomen

Rechtspraak

3

Europese Unie

3

Hof van JustitieC-16/9514.12.1995

Achtste richtlijn 79/1072 art. 7, EG-Verdrag art. 5

Administratieve doctrine

1

Bekijk de 4 documenten

Rechtsleer

3
Kornprobst, Emmanuel: Droit fiscal 1993 443
Fortunato, S.: Il Foro italiano 1993 IV Col.273-274
Caamaño Anido, Miguel Angel ; Calderón Carrero, José Manuel: Impuesto sobre el valor añadido, Jurisprudencia Tributaria del Tribunal de Justicia de las Comunidades Europeas (Comentarios y concordancias con la legislación española) 1992-1995 (Ed. La ley-Actualidad - Madrid) 1997 p.431-433