Arrest van het Hof van 14 december 1995, C-16/95 · Europese rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Vijfde kamer C-16/95 ECLI:EU:C:1995:459 14 december 1995

Zoeken

Arrest van het Hof van 14 december 1995, C-16/95Achtste richtlijn 79/1072 art. 7, EG-Verdrag art. 5

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-16-95-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Vijfde kamer
Zaak
C-16/95
ECLI
ECLI:EU:C:1995:459
Datum
14 december 1995

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Beroep wegens niet-nakoming gegrond
Zaak ingediend op
18 januari 1995
Advocaat-generaal
Fennelly conclusie van 12 oktober 1995

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Spaans
Jurisprudentie
Jurispr. 1995, blz. I-4883
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Jann
Repertorium van het Hof

Tekst

14 paragrafen

Arrest

1.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 januari 1995, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door de termijn van zes maanden voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen, voorzien in artikel 7, lid 4, van de Achtste richtlijn (79/1072/EEG) van de Raad van 6 december 1979 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen (PB 1979, L 331, blz. 11; hierna: de „richtlijn”), niet in acht te nemen en de in artikel 5 EG-Verdrag voorziene samenwerkingsplicht van de Lid-Staten te verzuimen, de krachtens het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2.

Artikel 7, lid 4, van de richtlijn luidt als volgt:

„Van de beslissingen over verzoeken om teruggaaf moet mededeling worden gedaan binnen zes maanden nadat de betreffende verzoeken, vergezeld van alle documenten die volgens deze richtlijn voor het onderzoek van de verzoeken nodig zijn, bij de (...) bevoegde dienst zijn ingediend. De teruggaaf moet plaatsvinden vóór het verstrijken van voornoemde termijn, op verzoek van de aanvrager hetzij in de Lid-Staat waar de teruggaaf wordt verleend, hetzij in de staat waar hij is gevestigd. In het laatstgenoemde geval komen de bankkosten voor het overmaken ten laste van de aanvrager.”

3.

De Commissie, die van marktdeelnemers uit andere Lid-Staten tal van klachten over vertraging bij de teruggaaf van BTW door de Spaanse administratie had ontvangen, gaf deze klachten bij brief van 5 maart 1991 door aan de permanente vertegenwoordiging van Spanje en verzocht de bevoegde autoriteiten om uitleg. Toen de Commissie geen officieel antwoord ontving, besloot zij, na een herinneringstelex, een niet-nakomingsprocedure in te leiden en verzocht zij de Spaanse regering in het kader daarvan bij brief van 10 december 1992, binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen ter zake te maken. Op verzoek van de Spaanse autoriteiten werd de termijn verlengd tot 10 februari 1993. Daar het antwoord uitbleef, bracht de Commissie op 28 maart 1994 een met redenen omkleed advies uit, waarin zij de Lid-Staat verzocht, binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van de kennisgeving aan de richtlijn te voldoen. Toen ook hierop geen reactie kwam, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.

4.

De Commissie merkt op, dat volgens de richtlijn de teruggaaf van de BTW moet plaatsvinden binnen zes maanden nadat het desbetreffende verzoek, vergezeld van alle documenten die voor het onderzoek ervan nodig zijn, is ingediend. Zij stelt evenwel vast, dat, niettegenstaande de omzetting van de richtlijn in het Spaanse recht, de termijn voor teruggaaf van de BTW aan niet in het Koninkrijk Spanje gevestigde belastingplichtigen die termijn ruimschoots overschrijdt en tot twaalf maanden kan oplopen.

5.

Haars inziens is dit een duidelijke inbreuk op artikel 7, lid 4, van de richtlijn.

6.

De Spaanse regering betwist de niet-nakoming niet. Zij verklaart, dat de vertraging bij de teruggaaf van de BTW aan niet-ingezeten belastingplichtigen te wijten is aan organisatorische problemen, en dat daarbij geen discriminatoire bedoelingen voorliggen. Zij wijst erop, dat de nationale administratie zoekt naar oplossingen om de in de richtlijn gestelde termijn van zes maanden te eerbiedigen.

7.

Daar de Commissie van het onderdeel van haar verzoek betreffende de in artikel 5 van het Verdrag neergelegde samenwerkingsplicht heeft afgezien, behoeft daarover geen uitspraak te worden gedaan.

8.

Met betrekking tot artikel 7, lid 4, van de richtlijn moet worden opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak de Lid-Staten hebben zorg te dragen voor een volledige en nauwkeurige toepassing van de bepalingen van iedere richtlijn (zie inzonderheid arrest van 3 juni 1992, zaak C-287/91, Commissie/Italië, Jurispr. 1992, blz. I-3515, r. o. 7).

9.

Mitsdien moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk Spanje, door de termijn van zes maanden voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen niet in acht te nemen, de krachtens artikel 7, lid 4, van de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Kosten

10.

Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien het Koninkrijk Spanje in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

rechtdoende, verstaat:

1) Door de termijn van zes maanden voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen niet in acht te nemen, Ís het Koninkrijk Spanje de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 7, lid 4, van de Achtste richtlijn (79/1072/EEG) van de Raad van 6 december 1979 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen.

2) Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

4
Achtste richtlijn 79/1072 art. 76 voorkomens
EG-Verdrag art. 52 voorkomens
EG-Verdrag art. 1691 voorkomen

Rechtspraak

1

Europese Unie

1

Bekijk het document

Rechtsleer

1
Caamaño Anido, Miguel Angel ; Calderón Carrero, José Manuel: Impuesto sobre el valor añadido, Jurisprudencia Tributaria del Tribunal de Justicia de las Comunidades Europeas (Comentarios y concordancias con la legislación española) 1992-1995 (Ed. La ley-Actualidad - Madrid) 1997 p.437 + p.431-433