Arrest van het Hof van 19 december 1968, 13/68 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 13/68 ECLI:EU:C:1968:54 19 december 1968

Zoeken

Arrest van het Hof van 19 december 1968, 13/68

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-13-68-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
13/68
ECLI
ECLI:EU:C:1968:54
Datum
19 december 1968

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Corte d'appello di Roma, Sezione I civile (Italië) 8090 - RG 638/67
Zaak ingediend op
11 juli 1968
Advocaat-generaal
Gand
Nationale beslissing na het arrest
Corte d'appello di Roma beslissing van 24 september 1969

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Italiaans
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Strauss
Repertorium van het Hof

Tekst

63 paragrafen

ARREST

I — De feiten en het procesverloop

Overwegende dat blijkens de verwijzingsbeschikking aan het geding voor het Gerechtshof te Rome de volgende feiten ten grondslag liggen:

De vennootschap Salgoil had van de onderneming Rohimpag te Bazel een bepaalde hoeveelheid met vet geïmpregneerde bleekaarde gekocht. Na aankomst van de eerste partijen bij het douanekantoor te Genua deelde de Italiaanse Administratie aan Salgoil mede dat voor de invoer geen toestemming zou worden gegeven.

Hierop dagvaardde Salgoil het Italiaanse Ministerie van Buitenlandse Handel voor de „Tribunale Civile” te Rome tot vergoeding der schade welke zij uit hoofde van die weigering geleden zou hebben. Zij stelde dat ten tijde van het aangaan der overeenkomst met Rohimpag de desbetreffende produkten in Italië vrij mochten worden ingevoerd en dat het bestuur eerst nadien (bij Ministerieel Besluit van 14 november 1960) de invoerregeling zou hebben gewijzigd en omgezet in een stelsel van import krachtens vergunningen. In antwoord op een door het verwerende bestuur voorgedragen exceptie ten betoge dat een particulier op het gebied van de invoer geen subjectief recht doch slechts een rechtsbelang geldend kan maken — hetgeen de onbevoegdheid van de gewone rechter medebrengt — stelde Salgoil een schending van de artikelen 31 e.v. van het Verdrag E.E.G., daar het hier uit Lid-Staten afkomstige waren zou betreffen welke voorkomen op de geconsolideerde lijsten van geliberaliseerde produkten waarvan Italië overeenkomstig het tweede lid van genoemd artikel 31 aan de vroegere Commissie der E.E.G. kennis had gegeven. In zijn vonnis van 30 juni/6 oktober 1966 aanvaardde de Tribunale Civile voornoemde exceptie en verklaarde zich onbevoegd van het geschil kennis te nemen. Wat in het bijzonder de ingeroepen bepalingen van gemeenschapsrecht betreft, was de „Tribunale Civile” van oordeel dat deze de krachtens het Italiaanse recht bestaande situatie onverlet hebben gelaten; immers bedoelde bepalingen zouden slechts in bijzondere gevallen en op indirekte wijze tot individuele rechtsbetrekkingen kunnen leiden waarmede belangen gegeven zijn welke met de wezenlijke belangen der Staten zelf samenvallen.

Tegen dit arrest voorzag Salgoil zich in appel voor het Gerechtshof te Rome, waartoe zij met name stelde dat de artikelen 30 en volgende van het E.E.G.-Verdrag aan de onderdanen der Lid-Staten rechtstreeks subjectieve rechten en niet slechts rechtsbelangen toekennen.

Overwegende, dat het Gerechtshof te Rome bij beschikking van 9 juli 1968 besloot het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen te verzoeken :

uitspraak te doen over de vraag of de bepalingen van de artikelen 30 e.v. van het Verdrag, en in het bijzonder artikel 31, mede werking hebben voor de betrekkingen tussen een Lid-Staat en zijn onderdanen en

b) zo ja, te willen onderzoeken waarin de aldus tegenover de Staat aan de subjectieve rechten van een particulier verleende rechtsbescherming bestaat; d.w.z. te onderzoeken of de onderhavige normen voor het particuliere belang een rechtstreekse en onmiddellijke bescherming medebrengen welke voor de Staat, optredend als overheidsgezag, iedere discretionnaire bevoegdheid uitsluit om in strijd met dit belang te handelen, of dat, daarentegen, bedoelde normen — met name gezien in verband met de bepalingen der artikelen 36, 224 en 226 van het Verdrag — rechtstreeks uitsluitend gericht zijn op de bescherming van de openbare belangen der Lid-Staten binnen het kader der Gemeenschap en of zij, bij gevolg, zijn gegeven om allereerst en rechtstreeks de verenigbaarheid van zijn bestuurs-optreden met deze belangen te verzekeren, zodat zou moeten worden aangenomen enerzijds, dat iedere Lid-Staat tegenover zijn onderdanen de bevoegdheid behield beperkingen van de import in te voeren en anderzijds, dat — gelet op het openbare belang van die Staat en niet op het particuliere belang der individuele betrokkenen — de onderhavige normen van het Verdrag uitsluitend de wettelijke uitoefening van deze bevoegdheid raken, doch niet haar bestaan.”

Overwegende, dat de renvooibeschikking op 11 juli 1968 ter Griffie van het Hof werd ontvangen;

dat de vennootschap Salgoil, de Italiaanse Minister van Buitenlandse Handel en de Commissie der Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie der E.E.G. hun schriftelijke opmerkingen hebben ingezonden;

dat voornoemde partijen in het hoofdgeding alsmede de Commissie ter openbare terechtzitting van 24 oktober 1968 in hun mondelinge toelichting zijn gehoord;

dat de vennootschap Salgoil werd vertegenwoordigd door Mrs. F. Biamonti en N. Catalano, advocaten te Rome; de Italiaanse minister van Buitenlandse Handel door Dr. P. Peronaci, Sostituto dell' Avvocato Generale dello Stato; de Commissie der Europese Gemeenschappen door Dr. R.-C. Béraud, lid van de Juridische Dienst, als gemachtigde, bijgestaan door Dr. S. Ventura, hoofdadministrateur bij genoemde dienst, in hoedanigheid van raadsman;

dat de Advocaat-Generaal ter zitting van 14 november 1968 conclusie heeft genomen;

II — Samenvatting van de ingevolge artikel 20 van het Statuut ingezonden opmerkingen

Overwegende dat de ingevolge artikel 20 van het Statuut van het Hof van Justitie der E.E.G. ingezonden opmerkingen als volgt kunnen worden samengevat:

1. Prealabele opmerkingen

A — De vennootschap Salgoil stelt met name het volgende : In de overeenkomst welke zij met Rohimpag aanging werd levering bedongen van produkten afkomstig „uit de landen van de Gemeenschappelijke markt en/of de O.E.E.S.”. Derhalve kan niet worden betwist, dat de overeenkomst ook uit de landen der Gemeenschap afkomstige waren betreft. In oktober 1960, voldeed Salgoil aan Rohimpag de helft van de koopprijs; zond Rohimpag aan Salgoil de eerste partijen der gekochte produkten. In deze maand was de invoer der bewuste artikelen door de Italiaanse wetgever nog niet aan kwantitatieve beperkingen en evenmin aan een vergunning onderworpen. Zulks was evenmin het geval respectievelijk op de dag van ondertekening en die van inwerkingtreding van het E.E.G.-Verdrag. Bovendien moeten bedoelde produkten geacht worden te behoren tot de geliberaliseerde produkten, waarvan krachtens artikel 31, lid 2, van het Verdrag een lijst aan de Commissie zal worden toegezonden. Nog tijdens de uitvoering van de overeenkomst kwam het Ministerieel Besluit van 14 november 1960 af. Hierbij werd de invoer van genoemde produkten aan een vergunning onderworpen! Gezien de boven uiteengezette overwegingen leverde deze maatregel een schending op van de artikelen 30 en 31 van het Verdrag. Toen het Douanekantoor te Genua weigerde de eerste zending der gekochte produkten in te klaren, richtte de vennootschap Salgoil een klacht tot het Ministerie van Buitenlandse Handel. Hierop werd bij brief van 23 mei 1961 afwijzend beschikt en tevens de invoervergunning geweigerd.

B — Het Italiaanse Ministerie van Buitenlandse Handel geeft een uiteenzetting van de feiten.

C — De Commissie merkt in hoofdzaak het volgende op : Het Ministeriële Besluit van 14 november 1960 werd genomen krachtens de wet no. 1407 van 13 november 1960, welker artikel 7 onder meer „voor zover de internationale overeenkomsten diet toelaten” de invoer der onderhavige artikelen verbood. Anderzijds werd in een rondschrijven van de minister van Financiën van 7 februari 1961 nader bepaald dat bedoeld produkt uitsluitend uit de E.E.G.-landen en binnen het kader der jaarlijkse globale contingenten mocht worden geïmporteerd. In genoemde brief van 23 mei 1961 zou men zich in gelijke zin hebben uitgesproken, waaraan nog werd toegevoegd dat binnen het kader van het E.E.G.-contingent een vergunning niet vereist is. „Het is niet gebleken, dat de firma Salgoil krachtens dit contingent waren heeft ingevoerd.” De Commissie schetst de ontwikkeling van de Italiaanse wetgeving met betrekking tot de onderhavige produkten (classificatie voor de douanerechten; liberaliserende of beperkende maatregelen ten aanzien van de onder een bepaalde tariefpost opgenomen produkten). Zij leidt hieruit af: dat er geen sprake kan zijn van schending van artikel 31 van het Verdrag, daar het bewuste produkt niet in de zin van bedoelde bepaling werd geconsolideerd; dat, nu de Italiaanse Regering een globaal contingent tot een beloop van 3 % van de nationale produktie van die waren beschikbaar heeft gesteld, Salgoil hoogstens het door genoemde Regering voor die produktie aangenomen cijfer zou mogen betwisten (zie artikel 33, paragraaf 2).

2. Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof

A — De vennootschap Salgoil betwist de competentie van het Hof niet.

B — Het Italiaanse Ministerie van Buitenlandse Handel meent: dat het Hof op grond van bepaalde principiële overwegingen (hieronder sub a), op geen der gestelde vragen bevoegdelijk zal kunnen antwoorden; en voorts, dat het Hof op grond van enkele bijzondere overwegingen (zie hieronder sub b) geen antwoord mag geven op de tweede vraag. De door het Gerechtshof van Rome opgeworpen vragen zijn voor de uitspraak in het hoofdgeding niet beslissend, daar de onderhavige produkten niet uit de Gemeenschap afkomstig zijn. Met betrekking tot de vraag sub b) behandelt het Ministerie allereerst zekere Italiaanse rechtsbegrippen en -opvattingen en merkt hierbij in het bijzonder op dat de bescherming der „subjectieve rechten” tot de bevoegdheid van de gewone rechter behoort en die van de „wettige belangen” tot de competentie van de administratieve rechter. Met zijn verzoek aan het Hof van Justitie om te „onderzoeken waarin de eventueel aan particulieren toegezegde rechtsbescherming bestaat”, heeft het Gerechtshof derhalve een vraag van nationaal recht opgeworpen. Hierop wijst ook het feit dat vraag b) categorieën oproept die aan het begrip „wettige belangen” doen denken.

C — Om gelijke redenen betwijfelt de Commissie de ontvankelijkheid van vraag b); zij meent echter dat men daarin een element van gemeenschapsrecht kan vinden, te weten de interpretatie van de woorden : „individuele rechten welker handhaving aan de nationale rechters kan worden gevraagd”.

3. Ten aanzien van vraag a)

A — De vennootschap Salgoil meent dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord en wel in hoofdzaak op de volgende gronden : Volgens vaste rechtspraak van het Hof en naar de heersende leer doen de verdragsregels voor particulieren rechtstreeks rechten en verplichtingen ontstaan. Dit volgt trouwens uit de fundamentele doelstellingen van het Verdrag; immers het beginsel van het vrije verkeer van goederen, van personen, enzovoort beantwoordt eerder aan de economische belangen van de particulier dan aan die van de Lid-Staten. Bovendien moeten bedoelde subjectieve rechten aangenomen worden uit hoofde van het openbare gemeenschapsbelang, hetwelk boven dat van elke Staat prevaleert. Deze interpretatie zou tenslotte nog bevestiging vinden in de bij de artikelen 173, 175 en 177 van het Verdrag aan het Hof toegekende competenties. Wat meer in het bijzonder de artikelen 30 en 31 van het Verdrag betreft: hun uitwerking op de particuliere belangen kan niet worden betwist. Bovendien vallen hun doelstellingen samen met die van andere bepalingen waarvan het Hof de onmiddellijke werking heeft erkend (de artikelen 12 en 95); deze eenheid blijkt overigens uit artikel 3, sub a). In het arrest 7-61 van 19 december 1961 (Jurisprudentie Deel VII, 1961, blz. 673 e.v.), heeft het Hof aan de Staten iedere discretionnaire bevoegdheid bij de toepassing van artikel 31 ontzegd. Laatstgenoemde bepaling bevat een duidelijk en onvoorwaardelijk verbod waarbij een concrete verplichting wordt opgelegd iets niet te doen; voor haar gelding is de tussenkomst van de nationale wetgever niet nodig. Zij kan dus zeer wel rechtstreekse werking hebben. De Lid-Staten hebben geen enkele bevoegdheid, hetzij discretionnair of gebonden, tot het verrichten van handelingen welke met artikel 31 in strijd zijn. Deze opvatting vindt nog bevestiging in de artikelen 224 en 226, die elke eenzijdige maatregel van een Staat uitsluiten.

B — Het Italiaanse Ministerie van Buitenlandse Handel betoogt met name het volgende : De artikelen 30 tot 37 van het Verdrag regelen een ingewikkelde wettelijke materie welke eerst door maatregelen van de zijde der Staten en de communautaire instellingen tot gelding komt. Men kan dus niet stellen dat particulieren deze artikelen mogen inroepen vóórdat bedoelde maatregelen zijn genomen. Het zelfde zou ook gelden indien het onderzoek tot de artikelen 30 en 31 beperkt bleef: artikel 30 is slechts van toepassing „onverminderd de volgende bepalingen”; het daarin neergelegde verbod dient derhalve te worden beschouwd in verband met de toepassing van bedoelde bepalingen door de Staten en de Gemeenschap; wat artikel 31 betreft: het zou tot verschillen van opvatting kunnen leiden tussen de nationale rechter en de Gemeenschap, indien men aannam dat eerstgenoemde, nog vóór de bevoegde instelling van de E.E.G. zich ter zake heeft uitgesproken, bevoegd is in een concreet geval uit te maken of er al dan niet sprake is van een „kwantitatieve beperking” of van een „maatregel van gelijke werking”.

C — De Commissie stelt in hoofdzaak het volgende: Ten aanzien van artikel 30 Deze bepaling is van algemene aard en wordt eerst in de artikelen 30 en 31 nader geconcretiseerd; zij heeft derhalve geen directe werking. Ten aanzien van artikel 31 De overwegingen op grond waarvan het Hof de directe werking van artikel 12 heeft aangenomen, gelden ook voor artikel 31, eerste lid. Niettemin heeft laatstgenoemde bepaling dergelijke werking slechts met betrekking tot de produkten opgenomen in de bij het tweede lid van genoemd artikel bedoelde lijsten, en met ingang van de in dat lid bedoelde kennisgeving. Ten aanzien van artikel 33 De paragrafen 4 e.v. van dit artikel kunnen geen rechtstreekse werking hebben, daar voor hun toepassing de tussenkomst van de Gemeenschap dan wel van de Staten nodig is. Van de paragrafen 1 tot en met 3 moet het tweede lid van paragraaf 2, waarin een beschikking van de Commissie wordt voorzien, buiten beschouwing blijven. De andere bepalingen van deze paragrafen, waarin een optreden van de Staten wordt geëist, schijnen aan laatstgenoemden geen waarderingsbevoegdheid te hebben gelaten, daar de begrippen „omzetting in globale contingenten” en „nationale produktie” van objectieve aard zijn. Niettemin zou de ervaring hebben geleerd — de Commissie betoogt dit in bijzonderheden — dat, nu de grondslagen en de methoden voor de berekening van deze waarden niet voldoende nauwkeurig zijn omschreven, het Verdrag aan de Lid-Staten een zekere beoordelingsmarge liet. Wat meer in het bijzonder de berekening van de nationale produktie betreft, noodzaakt de onvermijdelijke onnauwkeurigheid der statistieken veelal tot schattingen over te gaan. Samenvattend is de Commissie geneigd aan de paragrafen 1 tot en met 3 van artikel 33 een rechtstreekse werking toe te kennen „voor wat betreft de uitbreiding der contingenten”, doch „betwijfelt” de rechtstreekse werking van de bepalingen inzake de berekening van de „globale contingenten” en van de nationale produktie.

4. Ten aanzien van vraag b)

A — De vennootschap Salgoil tracht de vraag allereerst toe te lichten door een analyse van het Italiaanse recht (zie hierboven, 2 B, b). Voor het op deze vraag te geven antwoord neemt zij bepaalde argumenten over welke reeds met betrekking tot de vraag a) werden aangevoerd; voorts betoogt zij met name het volgende : De artikelen 30 en 31 verlenen aan de Italiaanse onderdanen subjectieve rechten. Deze opvatting vindt steun in de rechtspraak van het Hof en in het bijzonder in het arrest van 5 februari 1963 (26-62, Van Gend & Loos, Jurisprudentie Deel IX, 1963, blz. 25), waarbij werd beslist dat artikel 12 van het Verdrag „rechten schept welker handhaving aan de nationale rechters kan worden gevraagd”. Bovendien is het duidelijk dat een rechtstreeks toepasselijke norm volledige rechten doet ontstaan. Het zou een tegenstrijdigheid zijn een rechtstreekse bescherming van de particulier aan te nemen, doch anderzijds aan de Staat jegens die particulier een discretionnaire bevoegdheid toe te kennen waar het de toepassing van het Verdragsstelsel betreft. Aan deze overwegingen doen de artikelen 36, 224 en 226 van het Verdrag niet af, daar zij op uitzonderingsgevallen zien welke met de onderhavige zaak geen verband houden.

B — Het Italiaanse Ministerie van Buitenlandse Handel handhaaft exceptie van onbevoegdheid welke het met betrekking tot deze vraag heeft opgeworpen en stelt voorts dat, indien particulieren de desbetreffende artikelen al voor de nationale rechter mogen inroepen, zij zulks in Italië slechts voor de administratieve rechter zouden kunnen doen. Immers, bedoelde artikelen waarmede allereerst de samensmelting der markten wordt beoogd, richten zich voor alles tot de Staten. Derhalve zouden zij ten behoeve van particulieren hoogstens een „wettig belang” in de zin van het Italiaanse recht kunnen doen ontstaan.

C — De Commissie betoogt met name het volgende : Het Hof heeft beslist dat individuele rechten kunnen voortvloeien zowel uit de bepalingen waarbij een verplichting om iets te doen werd voorzien, als uit bepalingen waarin een verplichting om iets niet te doen werd neergelegd. De Commissie meent hieruit af te kunnen leiden, dat het gemeenschapsrecht de onderscheiding tussen „wettig belang” en „subjectief recht” niet kent. In dit verband wijst zij op 's Hofs arrest van 3 april 1968 (28-67, Molkerei-Zentrale, Jurisprudentie Deel XIV-3, 1968, blz. 219 en 220), waarin werd beslist: dat „argumenten ontleend aan de regels van nationaal recht niet kunnen worden ingeroepen tegen de in het Verdrag vervatte rechtsregelen”; dat het Verdrag „de nationale rechter niet beperkt in zijn bevoegdheid om, wanneer naar nationaal recht verschillende wegen kunnen worden bewandeld, zijn keuze te bepalen op middelen welke geeigend zijn om de door het gemeenschapsrecht verleende individuele rechten te waarborgen”. Op grond van een analyse der artikelen 36, 224 en 226 van het Verdrag, concludeert de Commissie dat deze bepalingen wegens hun uitzonderingskarakter eng moeten worden geïnterpreteerd en dat daarop derhalve geen beroep kan worden gedaan om de rechtstreekse werking te betwisten van de regel waaraan zij derogeren.

TEN AANZIEN VAN HET RECHT

Overwegende, dat het Gerechtshof te Rome, overeenkomstig artikel 177 van het Verdrag tot Oprichting van de E.E.G., bij een op 11 juli 1968 binnengekomen beschikking, gedateerd 9 juli 1968, twee vragen heeft voorgelegd nopens de interpretatie van de artikelen 30 e.v. van het Verdrag;

I — Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof

Overwegende, dat het Italiaanse Ministerie van Buitenlandse Handel, verweerder in het hoofdgeding, meent dat de door de verwijzende rechter voorgelegde vragen in haar geheel niet ontvankelijk zijn, daar verzuimd werd vast te stellen dat het geschil in de hoofdzaak betrekking heeft op handel tussen Lid-Staten;

dat het geschil in werkelijkheid de invoer van uit derde landen afkomstige produkten zou betreffen;

Overwegende evenwel, dat het Hof ingevolge artikel 177, waarin het beginsel der onderlinge onafhankelijkheid van de nationale en de communautaire rechter is neergelegd, geen kennis mag nemen van de feiten, noch ook zich uitspreken over de overwegingen, welke tot het verzoek om interpretatie hebben geleid;

dat dan ook, wanneer een nationale rechterlijke instantie om uitlegging van een gemeenschapsvoorschrift vraagt, moet worden aangenomen dat zij deze interpretatie voor de berechting van het geschil nodig acht;

dat het Hof van de nationale rechter derhalve geen uitdrukkelijke verklaring mag verlangen in die zin, dat hij de tekst, welks uitlegging hem geboden voorkomt, van toepassing acht;

dat, tenzij de verwijzing naar de desbetreffende tekst kennelijk onjuist is, het Hof op geldige wijze werd geadieerd;

dat de vraag, of een bepaling waarvan de interpretatie wordt gevraagd op het te berechten geval van toepassing is, niet tot de competentie van het Hof van Justitie, doch tot die van de verwijzende rechter behoort;

dat de voorgedragen exceptie derhalve niet kan slagen;

II — Ten aanzien van de eerste vraag

Overwegende, dat het Gerechtshof te Rome met zijn eerste vraag het Hof van Justitie verzoekt „te beslissen, of de bepalingen van de artikelen 30 e.v. van het Verdrag en in het bijzonder artikel 31, mede werking hebben voor de betrekkingen tussen een Lid-Staat en zijn onderdanen”;

dat de onderhavige vraag, gelet op de door het verwijzende gerecht verstrekte gegevens, uitsluitend betrekking schijnt te hebben op de artikelen 30, 31, 32, eerste lid en tweede lid laatste zin en 33, paragraaf 1 en paragraaf 2 eerste lid;

a) Overwegende, voor wat artikel 30 betreft, dat deze bepaling het verbod bevat van de quantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking, zulks onder toevoeging van het voorbehoud : „onverminderd de volgende bepalingen”; dat van de genoemde voorschriften de artikelen 31, 32 en 33 de strekking van dit verbod bij wijze van overgangsregeling nader bepalen; dat, nu het onderhavige geval behoort tot een tijdvak waarin bedoelde bepalingen van toepassing waren, de vraag welke strekking aan het in artikel 30 neergelegde verbod toekomt nadat de geciteerde artikelen buiten gelding waren geraakt, niet behoeft te worden onderzocht;

b) Overwegende, voor wat artikel 31 betreft, dat blijkens het eerste lid van deze bepaling „de Lid-Staten in hun onderling verkeer zich ervan onthouden nieuwe quantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking in te voeren”; dat in het tweede lid van hetzelfde artikel het liberalisatiepeil, hetwelk tot maatstaf dient voor het begrip „nieuwe beperkingen”, wordt aangegeven met een verwijzing naar de „besluiten van de Raad van Ministers der Organisatie voor Europese Economische Samenwerking van 14 januari 1955”; dat in laatstgenoemd lid voorts nader wordt bepaald dat de „Lid-Staten uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag hun lijsten der op grond van voornoemde besluiten geliberaliseerde produkten ter kennis van de Commissie brengen” en voorts, dat de „ter kennis gebrachte lijsten tussen de Lid-Staten onderling worden geconsolideerd”; Overwegende, dat artikel 31 vanaf het tijdstip waarop bedoelde lijsten werden medegedeeld, of uiterlijk na het verstrijken van de daartoe gestelde termijn, een duidelijk verbod inhoudt, waarbij een verplichting wordt opgelegd niet om te handelen, doch om zich van handelen te onthouden; dat de Lid-Staten aan deze verplichting geen enkel voorbehoud hebben verbonden in die zin, dat zij slechts tot uitvoering zou kunnen komen door een positieve nationale rechtshandeling, dan wel door tussenkomst van de instellingen der Gemeenschap; dat het verbod van artikel 31 naar zijn aard zeer wel rechtstreekse werking kan hebben voor de rechtsbetrekkingen tussen de Lid-Staten en hun onderdanen; dat bedoelde bepaling derhalve individuele rechten doet ontstaan, die de nationale rechter dient te handhaven;

c) Overwegende, voor wat betreft artikel 32, eerste lid, dat „de Lid-Staten zich” ingevolge deze bepaling „ervan onthouden in hun onderling handelsverkeer de op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit Verdrag bestaande contingenten en maatregelen van gelijke werking beperkender te maken”; dat deze bepaling om soortgelijke redenen als ten aanzien van artikel 31 gelden, naar haar aard een zelfde gevolg kan hebben ten aanzien van de rechtsbetrekkingen tussen de Lid-Staten en hun onderdanen;

d) Overwegende, voor wat betreft de bepalingen van artikel 32, laatste zin, alsmede van artikel 33, paragraaf 1 en paragraaf 2, eerste lid, dat hiermede de geleidelijke afschaffing gedurende de overgangsperiode wordt beoogd van de contingenten en maatregelen van gelijke werking, welke op het tijdstip van de inwerkingtreding van het Verdrag reeds bestonden; dat de laatste zin van artikel 32 het beginsel stelt, terwijl artikel 33 de modaliteiten regelt; dat deze bepalingen derhalve in haar geheel moeten worden onderzocht; Overwegende, dat de Lid-Staten, ingevolge artikel 33, paragraaf 1, verplicht waren om een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag „de voor andere Lid-Staten beschikbare bilaterale contingenten om te zetten in globale contingenten, welke zonder discriminatie voor alle andere Lid-Staten openstaan”; dat blijkens dezelfde paragraaf de Lid-Staten gehouden zijn al deze globale contingenten progressief op vastgestelde tijdstippen en volgens een bepaald ritme te verhogen; dat tenslotte in het eerste lid van de tweede paragraaf van artikel 33 volgens analoge criteria het ritme van verhoging wordt geregeld voor het geval van een „niet-geliberaliseerd produkt” waarvoor „het globale contingent minder dan 3 % van de nationale produktie van de betrokken Staat bedraagt”; Overwegende, dat deze bepalingen verplichtingen inhouden, welker nakoming en gevolgen niet van enige communautaire bestuurshandeling afhankelijk zijn; dat echter, waar het hier verplichtingen tot handelen betreft, moet worden onderzocht, of de Lid-Staten bij de nakoming daarvan over een vrijheid van beleid beschikken, die geëigend zou zijn het intreden van voornoemde werking geheel of gedeeltelijk uit te sluiten; Overwegende, dat de verplichting om „de bilaterale contingenten in globale contingenten om te zetten”, alsmede de begrippen „totale waarde” en „nationale produktie” een zekere beleidsvrijheid impliceren; dat toch, waar het Verdrag de grondslagen voor de berekening dezer waarden en de daartoe te volgen methoden niet nader aangeeft, verschillende opvattingen mogelijk zijn; dat artikel 32, laatste zin en artikel 33 uit hoofde van deze elementen in hun toepassing onvoldoende zijn bepaald om daaraan de meergenoemde onmiddellijke werking toe te kennen;

III — Ten aanzien van de tweede vraag

Overwegende, dat het Gerechtshof te Rome met zijn tweede vraag het Hof verzoekt

„te willen onderzoeken waarin de aldus tegenover de Staat aan de subjectieve rechten van een particulier verleende rechtsbescherming bestaat; d.w.z. te onderzoeken of de onderhavige normen voor het particuliere belang een rechtstreekse en onmiddellijke bescherming medebrengen welke voor de Staat, optredend als overheidsgezag, iedere discretionnaire bevoegdheid uitsluit om in strijd met dit belang te handelen, of dat, daarentegen, bedoelde normen — met name gezien in verband met de bepalingen der artikelen 36, 224 en 226 van het Verdrag — rechtstreeks uitsluitend gericht zijn op de bescherming van de openbare belangen der Lid-Staten binnen het kader der Gemeenschap en of zij, bijgevolg, zijn gegeven om allereerst en rechtstreeks de verenigbaarheid van zijn bestuursoptreden met deze belangen te verzekeren, zodat zou moeten worden aangenomen enerzijds, dat iedere Lid-Staat tegenover zijn onderdanen de bevoegdheid behield beperkingen van de import in te voeren en anderzijds, dat — gelet op het openbare belang van die Staat en niet op het particuliere belang der individuele betrokkenen — de onderhavige normen van het Verdrag uitsluitend de wettelijke uitoefening van deze bevoegdheid raken, doch niet haar bestaan”;

dat, nu deze vraag slechts werd gesteld voor het geval de eerste bevestigend zou worden beantwoord, zij uitsluitend behoeft te worden onderzocht met het oog op die bepalingen, waaraan hierboven onmiddellijke werking werd toegekend;

1. Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof

Overwegende, dat het Italiaanse Ministerie van Buitenlandse Handel, verweerder in de hoofdzaak, stelt dat deze vraag niet ontvankelijk is;

dat toch genoemd Gerechtshof met zijn verzoek aan het Hof van Justitie om „te willen onderzoeken waarin” de mogelijk aan particulieren verleende rechtsbescherming „bestaat”, een punt van nationaal recht zou hebben opgeworpen;

Overwegende, dat dit middel niet kan slagen, daar de onderhavige vraag de interpretatie van gemeenschapsrecht betreft;

dat zij een aanvulling vormt op de eerste vraag, voor zover zij ziet op de aard en de omvang der gevolgen, die het Verdrag aan de desbetreffende bepalingen verbindt;

2. Ten principale

Overwegende, dat uit de grondbeginselen en de doelstellingen van het Verdrag volgt, dat de bepalingen van de artikelen 31 en 32, eerste lid, deel zijn gaan uitmaken van de nationale rechtsorde en daarin thans rechtstreeks van toepassing zijn;

dat, ook al doen zich in een Staat bepaalde ingewikkelde situaties voor, zulks het rechtskarakter van een rechtstreeks toepasselijk voorschrift van gemeenschapsrecht niet vermag te wijzigen en dit te minder nu de communautaire rechtsregel in alle Lid-Staten in gelijke mate tot gelding moet komen;

dat de bepalingen der artikelen 31 en 32 de overheid en met name de bevoegde rechter der Lid-Staten de plicht opleggen tot handhaving van die belangen der onderdanen, welke mogelijk door een miskenning van bedoelde bepalingen geschonden werden, zulks bij wege van een rechtstreekse en onmiddellijke bescherming en ongeacht de naar nationaal recht bestaande verhouding tussen deze belangen en het openbaar belang;

dat de nationale rechtsorde de bevoegde rechter moet aanwijzen die deze bescherming behoort te handhaven en zij daartoe voorts moet aangeven hoe de aldus te beschermen individuele positie van de rechtsgenoot dient te worden gekwalificeerd;

Overwegende, dat aan de artikelen 36, 224 en 226 van het Verdrag geen argument in tegenovergestelde zin kan worden ontleend;

dat deze bepalingen weliswaar aan het belang der Lid-Staten een bijzonder gewicht toekennen, doch hierbij dient te worden opgemerkt, dat zij nauwkeurig omschreven uitzonderingsgevallen betreffen en geenszins extensief mogen worden geïnterpreteerd;

Overwegende, dat derhalve op de onderhavige vraag dient te worden geantwoord dat, voor zover bij de onderhavige bepalingen aan de justitiabelen rechten worden toegekend die de nationale rechter dient te handhaven, deze laatste gehouden is de bescherming van die rechten te verzekeren, terwijl de rechtsorde van elk der Lid-Staten de bevoegde rechterlijke instantie moet aanwijzen en daartoe genoemde rechten heeft te kwalificeren naar maatstaven van nationaal recht;

IV — Ten aanzien van de kosten

Overwegende, dat de kosten van de Commissie der Europese Gemeenschappen, die haar opmerkingen heeft ingezonden, niet terugvorderbaar zijn;

dat de procedure ten aanzien van partijen als een in de loop van het geding voor het Gerechtshof te Rome gerezen incident moet worden beschouwd, zodat laatstgenoemde rechter over de kosten heeft te beslissen;

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Gerechtshof te Rome bij zijn beschikking van 9 juli 1968 voorgelegde vragen, verklaart voor recht:

1. Vanaf het tijdstip waarop de lijsten der geliberaliseerde produkten werden medegedeeld of uiterlijk na het verstrijken van de daartoe in artikel 31, tweede lid, van het E.E.G.-Verdrag gestelde termijn, heeft genoemd artikel onmiddellijke werking voor de betrekkingen tussen een Lid-Staat en zijn justitiabelen en schept het ten behoeve van laatstgenoemden rechten die de nationale rechter dient te handhaven;

2. Artikel 32, eerste lid, heeft dezelfde werking en schept dezelfde rechten;

3. De nationale rechter is gehouden de bij voornoemde artikelen toegekende rechten te waarborgen, terwijl de rechtsorde van elke Lid-Staat de bevoegde rechterlijke instantie moet aanwijzen en daartoe bedoelde rechten heeft te kwalificeren naar maatstaven van nationaal recht;

en voorts :

4. Verstaat, dat het Gerechtshof te Rome over de kosten van de onderhavige instantie zal beslissen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Rechtspraak

4

België

2

Rechtbank van eerste aanleg25/1056/A20.04.2026

Cateringdienst

Rechtbank van eerste aanleg25/1056/A20.04.2026

Seminarie, Verschillende BTW-tarieven

Europese Unie

2

Conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo ColomerC-284/0304.05.2004

Vrijgestelde handelingen, verhuur van onroerende goederen

Conclusie van advocaat-generaal Roemer9/7017.09.1970

EEG-Verdrag art. 74 en art. 80

Bekijk de 4 documenten

Rechtsleer

8
Brinkhorst, L.J.: Ars aequi 1969 p.228-232 (NL)
Brinkhorst, L.J.: Salgoil v. Ministry of Foreign Commerce of the Italian Republic. Case 13/68. Decision of December 19, 1968. Preliminary ruling on request of the Court of Appeal of Rome, Italy, Common Market Law Review 1969, Volume 6, Issue 4, p. 478-488 (EN)
Emmerich, Volker: Juristische Schulung 1969 p.235-236 (DE)
Meier, Gert: Deutsches Verwaltungsblatt 1969 p.451-454 (DE)
Berri, Mario: Il divieto delle restrizioni quantitative tra gli Stati membri della Comunità economica europea in un giudizio incidentale d'interpretazione a norma dell'art. 177 del Trattato CEE, promosso da un giudice italiano, Giustizia civile 1969 I p.558-563 (IT)
Bekijk de 3 andere verwijzingen
Selvaggi, Carlo: Giurisprudenza italiana 1969 I Col.1-6 (IT)
Булюи, Жан ; Шевалие, Роже-Мишел: Директен ефект - последици, Най-важни решения на Cьда на Eвропейските общности (Ed. Институт по Европейско право - Sofia) 2007 р.106-108 (BG)
Banu, Mihai: Hotǎrâre cu titlu preliminar. Competențe ale Curții şi ale instanțelor naționale., Revista română de drept al afacerilor 2009 nº 01 p.133-146 (RO)