Boekhouding. Omzet. Vermoeden. Bewijs. Bewijskracht van de boekhouding. Controlemaatregel. Inventaris · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

M01 3 juli 1974

Zoeken

Boekhouding. Omzet. Vermoeden. Bewijs. Bewijskracht van de boekhouding. Controlemaatregel. Inventaris

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/m01-boekhouding-omzet-vermoeden-bewijs-bewijskracht-122a

Nummer
M01
Datum
3 juli 1974

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

11 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer buitengewone zitting 1973-1974 blz. 401

Boekhouding - Omzet - Vermoeden - Bewijs - Bewijskracht van de boekhouding - Controlemaatregel - Inventaris

VRAAG

Groothandelaars, die geen volledige boekhouding erop nahouden, doen BTW-aangiften op grond van verkoopfacturen zoals de BTW-wetgeving voorschrijft.

ANTWOORD

Anderzijds, aangezien het beheer van de inkomstenbelastingen met deze methode geen vrede zou nemen wegens ontbrekend inventarisboek, zijn zij verplicht in de aangifte van de personenbelasting een forfaitaire berekening te maken op basis van hun aankoopfacturen.

Dit brengt mee dat het werkelijk verkoopbedrag, zoals aangegeven in de BTW-aangiften, steeds zal verschillen met het theoretisch verkoopbedrag dat zal blijken uit de forfaitaire berekening in de aangifte van de personenbelasting.

Graag vernamen wij van de heer Minister of de administratie van de BTW het recht heeft bijkomende BTW-belastingen te vragen op het verschil tussen deze twee resultaten ?

Antwoord: Krachtens artikel 59, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde kan de Administratie van de BTW steeds bewijzen dat de gegevens van de boekhouding van een belastingplichtige niet overeenstemmen met de werkelijkheid. Bovendien bevat artikel 64 van dit Wetboek een wettelijk vermoeden waardoor iedereen die verkrijgt of produceert om te verkopen behoudens tegenbewijs, geacht wordt geleverd te hebben onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Wanneer de Administratie van de Directe Belastingen, bij gebrek aan inventarissen, de omzet van een belastingplichtige berekent vertrekkende van zijn inkopen, dan past zij in feite, zich beroepende op de artikelen 245 en 246 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, slechts de redenering toe die aan de basis ligt van de twee bovengenoemde vermoedens.

De Administratie van de BTW kan dan ook altijd het vermoeden, dat vervat ligt in de berekening van de omzet inzake de inkomstenbelastingen, inroepen voor de invordering van de belasting die verschuldigd is over het verschil tussen het bedrag van de ontvangsten dat blijkt uit de vergelijking van de bedoelde berekening met de aangegeven ontvangsten inzake BTW.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 591 voorkomen
WBTW art. 641 voorkomen