Dienst. Verhuur van roerende lichamelijke goederen. Maatstaf van heffing. Schadevergoeding · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

E1005 3 mei 1993

Zoeken

Dienst. Verhuur van roerende lichamelijke goederen. Maatstaf van heffing. SchadevergoedingDienst. Verhuur van roerende lichamelijke goederen. Maatstaf van heffing. Schadevergoeding in geval van diefstal of vernieling van het gehuurde goed

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/e1005-dienst-verhuur-roerende-lichamelijke-goederen-0b82

Nummer
E1005
Datum
3 mei 1993

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

14 paragrafen

Vr. en Antw., Europees Parlement

Dienst - Verhuur van roerende lichamelijke goederen - Maatstaf van heffing - Schadevergoeding in geval van diefstal of vernieling van het gehuurde goed

VRAAG

Huurcontracten die betrekking hebben op roerende goederen vallen, met uitzondering van vervoermiddelen, onder artikel 9, lid 2, onder e), van de Zesde Richtlijn en zijn onderworpen aan B.T.W.-heffing in de Lid-Staat waar de huurder gevestigd is.

Deze lange-termijnhuurcontracten bevatten meestal een clausule die de huurder verplicht tot het betalen van schadevergoeding in geval van diefstal of vernieling van het gehuurde goed.

1. Kan de Commissie bevestigen dat indien aan de verhuurder betaalde schadevergoeding gelijk is aan de verkoopwaarde van het goed ten tijde van het verlies, deze schadevergoeding niet binnen de in artikel 4 van de richtlijn vastgelegde werkingssfeer van de B.T.W. valt?

In feite wordt door deze vergoeding de schade van het verlies van het verhuurde goed hersteld, en is er geen sprake van een tegenprestatie voor een door de verhuurder verleende dienst (zie arrest van het Hof van 1 juli 1982, zaak 222/81).

2. Indien een schadevergoeding wordt vastgesteld die hoger is dan het bedrag van de waarde van het goed op de dag van het verlies,

- moet de verhuurder dan een verdeling van de schadevergoeding toepassen, met dien verstande dat het bedrag van de verkoopwaarde van het goed niet aan B.T.W.-heffing is onderworpen en het restant belastbaar is?

- wat gebeurt er indien de verhuurder een dergelijke verdeling niet toepast?

- geldt altijd het in artikel 9, lid 2, onder e), van de richtlijn omschreven territorialiteitsbeginsel of is hier sprake van een operatie die losstaat van het oorspronkelijk contract (artikel 9, lid 1, van de richtlijn) (B.T.W.-heffing in het land van vestiging van de verhuurder)?

ANTWOORD

In het door het geachte Parlementslid vermelde geval is het mogelijk dat het langlopend huurcontract wordt ontbonden ten gevolge van vernieling of diefstal van het gehuurde goed. In artikel 11, onder c), van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG), wordt bepaald dat in deze omstandigheden de maatstaf van heffing dienovereenkomstig wordt verlaagd. Elke betaling van huur, laat staan van schadevergoeding, verliest dan zijn hoedanigheid van tegenprestatie voor een dienst.

De richtlijn staat de Lid-Staten evenwel toe onder de in artikel 20, lid 1, onder b), gestelde voorwaarden, de verhuurder van het gestolen goed een heffing op te leggen die overeenstemt met de belastingaftrek bij de aankoop van het goed in kwestie.

Aangehaalde teksten

3