Vr. en Antw., Kamer, nr. 96, 1996-1997, blz. 13035-13037
BTW-Revue nr. 131, blz. 1158
Factuur zonder BTW-nummer.
VRAAG
Sommige controleurs verwerpen de BTW-aftrek voor de afnemer van een dienst of goed gewoon omdat de leverancier zijn BTW-nummer niet op de factuur heeft vermeld.
1. Is die sanctie niet volstrekt onevenredig aan de aard van de fout?
2. Waarom moet de afnemer van het goed of de dienst worden gestraft voor de onachtzaamheid van zijn medecontractant?
3. Is een in het buitenland gevestigd bedrijf dat diensten verleent zoals bedoeld bij artikel 21, § 3, 7°, van het BTW-wetboek en aan een in België gevestigde koper levert, wettelijk verplicht het BTW-nummer van zijn in België gevestigde klant op zijn facturen te vermelden?
ANTWOORD
1. en 2. Overeenkomstig artikel 3, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde moet de belastingplichtige medecontractant om zijn recht op aftrek op rechtmatige wijze te kunnen uitoefenen ten aanzien van de belasting geheven van de hem geleverde goederen en/of verleende diensten, in het bezit zijn van facturen opgemaakt overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, dit wil zeggen van facturen welke verplichtend een zeker aantal vermeldingen moeten bevatten zoals de identiteit van de betrokken partijen en bijgevolg onder meer ook hun BTW-identificatienummer.
De omstandigheid dat het recht op aftrek ondergeschikt is aan het bezit van een regelmatige factuur doet weliswaar geen afbreuk aan het recht op aftrek op zich, maar geldt zonder meer als voorwaarde voor de uitoefening van dit recht.
Het eisen van een regelmatige factuur is immers noodzakelijk om een correcte inning van de BTW en de controle ervan door de fiscale administratie te verzekeren. Dit blijkt overigens uit de rechtspraak van het Hof van justitie van de Europese Gemeenschappen en het Hof van cassatie. De administratie moet immers in staat zijn vast te stellen dat het recht op aftrek waarop een medecontractant zich beroept, overeenstemt met de betaling van de verschuldigde BTW door de leverancier hetgeen met zich brengt dat deze zijn BTW- identificatienummer vermeldt op de factuur.
Wanneer de factuur niet regelmatig is of onvolledig ten aanzien van de bepalingen van het voornoemde koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, weigert de administratie in principe de aftrek van de belasting. Die bepalingen worden echter met een zekere soepelheid toegepast, waarbij de bevoegde administratie geval per geval beslist rekening houdende met alle feitelijke en wettelijke elementen. Tenslotte is het vanzelfsprekend dat het recht op aftrek in de regel wordt geweigerd ten aanzien van fictieve facturen die niet gebaseerd zijn op belastbare, werkelijk verrichte economische handelingen.
3. In het door het geacht lid beoogde geval, verricht de in het buitenland gevestigde dienstverrichter een handeling die krachtens artikel 21, § 3, 7°, van het BTW-wetboek, in België plaatsvindt en waarvoor zijn klant schuldenaar is van de belasting.
Met toepassing van artikel 55, eerste lid, van voormeld wetboek, is betrokken dienstverrichter ervan ontslagen een aansprakelijk vertegenwoordiger in België te laten erkennen.
Evenwel dient hij, in beginsel, de verplichtingen na te komen die de Belgische reglementering eist op het vlak van de vermeldingen op de factuur, zoals onder meer het BTW-identificatienummer van de klant.