Vr. en Antw., Senaat, 2000-2001, nr. 2-35, blz. 1712-1713
BTW-Revue nr. 152, blz. 592
Autocarreizen - Grensoverschrijdend vervoer
VRAAG
Autocarondernemers moeten, wanneer ze naar of door Duitsland reizen, een BTW-heffing betalen op de omzet die ze in Duitsland realiseren. Twee situaties kunnen zich voordoen.
Als de bus, enerzijds, een EU-buitengrens passeert (dus grenzen van Duitsland met Polen, Tsjechië en Zwitserland) dient de verschuldigde BTW, naar rato van 1,4 pfennig per persoon en per afgelegde (of af te leggen) kilometer, bij de douane te worden afgerekend.
Wanneer er, anderzijds, geen buitengrenzen worden gepasseerd, en men dus geen douane tegenkomt, moet de omzet via een maand- of kwartaalaangifte worden aangegeven. Uiteindelijk moet er ook nog een jaaraangifte worden ingediend.
Graag kreeg ik in dit verband van de geachte minister een antwoord op volgende vragen:
1. In welke andere landen van de Europese Unie moet een dergelijke BTW-heffing worden betaald?
2. Dienen buitenlandse autobussen, in casu Duitse, BTW te betalen in ons land? Zo ja, hoe hoog zijn de opbrengsten die hieruit voortvloeien? Zo neen, waarom niet?
3. Werden over dit thema al gesprekken gevoerd met de Europese partners? Zo ja, wat was hiervan het resultaat? Zo neen, denkt de geachte minister niet dat het in deze noodzakelijk is te komen tot een gelijkschakeling? Welke stappen worden overwogen?
ANTWOORD
1. Overeenkomstig artikel 9.2, b), van de zesde BTW-richtlijn, wordt grensoverschrijdend vervoer van personen per autocar aan de BTW onderworpen in elke lidstaat waar het vervoer effectief plaatsvindt en zulks naar verhouding van de afgelegde afstand. Artikel 28, § 3, b), van de zesde BTW-richtlijn - in combinatie met punt 17 van bijlage F - van dezelfde richtlijn geeft de lidstaten evenwel de mogelijkheid totdat terzake anders wordt beslist, om de diensten van personenvervoer die vóór de inwerkingtreding van de zesde BTW-richtlijn reeds waren vrijgesteld, te blijven vrijstellen onder de op dat tijdstip vigerende voorwaarden. Uit de informatie die de administratie ter beschikking heeft, blijkt dat twee lidstaten (Groot-Brittannië en Ierland) het vervoer van personen per autocar op hun grondgebied krachtens voormelde bepalingen van de zesde BTW-richtlijn vrijstellen van BTW. In de andere lidstaten zal of zou er op deze diensten derhalve een BTW-heffing moeten plaatsvinden.
2. Het bezoldigd vervoer van personen per autocar is een dienst beoogd in artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het BTWWetboek. Bij toepassing van artikel 21, § 3, 3°, van voorvermeld wetboek is deze dienstverrichting onderworpen aan de Belgische BTW in de mate waarin het vervoer hier te lande wordt verricht. Deze belasting is in beginsel overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, van dit wetboek verschuldigd door de niet in België gevestigde autocaronderneming.
Voor het vervoer van personen per autocar dient een niet in België gevestigde vervoeronderneming in principe, bij toepassing van artikel 55, eerste lid, van het voorvermeld wetboek, door of vanwege de minister van Financiën een in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen. De aansprakelijke vertegenwoordiger zal, voor rekening van de niet in België gevestigde autocaronderneming, de verschuldigde BTW die blijkt uit de periodieke BTW-aangiften die hij in België voor laatstgenoemde indient, aan de Schatkist voldoen.
In afwijking van het bovenvermeld principe kunnen de voorvermelde niet in België gevestigde vervoerondernemingen, op basis van artikel 55, vierde lid, van het BTW-Wetboek worden ontslagen van de verplichting om een aansprakelijke vertegenwoordiger in België aan te stellen. Dit ontslag wordt toegekend door het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen in de vorm van een vergunning. Deze wordt verleend op voorwaarde dat de hogergenoemde belastingplichtige in België periodiek - trimestrieel of jaarlijks - een "spontane BTW-aangifte" indient waarin verschillende gegevens met betrekking tot de activiteit in België worden medegedeeld.
De vergunning kan echter nooit worden verleend in de volgende twee gevallen indien de netto verschuldigde BTW op jaarbasis groter is dan 300.000 frank:
1. wanneer de buitenlandse vervoerder geregeld binnenlands personenvervoer verricht in België (plaats van vertrek en plaats van aankomst bevinden zich in België);
2. wanneer de buitenlandse vervoerder volgens een geregelde dienst personenvervoer verricht vanuit het buitenland naar België en/of omgekeerd.
Indien de netto verschuldigde BTW op jaarbasis kleiner is dan 300.000 frank, kan zelfs in de twee hierboven beschreven gevallen de bijzondere regeling worden toegepast.
De BTW met betrekking tot het in België afgelegde traject is in het geval waarin de niet in België gevestigde belastingplichtige bovengenoemde vergunning heeft bekomen, bij toepassing van artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 31 van 29 december 1992 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen, verschuldigd door de medecontractant wanneer laatstgenoemde hetzij een BTW-belastingplichtige betreft gehouden tot het indienen van periodieke BTW-aangiften in België, hetzij een in België gevestigde BTW-belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon betreft gehouden tot het indienen van bijzondere BTW-aangiften in België. In de andere gevallen is de BTW verschuldigd door de voormelde niet in België gevestigde vervoeronderneming.
De Belgische BTW dient te worden berekend op basis van de werkelijke prijs met betrekking tot het op het Belgisch grondgebied afgelegde traject in het kader van de bedoelde vervoerdienst. Laatstgenoemde prijs is het gedeelte van de totale prijs met betrekking tot het in België afgelegde traject.
De voor het jaar 1998 ingediende spontane BTW-aangiften resulteren in een netto verschuldigde BTW van, afgerond, 22.900.000 frank. Dit bedrag omvat uiteraard niet de verschuldigde BTW met betrekking tot de handelingen verricht door de buitenlandse vervoerondernemingen waarvoor de belasting wordt voldaan door hun aansprakelijke vertegenwoordiger of door hun medecontractant.
De administratie beschikt niet over de nodige statistieken die een uitsplitsing van het hogervermelde bedrag mogelijk maken volgens het land van vestiging van de aangever. Het is evenwel zo dat ongeveer 30% van voorvermelde niet in België gevestigde vervoerondernemingen die een vergunning hebben bekomen waardoor ze worden ontslagen van de verplichting tot erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger en die spontane BTWaangiften indienen, Duitse vervoerondernemingen zijn.
3. Met het oog op de progressieve realisatie van de interne markt, werd er in 1992 getracht een dialoog tot stand te brengen tussen de Europese partners op grond van een voorstel van de Commissie tot wijziging van het BTW-regime inzake vervoer van personen over de weg en via binnenwateren [doc. COM(92) 416 final, PBEG C-307 van 25 november 1992]. Bij gebrek aan enige substantiële vooruitgang in het dossier werd het voorstel in 1997 terug ingetrokken [beslissing nr. 97/C 2/02, PBEG C-2 van 4 januari 1997]. Uit de mededeling van de Commissie in juni 2002 met betrekking tot de nieuwe strategie inzake BTW [doc. COM(2000) 348 final] blijkt dat een regeling van deze problematiek als dusdanig noch als doelstelling op korte termijn noch als doelstelling op langere termijn wordt vooropgesteld. In afwezigheid van een voorstel van de Commissie, die in de communautaire wetgevingsprocedure het exclusieve initiatiefrecht heeft, kan er momenteel geen dialoog plaatsvinden tussen de Europese partners om de terzake toepasselijke BTW-regeling te wijzigen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.