BTW-plicht. Gemeenten. Verlenen van rechten op de exploitatie van kampeerterreinen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

713 1 april 2005

Zoeken

BTW-plicht. Gemeenten. Verlenen van rechten op de exploitatie van kampeerterreinen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/713-btw-plicht-gemeenten-verlenen-rechten-2513

Nummer
713
Datum
1 april 2005

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

17 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 085, blz. 14738-14740

BTW-plicht - Gemeenten - Verlenen van rechten op de exploitatie van kampeerterreinen

VRAAG

Krachtens artikel 6, § 1, van het BTW-Wetboek worden de gemeenten niet als BTW-belastingplichtige aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen.

Artikel 6, § 2, van het BTW-Wetboek geeft aan de Koning de bevoegdheid om ze voor deze werkzaamheden of handelingen als belastingplichtige aan te merken voor zover een behandeling als nietbelastingplichtige tot concurrentieverstoring van enige betekenis zou leiden.

Bovendien laat artikel 6, § 3, de Koning toe om de handelingen te bepalen waarvoor, voor zover deze niet van onbeduidende omvang zijn, de bovengenoemde lichamen steeds als belastingplichtige worden aangemerkt.

Met deze bepaling heeft men de openbare sector en de privé-sector op gelijke voet willen stellen ten aanzien van de uitoefening van concurrerende economische werkzaamheden waarin de openbare lichamen niet als openbare overheid optreden.

Het koninklijk besluit nr. 26 van 2 december 1970 (Belgisch Staatsblad van 5 december 1970) geeft een limitatieve opsomming van de publiekrechtelijke lichamen die als BTW-belastingplichtige worden aangemerkt evenals van de werkzaamheden of handelingen ten aanzien waarvan de publiekrechtelijke lichamen als BTW-belastingplichtige worden aangemerkt. In uitvoering van dit besluit worden de gemeentediensten en -regies voor de exploitatie en het verlenen van rechten op de exploitatie van een kampeerterrein als BTW-belastingplichtige beschouwd.

1. Mag het "verlenen van rechten op de exploitatie van een kampeerterrein" als een concessie in de administratiefrechtelijke betekenis van de term worden gezien?

2. Dient er, wat de onderwerping van de publiekrechtelijke lichamen aan de BTW betreft, een onderscheid te worden gemaakt tussen de concessie van de exploitatie van een kampeerterrein en een contract inzake de onroerende verhuur van een plaats om te kamperen?

ANTWOORD

(minister van Financiën, 30.06.2005)

1. De woorden "verlenen van rechten op de exploitatie van een kampeerterrein" omvatten daadwerkelijk het begrip concessie in de zin van het administratief recht maar eveneens, in ruimere zin, alle door de diensten en de regieën van de provincies en van de gemeenten, net zoals de openbare instellingen verleende rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen, in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het BTW-Wetboek, in onderhavig geval de werkzaamheid van exploitant van een camping.

2. In dit opzicht wens ik het geachte lid er op te wijzen dat de administratieve rechtspraak, zich steunend op het precair karakter van de terbeschikkingstellingen van gebouwen van het openbaar domein, er tot op heden altijd van is uitgegaan dat deze terbeschikkingstellingen geen onroerende verhuren vormden vrijgesteld door artikel 44, § 3, 2°, eerste lid, van het BTW-Wetboek, maar moesten worden beschouwd als diensten beoogd in artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het BTW-Wetboek. Voormelde diensten zijn aan de BTW onderworpen en verlenen bijgevolg de openbare instellingen de hoedanigheid van belastingplichtige met recht op aftrek.

Dit standpunt moet echter worden herzien in het licht van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Het Hof van Justitie heeft inderdaad herhaaldelijk in herinnering gebracht dat de vrijstellingen beoogd in artikel 13 van de Zesde richtlijn (omgezet in Belgisch recht in artikel 44 van het BTW-Wetboek) autonome communautaire rechtsbegrippen zijn, die tot doel hebben om op het stuk van de toepassing van de BTW verschillen te voorkomen ten gevolge van de toepassing van de eigen regels van het burgerlijk recht van iedere lidstaat.

In deze arresten heeft het Hof verklaard dat het begrip verhuur van onroerende goederen in de zin van artikel 13, B, sub b), van de zesde richtlijn (omgezet in artikel 44, § 3, 2°, voornoemd) in wezen inhoudt dat de eigenaar van een onroerend goed de huurder tegen betaling van huur voor een overeengekomen tijdsduur het recht verleent zijn goed te gebruiken en andere personen daarvan uit te sluiten.

Bovendien heeft het Hof van Justitie onlangs in het arrest, dat het heeft gewezen op 18 november 2004 (zaak C-284/03, Belgische Staat tegen Temco Europe NV), verduidelijkt dat het begrip onroerende verhuur eveneens van toepassing is op een overeenkomst die het verlenen van een precair gebruiksrecht onder bezwarende titel tot doel heeft, wanneer deze overeenkomst in hoofdzaak de terbeschikkingstelling van ruimtes of oppervlakten in gebouwen beoogt.

De administratie heeft mij haar analyse van de desbetreffende rechtspraak van het Hof van Justitie en de daarmee verband houdende gevolgen bezorgd. Deze analyse wordt momenteel in de schoot van mijn kabinet onderzocht.

Aangehaalde teksten

5

Administratieve doctrine

1

« VRAAG 05/1008 Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 112, blz. 21097-21099 Heffing op dominiale concessies - Hof van Justitie - Arrest Temco VRAAG Op mijn schriftelijke vraag nr. 713 van 1 april 2005 over de BTW-plicht van gemeenten met betrekking tot de concessie voor het exploiteren van een kampeerterrein antwoordde u dat de administratieve rechtspraak er tot op heden altijd van is uitgegaan dat het ter beschikking stellen van gebouwen van het openbaar … »

Heffing op dominiale concessies. Hof van Justitie. Arrest TemcoParlementaire vraag24.11.2005

Bekijk het document