Fraude op de BTW-grondslag. Percentage per sector · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

699 15 maart 1994

Zoeken

Fraude op de BTW-grondslag. Percentage per sector

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/699-fraude-btw-grondslag-percentage-per-ee32

Nummer
699
Datum
15 maart 1994

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

56 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat

Fraude op de BTW-grondslag - Percentage per sector

VRAAG

Volgens de studie van professor Frank over de belastingfraude en de onderschatting van de belastingen in België bereikt de fiscale fraude op de BTW-grondslag per bedrijfssector de volgende percentages voor het begrotingsjaar 1970:

Fraude op de grondslag (in pct.)
Bedrijfssector
Landbouw, veeteelt, bosbouw20,3
Veeslachterij, vleesconserven31,5
Zuivelnijverheid6,3
Bakkerij en banketbakkerij22,9
Kleding en schoenen, textiel9,0
Houten meubels5,9
Tweedehandse voertuigen17,0
Juwelen50,0
Herstelling van duurzame goederen28,6
Bouw en civiele techniek:
Klein onderhoud50,0
Bouw van woningen17,0
Vervoer over de weg (taxi's...)31,7
Herstelling en onderhoud van motorvoertuigen9,8
Diensten (onderhoud, hotels, cafés, restaurants)13,9

Uit het eerste rapport van juni 1973 van de werkgroep van het ministerie van Financiën belast met het onderzoek van de studie van professor Frank blijkt het volgende:

a) De noodzakelijke elementen voor de berekening van de fraudepercentages zijn medegedeeld door de administratie van de BTW (blz. 56 van het rapport);

b) De fraude op de BTW-grondslag zou voor het betrokken jaar oplopen tot 10,5 pct.;

c) De fraude op de grondslag zou volgens een eerste onderzoek kunnen overeenstemmen met de cijfers die door professor Frank aangehaald zijn, aldus luiden de conclusies van de werkgroep (blz. 57 van het rapport).

Volgens het tweede rapport van december 1975 van de werkgroep van het ministerie van Financiën zou de fraude op de BTW-grondslag na herberekening 10,3 pct. bedragen (blz. 14 van het rapport).

Uit recente dossiers (bijvoorbeeld de zaak- K••••••• : BTW-fraude op goud; de zaak- Ceres : fraude in de bakkerijsector; de carrouselfraude in de hifi-sector en de sector dure wagens) en recente regeringsbeslissingen (bijvoorbeeld de invoering van de medeverantwoordelijkheid inzake het BTW-briefje in de horecasector) blijkt dat er in talrijke sectoren nog steeds een aanzienlijke fraude voorkomt die meestal een georganiseerd karakter heeft.

Kan de geachte minister een antwoord verstrekken op de volgende vragen:

1. Kan uw administratie, op basis van de beschikbare gegevens en rekening houdend met de jongste wijzigingen op het vlak van de inning van de BTW (bijvoorbeeld de afschaffing van de BTW op tweedehandse voertuigen) alsmede op het vlak van de informatisering van de belastinggegevens, de juistheid bevestigen dan wel ontkennen van de door professor Frank aangehaalde fraudepercentages, die volgens een eerste onderzoek met de werkelijkheid overeenstemmen?

2. Wat zijn de resultaten per bedrijfssector?

3. Van welke omvang zijn naar verwacht de BTW-inkomsten die zo verloren zijn gegaan voor de Schatkist?

ANTWOORD

1 tot 3. Op basis van de actuele, onmiddellijk beschikbare gegevens, is de administratie niet in staat om de door professor Frank voorgestelde cijfers te ontkrachten of te bevestigen.

In dit opzicht moet ik de aandacht van het geachte lid vestigen op de omstandigheid dat zowel in België als in het buitenland verschillende instanties zijn overgegaan tot studies om de fiscale fraude te ramen maar dat de resultaten, die soms zeer uiteenlopend zijn, doorgaans in geen geval werden aanvaard.

Verschillende redenen kunnen deze situatie verklaren:

- Er bestaat geen uniforme definitie van het begrip fiscale fraude;

- Het is onmogelijk om over betrouwbare cijfers te beschikken met betrekking tot een «zwarte markt», die per definitie verborgen is;

- De verscheidene waarderingsmethoden kunnen zeer uiteenlopend zijn;

- Rekening houdend met de orde van grootte van de te behandelen cijfers en met de waarderingsmethoden uiten kleine verschillen hij de beginhypothesen zich in enorme verschillen bij de eindresultaten.

Hoewel ik niet echt gekant ben tegen een dergelijke studie, stel ik mij toch vragen omtrent haar opportuniteit: ik vrees dat de daartoe vereiste middelen in wanverhouding staan met de bruikbare informatie die ze zou kunnen verstrekken.

Ik ben dan ook veeleer voorstander van een pragmatische aanpak van de fraude. Een beter gestructureerde administratie, een controlebeleid heraangepast aan de actuele economische situatie, een betere samenwerking met Justitie en een intensievere internationale samenwerking vormen onder meer middelen waarin ernstige inspanningen moeten worden geïnvesteerd, en waarop de administratie zich moet toeleggen.

(Vr. en Antw., Senaat, G.Z. 1993-94, nr. 124)

De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De tekst is nergens anders gewijzigd.

Administratieve doctrine

1

« … Hoeveel controles werden uitgevoerd in 1991, 1992 en 1993 ? Welke is het bedrag van de eventueel gerecupereerde BTW en accijnsrechten ? ANTWOORD 1. Voor het antwoord op de eerste vraag, verwijs ik het geachte lid naar mijn antwoord op de parlementaire vraag nr. 699, van 15 maart 1994 , gesteld door de heer senator Daerden. 2. Het tegengaan van de ontduiking van de BTW en de accijnzen behoort tot de opdrachten van de fiscale administraties die de geviseerde belastingen onder hun bevoegdheid hebben. Administratie van de BTW, Registratie … »

Accijnsrecht. Controles. Strijd tegen de fiscale fraudeParlementaire vraag12.08.1994

Bekijk het document