ANTWOORD
Vooral de personen die hun woning volledig door erkende aannemers en vaklieden hebben laten maken zonder ook maar iets zelf aan hun woning gedaan te hebben, kunnen niet akkoord gaan met deze bijbetaling van BTW.
Daarenboven hebben de BTW-ambtenaren cijfermateriaal dat voor het ganse land is opgesteld ook al zijn er streken in België waar de prijzen veel lager liggen dan in andere. Limburg hoort zeker nog bij de streken waar de prijzen gunstiger liggen.
Kunt U me daarom meedelen of iemand die zijn woning volledig heeft laten bouwen nadien nog BTW moet bijbetalen omdat de schatting van de BTW-ambtenaar, gebaseerd op gegevens die overal hetzelfde zijn, hoger ligt dan het bedrag van alle facturen ?
Bestaat er een mogelijkheid om het land in gewesten in te delen wat betreft het cijfermateriaal?
Antwoord: Overeenkomstig de artikelen 36, § 1, b), en 32, tweede lid, van het BTW-Wetboek, mag de maatstaf van heffing ten aanzien van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op op te richten gebouwen niet lager zijn dan de normale waarde van dat werk, dit is de prijs die hier te lande voor het werk kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen.
De Administratie van de BTW, registratie en domeinen heeft aan haar ambtenaren richtlijnen gegeven waarmee die normale waarde kan worden vastgesteld.
Met betrekking tot woningen opgericht met courante bouwmaterialen werden geen noemenswaardige verschillen vastgesteld in de aannemingsprijzen toegepast in alle streken van het land, zodat voor de controle van de maatstaf van heffing van werk in onroerende staat dat betrekking heeft op de oprichting van dergelijke woningen dezelfde normale waarden in geheel het land kunnen worden toegepast. Die vaststelling kan onder meer worden verklaard door het feit dat de werkzaamheid van aannemers niet beperkt is tot één streek.
Bovendien geven de BTW-ambtenaren blijk van een zeer grote gematigdheid bij het vaststellen van de normale oprichtingsprijs.
Het geacht Lid mag er bijgevolg van overtuigd zijn dat de door de administratie vastgestelde maatstaf van heffing niet meer bedraagt dan de prijzen die algemeen worden toegepast in de streek waar het gebouw is gelegen.
Het is niet onmogelijk dat de bouwheer bij sommige aannemers gunstiger prijzen heeft kunnen bedingen dan de prijzen die normaal in de streek toepasselijk zijn. In dergelijk geval is de eigenaar, bij toepassing van artikel 36, § 1, b), van het BTW-Wetboek, BTW verschuldigd over die hogere normale waarde (zie antwoord op de vraag nr. 1 bis van 14 oktober 1975 (1) van de heer Volksvertegenwoordiger Olivier, bulletin van Vragen en Antwoorden nr. 2 van 12 november 1975, Kamer, zitting 1975-1976 en op de vraag nr. 275 van 17 september 1982 (2) van Mevr. de Volksvertegenwoordiger De Meester-De Meyer, bulletin van Vragen en Antwoorden nr. 40 van 12 oktober 1982, Kamer, zitting 1981-1982).
(1) Z. Revue nr. 24, blz. 92, nr. 6, art. 64, § 4, BTW-Wetboek. (2) Z. Revue nr. 56, blz. 49, nr. 9, art. 32, BTW-Wetboek.