Parlementaire vraag nr. 626 van de heer Steven Matheï d.d. 15.09.2021
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2020-2021, QRVA 55/067 d.d. 26.10.2021, blz. 197
Vraag nr. 626 van De heer volksvertegenwoordiger Steven Matheï van 15 september 2021 (N.) aan de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding:
Btw jeugdhuizen.
VRAAG
In haar beslissing van 5 november 2015 heeft de administratie uiteengezet dat jeugdhuizen wat betreft de exploitatie van de drankgelegenheid die voor iedereen toegankelijk is geen beroep kunnen doen op artikel 44, § 2, 2° van het Btw-Wetboek dat bepaalt dat de diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk, met de sociale zekerheid en met de bescherming van kinderen en jongeren en die worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard worden erkend vrij worden gesteld van btw. Maar bij wijze van tolerantie aanvaardt men dat de vrijstelling toch van toepassing is wanneer de door het jeugdhuis gerealiseerde jaarlijkse omzet in het kader van een dergelijke drankgelegenheid niet meer dan 50.000 euro bedraagt.
Via een gewijzigde versie van deze beslissing (E.T. 128.632 van 5 november 2015 (gewijzigde versie)) liet de administratie weten dat het omzetplafond van de tolerantie verhoogd werd naar 80.000 euro.
Jeugdhuizen die op jaarbasis minder dan 80.000 euro omzet halen uit de drankgelegenheid die voor iedereen toegankelijk is, die minder dan 25.000 euro omzet halen uit commerciële activiteiten (kleine ondernemingsvrijstelling) en die geen maaltijden verkopen, zijn momenteel vrijgesteld van btw.
Wanneer men niet aan deze drie voorwaarden voldoet, wordt het jeugdhuis gemengd btw-plichtig.
Omwille van de sterke stijging van de drankprijzen en het feit dat dat de omzetgrens van 80.000 euro niet wordt geïndexeerd, vrezen heel wat jeugdhuizen btw-plichtig te worden. Dit zorgt voor een grotere kost voor het jeugdhuis die zou kunnen resulteren in een prijsstijging. Ook schrikt administratie die gepaard gaat met deze btw-plicht heel wat potentiële jonge vrijwilligers af.
1. Wordt een nieuwe interpretatie van de hierboven beschreven wetgeving overwogen? Zo ja, welke aanpassing plant u wanneer? Zo nee, waarom niet?
2. Hoe staat u tegenover een verhoging van het plafondbedrag naar 100.000 euro? Overweegt u het plafondbedrag te verhogen naar 100.000 euro? Zo ja, wanneer zal deze verhoging doorgevoerd worden? Zo nee, waarom niet?
ANTWOORD
van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding van 22.10.2021:
1. De handelingen die tot de normale werkzaamheden behoren van jeugdhuizen en jeugdclubs die er op gericht zijn jongeren de mogelijkheid te bieden om in hun vrije tijd deel te nemen aan tal van sociaal-culturele activiteiten ter bevordering van hun algemene ontwikkeling en maatschappelijke integratie en die door de bevoegde overheid erkend zijn als instelling van sociale aard, zijn van de btw vrijgesteld op grond van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek.
Genoemde bepaling is de omzetting van artikel 132, lid 1, g) en h), van de Btw-richtlijn 2006/112/EG van de raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.
Volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moeten de vrijstellingen van artikel 132 van de Btw-richtlijn strikt worden uitgelegd omdat zij afwijkingen zijn van het algemeen beginsel dat btw wordt geheven over elke levering of dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht.
In de meeste jeugdhuizen wordt in het kader van de vrijgestelde activiteiten een drankgelegenheid uitgebaat die zich meestal in de ontmoetingsruimte bevindt. Voor de dranken en kleine versnaperingen die bij een dergelijke uitbating worden verstrekt, is de hierboven genoemde vrijstelling in principe van toepassing, met name indien de bij de uitbating door de jeugdhuizen gestelde handelingen kunnen worden beschouwd als zijnde gesteld in het kader van hun doelstelling ten bate van de jeugd. Concreet betekent dit dat aanvaard wordt dat de uitbating van de drankgelegenheid wordt gezien als een geheel van handelingen ten bate van de jeugd en dus vrijgesteld is indien die drankgelegenheid alleen toegankelijk is voor de bij het jeugdhuis aangesloten leden.
Anderzijds is de exploitatie van een drankgelegenheid die voor iedereen, dus publiekelijk, toegankelijk is, intrinsiek vreemd aan de sociale doelstelling van een jeugdhuis (namelijk de jeugdbescherming die als een doelstelling van algemeen belang wordt beschouwd) zodat de vrijstelling van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek in dat geval, in principe, niet van toepassing is ten aanzien van de omzet die daarbij wordt gerealiseerd. Er worden in die omstandigheden immers dranken verschaft aan personen die volledig vreemd zijn aan het doelpubliek dat in de vrijstellingsbepaling wordt beoogd en waarbij dat doelpubliek dus niet de eind-ontvanger is van de betrokken handelingen.
In de gepubliceerde administratieve beslissing nr. E.T.128.632 van 5 november 2015 heeft mijn administratie, bij wijze van administratieve tolerantie, toch aanvaard dat er in het geval van een exploitatie door een jeugdhuis van een drankgelegenheid die voor iedereen toegankelijk is, geen belemmering is voor de toepassing van de vrijstelling indien cumulatief aan twee voorwaarden voldaan is:
- het jeugdhuis verschaft geen maaltijden onder bezwarende titel, ook geen lichte maaltijden;
- de gerealiseerde omzet in het kader van de exploitatie van een dergelijke drankgelegenheid bedraagt niet meer dan 80.000 euro.
Deze beslissing had als doel om op een genuanceerde en evenwichtige manier rechtszekerheid te verschaffen, waarbij tegelijk toch een aanvaardbare tegemoetkoming werd gedaan voor de sector zelf zonder een onaanvaardbare concurrentieverstoring te laten voortbestaan.
Ik heb momenteel niet de intentie deze tolerantie te wijzigen of op te heffen.
2. Er mag niet uit het oog verloren worden dat de drempel van 80.000 euro reeds merkelijk hoger ligt dan de drempel van 25.000 euro die geldt voor de algemene vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen (artikel 56bis van het Btw-Wetboek). Dit is eveneens het geval ten opzichte van de drempel van 25.000 euro die de administratie hanteert in verband met de mogelijkheid van het al dan niet aanwezig zijn van potentiële concurrentieverstoring van enige betekenis en dus de al dan niet belastingplicht in hoofde van publiekrechtelijke lichamen de zin van artikel 6 van het Btw-Wetboek.
Het is bijgevolg voor mij niet vanzelfsprekend om de drempel van 80.000 euro te verhogen, wetende dat ze een toestand bestendigt die afwijkt van wat mogelijk is volgens de Btw-richtlijn.
Een eventuele toekomstige herziening dient in elk geval te gebeuren op basis van objectieve gegevens.