Vr. en Antw., Kamer, 1993-1994, nr. 78, blz. 7418-7420
BTW. - Buitenlandse belastingplichtigen.
VRAAG
In uw antwoord op vraag nr. 31 van 30 maart 1992 van de heer Duquesne (zie bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, 1991-1992, nr. 9, blz. 438) schreef u dat de in het buitenland gevestigde belastingplichtigen de verplichtingen die door de Belgische BTW-wetgeving zijn opgelegd, slechts door bemiddeling van een aansprakelijke vertegenwoordiger moeten vervullen wanneer ze hier te lande handelingen verrichtingen waarvoor ze schuldenaar zijn van de belasting. U achtte het bovendien normaal dat de ambtenaren van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen zich ervan verzekeren dat die buitenlandse ondernemingen in België werkelijk zulke handelingen zullen verrichten alvorens ze voor de BTW te registreren, en u preciseerde dat de voorlegging van een geschreven contract nuttig kan zijn.
In de praktijk schijnt de BTW-controledienst belast met de registratie van de buitenlandse belastingplichtigen systematisch de voorlegging van een contract te eisen en de inschrijving te weigeren als de belastingplichtige, die nog aan het prospecteren is, geen contract kan voorleggen. Dat is bijzonder hinderlijk voor de ondernemingen werkzaam in de bouwsector. In die sector is het namelijk gebruikelijk dat de bouwheer, vooraleer een contract te sluiten, nagaat of de aannemer wel is geregistreerd in de zin van de artikelen 400 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en 30bis van de wet betreffende de sociale zekerheid. Die registratie kan echter niet worden toegekend aan een onderneming die niet vooraf bij de BTW is ingeschreven.
Een buitenlandse onderneming kan dus geen BTW-inschrijving bekomen omdat zij geen contract heeft en kan geen contract sluiten omdat zij, bij gebrek aan BTW-inschrijving, niet als aannemer kan worden geregistreerd. Omdat zij niet als aannemer kan worden geregistreerd, kan de buitenlandse onderneming bovendien het verminderde tarief van 6 % niet toepassen op bepaalde renovatiewerken aan particuliere woningen die meer dan twintig jaar oud zijn en wordt dus haar concurrentiepositie geschaad.
1. Brengt het feit dat tot elke prijs een contract moet worden voorgelegd voor de buitenlandse ondernemingen, geen nadelen mee die niet in verhouding staan tot het door de administratie nagestreefde doel?
2. Is de Belgische Staat, wanneer de aldus ontstane situatie betrekking heeft op in andere lidstaten van de Gemeenschap gevestigde ondernemingen, niet in overtreding met het gemeenschapsrecht, en meer bepaald met artikel 59 van het Verdrag van Rome over het vrij verkeer van diensten binnen de Gemeenschap?
3. Zou het ten slotte en meer algemeen niet aangewezen zijn de inschrijvingsprocedure voor de buitenlandse belastingplichtigen te versoepelen en maatregelen te treffen om die thans erg lange procedure te versnellen nu de BTW-overgangsregeling, uitgewerkt op grond van richtlijnen 91/680/EEG en 92/111/EEG, veel ondernemingen verplicht een BTW-inschrijving in andere lidstaten te nemen, eventueel door een fiscaal vertegenwoordiger aan te duiden?
4. Zou het voorts niet wenselijk zijn de in België geldende procedures aan te passen aan de minder ingewikkelde procedures van de overige lidstaten van de Gemeenschap, althans wat de in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen betreft?
ANTWOORD
1 en 2. Het standpunt dat werd ingenomen in het antwoord op de vraag nr. 31, van 30 maart 1992, van de heer Duquesne (zie bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, nr.9, 1991-1992, blz. 438) is in overeenstemming met de richtlijn 77/388/EEG zoals die met het oog op de afschaffing van de fiscale grenzen werd gewijzigd door de richtlijnen 91/680/EEG en 92/111/EEG.
In verband met het door het geacht lid gestelde probleem bepaalt artikel 22, lid 1, c), van genoemde richtlijn dat belastingplichtigen moeten worden geïdentificeerd onder een individueel nummer wanneer ze in het binnenland leveringen van goederen of diensten verrichten die recht op aftrek doen ontstaan, andere dan dienstverrichtingen waarvoor uitsluitend de ontvanger belasting verschuldigd is overeenkomstig artikel 21, lid 1, b), van die richtlijn.
Gelet op de in het voorgaande lid bedoelde bepaling en op het belang dat een BTW-identificatienummer heeft tijdens de overgangsregeling is het evident dat aan een in het buitenland gevestigde onderneming slechts een dergelijk nummer wordt toegekend wanneer die onderneming op een of andere wijze kan aantonen dat zij effectief in België handelingen zal verrichten en dat die handelingen niet uitsluitend betrekking hebben op de terbeschikkingstelling van personeel. Immers wanneer de dienstverrichting bestaat uit de terbeschikkingstelling van personeel is de Belgische BTW bij toepassing van artikel 51, § 2, 1°, a), van het BTW-wetboek verschuldigd door de klant en kan aan de buitenlandse dienstverrichter geen BTW- identificatienummer worden toegekend.
Ik ben er mij echter ten volle van bewust dat de BTW-reglementering op het stuk van het toekennen van identificatienummers moeilijkheden teweegbrengt voor de in het buitenland gevestigde ondernemingen bij de procedure van erkenning als geregistreerde aannemer voor de toepassing van artikel 400 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en van artikel 30bis, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid van arbeiders, aangezien voor een dergelijke erkenning een BTW- identificatienummer is vereist. Ik heb aan de Administratie der directe belastingen en aan de Administratie van de BTW, registratie en domeinen de opdracht gegeven om naar een aanvaardbare oplossing voor die moeilijkheden te zoeken.
3 en 4. Wat meer algemeen de formaliteiten betreft voor het toekennen van een Belgisch BTW-identificatienummer aan in het buitenland gevestigde ondernemingen acht ik het opportuun vooraleer eventueel grondige wijzigingen te overwegen, de resultaten af te wachten van het onderzoek dat de EEG-Commissie momenteel verricht voor de harmonisering van de procedure van de fiscale vertegenwoordiging in de twaalf lidstaten.