Parlementaire vraag nr. 610 van de heer Josy Arens d.d. 09.09.2021
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2020-2021, QRVA 55/067 d.d. 26.10.2021, blz. 181
Vraag nr. 610 van De heer volksvertegenwoordiger Josy Arens van 09 september 2021 (Fr.) aan de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding:
Termijn voor de indiening van aanvragen tot teruggave van Belgische btw door buiten België gevestigde belastingplichtigen.
VRAAG
Bent u het eens met de interpretatie van het hof van beroep Brussel, dat in een arrest van 3 december 2019 geoordeeld heeft dat België door de teruggavetermijnen enkel in koninklijke besluiten en niet in het Btw-Wetboek op te nemen, de Europese bepalingen inzake de termijn voor de btw-teruggave aan buitenlandse belastingplichtigen niet correct omgezet heeft en dat bijgevolg enkel de bij artikel 82bis van het Btw-Wetboek bepaalde termijn op zulke aanvragen tot teruggave van toepassing is?
ANTWOORD
van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding van 22.10.2021:
Ik heb kennis genomen van dat arrest van het hof van beroep van Brussel van 3 december 2019. De administratie deelde de analyse van het hof van beroep niet en heeft daarom ook Cassatieberoep aangetekend tegen dit arrest. In een arrest van 25 juni 2021 verwierp het Hof van Cassatie dit beroep en oordeelde dat de administratie bij verzoeken om teruggaaf van btw ingediend door belastingplichtigen die niet op het grondgebied van de Unie zijn gevestigd geen beroep kon doen op de termijn voorzien in artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake de belasting over de toegevoegde waarde. De reden hiervoor is strijdigheid met de bepalingen van het Btw-Wetboek betreffende de verjaringstermijn voor teruggaaf, in het bijzonder artikel 82bis van het Wetboek.
Aangezien dit een definitief oordeel is, kan ik daar geen verdere inhoudelijke commentaar over kwijt. Het is echter duidelijk dat een dergelijke beslissing een wetgevende interventie vereist om de lacune in de wet, die door het Hof van Cassatie is opgeworpen, te verhelpen. Deze noodzakelijke correctie moet echter ook binnen het kader van de ter zake geldende Europese reglementering passen.
Overeenkomstig het artikel 15 van de Richtlijn 2008/9/ EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in Richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn, moet het verzoek om teruggaaf van dergelijke belastingplichtige worden ingediend uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar volgend op de teruggaaftijdvak bij de lidstaat van vestiging. Deze vervaltermijn is, via een delegatie aan de Koning gegeven door artikel 76, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek, omgezet in artikel 12 van koninklijk besluit nr. 56 van 9 december 2009 met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf.
Bovendien bepaalt het artikel 3 van de dertiende Richtlijn 86/560/EEG van de Raad van 17 november 1986 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen, dat de teruggaaf aan niet op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen, onderwerp van het voor het hof van beroep en het Hof van Cassatie voorgelegde geschil, niet kan geschieden onder voorwaarden die gunstiger zijn dan deze die gelden voor belastingplichtigen die zijn gevestigd binnen de Unie. Bijgevolg werd artikel 9, § 2, van koninklijk besluit nr. 4 in 2010 gewijzigd om de termijn voor het indienen van een teruggaafverzoek voor niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen in overeenstemming te brengen met de termijn voorzien in artikel 12 van koninklijk besluit nr. 56, namelijk uiterlijk 30 september van het jaar volgend op het teruggaaftijdvak.
Artikel 82bis van het Wetboek bepaalt echter dat de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten verjaart na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. Concreet betekent dit dat een verzoek tot teruggaaf door een niet in België gevestigde belastingplichtige volgens de redenering van het Hof van Cassatie moet worden aanvaard tot 31 december van het derde jaar volgend op het jaar waarin de oorzaak van teruggaaf is ontstaan, wat in de regel het moment is waarop de belasting opeisbaar is geworden.
De beslissing van het Hof van Cassatie, die de verenigbaarheid van deze regels beoordeelt in het licht van de hiërarchie der normen op nationaal niveau, impliceert dat de termijnen voorzien in artikel 9, § 2, van koninklijk besluit nr. 4 (wat betreft verzoeken om teruggaaf door niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen) en, naar analogie, in artikel 12 van koninklijk besluit nr. 56 (met betrekking tot verzoeken om teruggaaf door in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen) moeten worden opzijgezet, zodra ze potentieel meer beperkend zijn voor de betrokken belastingplichtigen omdat ze veel korter zijn, ten gunste van de langere verjaringstermijn met betrekking tot de vordering tot teruggaaf van de belasting voorzien in artikel 82bis van het Wetboek.
Aangezien een dergelijke benadering in strijd is met een correcte omzetting van de voormelde richtlijnen 2008/9/ EG en 86/560/EEG, zal deze situatie zeer snel worden verholpen in een aanstaande wet om expliciet in het Wetboek te bepalen dat de voorziene vervaltermijnen voor de indiening van teruggaafverzoeken door niet in België gevestigde belastingplichtigen afwijken van de verjaringstermijn voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, voorzien in artikel 82bis van het Wetboek. Deze wijziging zal dit probleem definitief verduidelijken door de huidige regels, die ten gronde worden behouden omdat ze in overeenstemming zijn met het Unierecht waarvan ze de correcte omzetting vormen, onaanvechtbaar te maken.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.