Autonome gemeenteregieën · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

580 29 januari 2001

Zoeken

Autonome gemeenteregieën

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/580-autonome-gemeenteregieen-moriau-gemeentebedrijf-05dd

Nummer
580
Datum
29 januari 2001

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

16 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2001, nr. 066 , blz. 7387-7388

Autonome gemeenteregieën

VRAAG

De eerste autonome gemeenteregie van het Waals Gewest, «Seneffe l'interactive», werd in 1998 opgericht om het dagelijks beheer van het gemeentelijk informaticanetwerk waar te nemen. Ze vervult ook een commerciële functie, namelijk de verkoop van voor het beheer van de gemeentebesturen ontwikkelde softwareprogramma's.

Om die regieën de mogelijkheid te bieden aan de BTW onderworpen handelsactiviteiten te ontwikkelen, had het koninklijk besluit nr. 26 van 2 december 1970 (tot precisering van de activiteiten van de autonome regieën) geactualiseerd moeten worden, wat niet gebeurde.

1. Bent u gelet op het ernstig nadeel dat de voornoemde regie door die lacune ondervindt, van plan het koninklijk besluit van 2 december 1970 te wijzigen door er de activiteiten die het koninklijk besluit van 10 april 1995 vermeldt, in op te nemen?

2. Indien niet, hoe bent u dan van plan de autonome gemeenteregie voor informatica en de niet in het koninklijk besluit nr. 26 van 2 december 1970 vermelde regieën fiscaal te behandelen?

3. Is er tussen een informaticaregie die niet BTW-plichtig is en een particuliere vennootschap die de BTW die zij op haar aankopen betaalt, mag aftrekken geen sprake van oneerlijke concurrentie?

ANTWOORD

Overeenkomstig artikel 6 van het BTW-Wetboek, worden de Staat, de gemeenschappen en de gewesten van de Belgische Staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en de openbare instellingen niet als belastingplichtige aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen. De Koning merkt ze evenwel als belastingplichtige aan voor deze werkzaamheden of handelingen voor zover een behandeling als niet-belastingplichtige tot concurrentieverstoring van enige betekenis zou leiden en Hij bepaalt de handelingen waarvoor, voor zover ze niet van onbeduidende omvang zijn, de bovengenoemde lichamen steeds als belastingplichtige worden aangemerkt.

Volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen stelt deze bepaling de niet-belastingplicht afhankelijk van de voorwaarde dat het gaat om het uitoefenen van een activiteit door een publiekrechtelijk lichaam en dat de uitoefening van deze werkzaamheden zou worden verricht «als overheid», dat wil zeggen in het kader van het specifiek voor hen geldende juridisch regime (zulks is het geval wanneer de uitoefening van de werkzaamheden het gebruik van prerogatieven van de overheidsmacht omvat). In deze mate sluit zij van de niet-belastingplicht de werkzaamheden uit die de lichamen niet als subjecten van publiek recht, doch als privaatrechtelijke rechtssubjecten verrichten. Het zijn de modaliteiten van de uitoefening van de werkzaamheid die toelaten om de draagwijdte te bepalen van de niet-belastingplicht en niet het voorwerp of het doel van die werkzaamheden. Het enige zekere criterium om die twee categorieën werkzaamheden te onderscheiden is bijgevolg het juridisch regime dat naar nationaal recht van toepassing is. Wanneer zij evenwel handelen onder dezelfde juridische voorwaarden als particuliere economische subjecten zouden zij in de regel niet worden geacht werkzaamheden uit te oefenen «als overheid».

Bovendien stelt dit hof nog dat moet verzekerd worden dat publiekrechtelijke lichamen belastingplichtig zijn voor de door hen als overheid verrichte werkzaamheden, wanneer deze werkzaamheden ook in concurrentie met die lichamen door particulieren kunnen worden verricht, indien hun niet-belastingplicht kan leiden tot concurrentieverstoring van enige betekenis. Hier wordt het geval beoogd van de publiekrechtelijke lichamen die werkzaamheden uitoefenen in het kader van het specifiek voor hen geldende juridisch regime, die ook door particulieren in concurrentie met die lichamen kunnen worden verricht onder een regeling van privaat recht of nog op basis van administratieve toegevingen.

Tenslotte voegt voornoemde bepaling een bijkomende beperking toe aan de regel van de niet-belastingplicht van deze lichamen naast, enerzijds, het feit dat het moet gaan om werkzaamheden verricht als overheid en, anderzijds, dat de niet-belastingplicht niet mag leiden tot concurrentieverstoring van enige betekenis. Deze aanvullende beperking wil vermijden dat bepaalde categorieën van economische activiteiten waarvan het belang voortvloeit uit hun voorwerp zouden onttrokken worden aan de BTW om reden dat zij worden uitgeoefend door publiekrechtelijke lichamen als overheid en voor zover de bedoelde werkzaamheden niet van onbeduidende omvang zouden zijn. Het gaat terzake om de handelingen vernoemd in bijlage D bij de zesde richtlijn nr. 77/388/EEG, overgenomen in nationaal recht in het koninklijk besluit nr. 26 van 2 december 1970 met betrekking tot het onderwerpen van de openbare instellingen aan de belasting over de toegevoegde waarde.

De gemeentebedrijven, met uitzondering van deze waarvan de activiteiten uitdrukkelijk zijn opgenomen in het koninklijk besluit nr. 26 van 2 december 1970 met betrekking tot het onderwerpen van de openbare instellingen aan de belasting over de toegevoegde waarde, zijn aldus geen BTW-belastingplichtigen.

Het begrip «gemeentebedrijf» dient echter limitatief begrepen te worden en omvat slechts de bij artikel 261 van de gemeentewet omschreven gemeentelijke inrichtingen of diensten die worden georganiseerd als bedrijven en beheerd buiten de algemene diensten van de gemeente om.

Wat daarentegen de autonome gemeentebedrijven met rechtspersoonlijkheid betreft bedoeld in artikel 263bis van de gemeentewet op grond waarvan de Koning de activiteiten van commerciële of industriëleaard bepaalt waarvoor de gemeenteraad een autonoom gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid kan oprichten, heeft de minister van Binnenlandse Zaken op een amendement om de autonome gemeentebedrijven aan de (al)gemene belastingregeling, BTW-regeling, enz., te onderwerpen geantwoord dat het amendement overbodig is, gezien het autonoom gemeentebedrijf als rechtspersoon automatisch onderworpen is aan de voornoemde fiscale bepalingen (zie amendement van de heer Bertouille , nr. 18, Parl. St. , Kamer, 1994-1995, nr. 1677/3 en verslag namens de commissie voor de Binnenlandse Zaken, de Algemene Zaken en het Openbaar Ambt, nr. 1677/4). De autonome gemeentebedrijven vallen met andere woorden, wat de op hen toepasselijke BTW-regeling betreft, niet onder de bepalingen van voornoemd artikel 6 van het BTW-Wetboek maar onder de normale regels inzake belastingplicht beoogd door artikel 4 van dit wetboek.

Aangehaalde teksten

3

Administratieve doctrine

14

« … zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend” 33. In een antwoord op parlementaire vraag nr. 580 van 29 januari 2001 (Moriau), die betrekking had op het btw-statuut van autonome gemeenteregieën, bevestigde de minister dat de autonome gemeentebedrijven met rechtspersoonlijkheid onderscheiden van de gemeente, onder de normale regels van de belastingplicht vallen en beoogd … »

Onroerende financieringshuur, artikel 44, § 3, 2°,b) WBTWVoorafgaande beslissing26.05.2015

Bekijk de 14 documenten