Vr. en Antw., Kamer, nr. 61, 1996-1997, blz. 8119-8121
Bull. nr. 769, blz.. 482
Procedure van taxatie en invordering - Verjaring
VRAAG
Door de bevoegde controledienst der directe belastingen (vennootschappen) en bij toepassing van artikel 256 WIB (oud) over de inkomsten van het jaar 1987 wordt een bericht van wijziging toegezonden aan een vennootschap houdende een wijziging van het belastbaar inkomen in hoofde van de vennootschap en een wijziging van het belastbaar inkomen in hoofde van de vennoten. Wijzigingen waarmee de betrokken vennootschap en vennoten niet akkoord kunnen gaan.
Na ontvangst van het aanslagbiljet inzake directe belastingen, in hoofde van de vennootschap, wordt binnen de wettelijke termijn, een bezwaar ingediend bij het bevoegde directiekantoor der directe belastingen.
Na verloop van tijd wordt bij beslissing van het directiekantoor der directe belastingen, meegedeeld aan de vennootschap, dat het standpunt van de administratie behouden blijft.
Wat betreft het belastbaar inkomen in hoofde van de vennoten dient de aanslag te worden afgewacht. Na verloop van tijd blijkt, dat het bevoegde controlekantoor der directe belastingen (particulieren) in hoofde van de vennoten, geen aanslag heeft gevestigd, gezien de wettelijke termijn hiervoor was verstreken.
Enkele jaren nadien, wordt er door het bevoegde controlekantoor der BTW een bedrag van 25 % BTW gevorderd van de vennootschap op de voordelen van alle aard in hoofde van de vennoten.
In antwoord op een bezwaar laat de administratie der BTW weten aan de vennootschap, dat men zich steunt op een kennisgeving, overgemaakt door het controlekantoor der belastingen en wijst het bezwaar af.
1. Kan de BTW-administratie overgaan tot invordering van BTW bij een vennootschap, op voordelen van alle aard in hoofde van de vennoten, door de Administratie der directe belastingen overgemaakt bij eenvoudige kennisgeving, rekening houdend met het feit dat de bevoegde diensten der directe belastingen nooit zijn overgegaan tot inkohiering van de bijzondere aanslag als bedoeld in artikel 33 WIB (wet van 7 december 1988), noch dat er een definitieve vaststelling is gebeurd ?
2. Zijn de rechten op verdediging niet grondig geschonden, aangezien men enkel bezwaar kan indienen tegen een uitvoerbaar verklaard kohier ?
3.
a) Is de eenvoudige kennisgeving voldoende als vaststelling ?
b) Zo ja, welk verhaal kan de belastingplichtige hiertegen laten gelden ?
ANTWOORD
De BTW is slechts opeisbaar indien het bewijs wordt geleverd dat een volgens het BTW-Wetboek belastbare handeling heeft plaatsgevonden, hetgeen in de regel gebeurt door middel van een proces-verbaal bedoeld in artikel 59, § 1, van hetzelfde Wetboek, waarbij in casu wordt vastgesteld dat het verleende voordeel van alle aard het voorwerp uitmaakt van een met BTW belastbare levering of dienstverrichting. Een eenvoudige kennisgeving is derhalve onvoldoende tot staving van de opeisbaarheid van de verschuldigde BTW.
Niettemin zal de Administratie van de BTW, registratie en domeinen het bedrag van het vastgestelde voordeel gebruiken om de verschuldigde BTW in hoofde van de vennootschap te berekenen wegens het verleende voordeel. De omstandigheid dat inzake directe belastingen er ter zake geen inkohiering is gebeurd, tast de vordering inzake BTW niet aan daar deze op het stuk van de verjaring aan haar eigen regels is onderworpen (BTW-Wetboek art. 81).
Wanneer de betrokken vennootschap de aldus vastgestelde verschuldigde BTW betwist, kan zij onverminderd de toepassing van artikel 84 van het BTW-Wetboek tegen het lastens haar uitgevaardigd dwangbevel ter invordering van de verschuldigde belasting, de fiscale geldboeten en de interesten, steeds een met reden omkleed verzet met dagvaarding doen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.