Mondelinge parlementaire vraag nr. 56003910C van de heer Steven Mattheï d.d. 01.04.2025
Kamer, Integraal verslag – Commissie voor de Financiën, 2024-2025, CRIV 56 COM 110 d.d. 01.04.2025 blz. 22
De btw-vrijstelling voor jeugdhuizen
VRAAG
(van de heer Matheï)
Steven Matheï (cd&v): Er bestaat een btwvrijstelling van 25.000 euro voor kleine ondernemingen. Sinds 1 januari 2016, onder toenmalig minister Van Overtveldt, valt de uitbating van het café van jeugdhuizen, die in een specifieke context opereren, onder de reguliere btw, en dus eventueel onder die btw-vrijstelling voor kleine ondernemingen. Na overleg met de sector is toen een vrijstelling van 80.000 euro in het leven geroepen. Die werd toen ook in een circulaire bevestigd. Blijft u bij de redenering van uw voorganger dat jeugdhuizen hetzelfde fiscaal regime moeten volgen als commerciële cafés? Is dat gerechtvaardigd? Bent u bereid om het huidige bedrag van 80.000 euro, dat als drempel voor btw-plicht geldt specifiek voor de jeugdhuizen, aan te passen aan de index en te verhogen naar bijvoorbeeld 90.000 of 100.000 euro? Zo ja, op welke termijn overweegt u die aanpassing? Bent u bereid de bepalingen in de circulaire te herzien om beter rekening te houden met de heel specifieke situatie van jeugdhuizen?
ANTWOORD
(VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen)
Minister Jan Jambon: Mijnheer de voorzitter, mijnheer Matheï, jeugdhuiswerking valt in de regel onder het toepassingsgebied van artikel 44, § 2, ten tweede, van het Btw-Wetboek. In de meeste jeugdhuizen wordt in het kader van de vrijgestelde activiteiten een drankgelegenheid uitgebaat, die zich meestal in de ontmoetingsruimte bevindt. Voor de dranken en kleine versnaperingen die bij een dergelijke uitbating worden verstrekt, is de hierboven genoemde vrijstelling in principe van toepassing. Er wordt immers aanvaard dat de uitbating van de drankgelegenheid wordt gezien als een geheel van handelingen ten bate van de jeugd en dus vrijgesteld is indien die drankgelegenheid alleen toegankelijk is voor de bij het jeugdhuis aangesloten leden. Anderzijds is de exploitatie van een drankgelegenheid die voor iedereen toegankelijk is intrinsiek vreemd aan de sociale doelstelling van een jeugdhuis, met name de jeugdbescherming, die als een doelstelling van algemeen belang wordt beschouwd. De vrijstelling van artikel 44, § 2, ten tweede, van het Btw-Wetboek is in dat geval in principe niet van toepassing ten aanzien van de omzet die daarbij wordt gerealiseerd. Er worden in die omstandigheden immers dranken verschaft aan personen die volledig vreemd zijn aan het doelpubliek dat in de vrijstellingsbepaling wordt beoogd. Daarbij is dat doelpubliek dus niet de eindontvanger van de betrokken handelingen. De gepubliceerde administratieve beslissing nr. E.T. 128.632 van 5 november 2015, waarnaar u verwijst, bepaalt evenwel een drempel van 80.000 euro omzet van de drankgelegenheid als grenswaarde op grond waarvan bij toegeving toch wordt aanvaard dat er in het geval van een exploitatie door een jeugdhuis van een drankgelegenheid die voor iedereen toegankelijk is, geen belemmering is voor de toepassing van de vrijstelling. Die beslissing had als doel op een genuanceerde en evenwichtige manier rechtszekerheid te verschaffen, waarbij tegelijk toch een aanvaardbare tegemoetkoming werd gedaan voor de sector zelf zonder een onaanvaardbare concurrentieverstoring te laten voortbestaan. Er mag niet uit het oog worden verloren dat de drempel van 80.000 euro reeds merkelijk hoger ligt dan de drempel van 25.000 euro die geldt voor de algemene vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen. Dat is eveneens het geval ten opzichte van de drempel van 25.000 euro die de administratie hanteert in verband met de mogelijkheid van het al dan niet aanwezig zijn van potentiële concurrentieverstoring van enige betekenis en dus de al dan niet belastingplicht in hoofde van publiekrechtelijke lichamen, in de zin van artikel 6 van het Btw-Wetboek. Het is bijgevolg niet vanzelfsprekend om de drempel van 80.000 euro te verhogen, wetende dat die een toestand bestendigt die afwijkt van wat mogelijk is volgens de btw-richtlijn. Een eventuele toekomstige herziening van die drempel dient te gebeuren op basis van objectieve gegevens.
Steven Matheï (cd&v): Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Uit uw antwoord blijkt heel duidelijk dat het alleen toegankelijk zijn voor leden een eerste belangrijke opsplitsing maakt, namelijk tussen een jeugdhuis waar er geen btw-plicht is, omdat het vrijgesteld is op basis van artikel 44 zoals geciteerd, en een jeugdhuis dat toegankelijk is voor iedereen en dat onder het gewone regime valt, waar de bijkomende vrijstelling van 80.000 euro voorzien is. Ik heb in uw antwoord heel goed gehoord dat het niet vanzelfsprekend is om die drempel aan te passen. Dat is niet hetzelfde als onmogelijk, dus ik zou er toch op willen aandringen om de indexatie in overweging te nemen en door te voeren, want dat betekent in de praktijk wel heel wat voor de jeugdhuizen, die in die tien jaar tijd alleen al door de indexatie een stukje meer opgeschoven zijn naar boven.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.