Vr. en Antw., Kamer, 1992-1993, nr. 64, blz. 5938-5939
BTW. - Bedrijfsmiddel. - Heffingen.
VRAAG
1. Op welke bepaling van het gemeenschapsrecht stoelt artikel 12, § 1, 3°, van het BTW-wetboek ?
2. Aan welke rechtsgrond ontleent die heffing haar rechtsgeldigheid bij ontstentenis van een dergelijke bepaling ?
ANTWOORD
Krachtens artikel 12, § 1, 3°, van het BTW-wetboek, wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld de ingebruikneming door een belastingplichtige, als bedrijfsmiddel, van een goed dat hij anders dan als bedrijfsmiddel heeft opgericht, heeft laten oprichten, heeft vervaardigd, heeft laten vervaardigen, heeft verkregen of heeft ingevoerd of waarvoor, met toepassing van de belasting, te zijnen bate zakelijke rechten in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, werden gevestigd of aan hem werden overgedragen of wederovergedragen, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan.
Die bepaling heeft wat de aftrek van de BTW en de daarop betrekking hebbende herzieningen betreft, tot doel een gelijke behandeling te verzekeren tussen de door die bepaling beoogde belastingplichtige (bijvoorbeeld, een belastingplichtige die als bedrijfsmiddel een goed gebruikt dat hij oorspronkelijk bestemd had om verder te verkopen en waarvoor die belastingplichtige de BTW in aftrek heeft gebracht) en de belastingplichtige die van bij de aankoop dat goed bestemt als bedrijfsmiddel.
De opeisbare BTW ingevolge de in artikel 12, § 1, 3°, van het voornoemde wetboek bedoelde ingebruikneming is uiteraard volgens de gewone regels aftrekbaar, maar de hier bedoelde aftrek is onderhevig aan de specifieke herziening bepaald voor de bedrijfsmiddelen.
Bovenbedoeld artikel 12, § 1, 3°, is gebaseerd op artikel 5, 7°, a), van de zesde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake omzetbelasting, krachtens hetwelk de lidstaten met een levering onder bezwarende titel kunnen gelijkstellen het door een belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden bestemmen van een goed dat in het kader van zijn bedrijf is vervaardigd, gebouwd, gewonnen, bewerkt, aangekocht of ingevoerd, indien het van een andere belastingplichtige betrekken van een dergelijk goed hem geen recht zou geven op volledige aftrek van de BTW.